De wet op het net

Print
Drie jaar lang hebben ambtenaren van verschillende Europese landen en hun Amerikaanse collega's gewerkt aan een internationaal verdrag om computercriminaliteit aan banden te leggen. Binnenkort kunnen de participerende landen - waaronder ook de leden van de EU - hun handtekening onder het verdrag zetten en krijgen computercriminelen het heel wat moeilijker. Al zitten er volgens een aantal belangengroepen toch nog wat addertjes onder het gras. In België is er sinds de exploten van Redattack werk gemaakt van een degelijke wetgeving rond computercriminaliteit. Maar het internet stopt uiteraard niet aan de grenzen van ons land. En net als het internet zelf, overschrijdt ook computercriminaliteit vaak de fysieke grenzen van landen en zelfs continenten. Omdat elk land zijn eigen wetgeving en regels heeft, kost het de overheid dan ook vaak grote moeite om cybercriminelen te kunnen veroordelen. Daarom was een internationaal verdrag bittere noodzaak. Bedoeling is dat ondertekenaars hun wetgeving aanpassen zodat hackers nergens meer terecht kunnen voor een schuilplaats. Zo kan men vermijden dat computerinbraken of virusaanvallen onbestraft blijven omdat ze worden uitgevoerd vanuit landen die internetmisdaden niet bestraffen, zoals in het verleden gebeurde.
BR>

Big Brother


Het verdrag voorziet ook in meer bevoegdheden voor de ordediensten. Als het wordt goedgekeurd, krijgt de politie het recht om computerapparatuur in beslag te nemen en netwerken te onderzoeken. En met dat deel van het verdrag hebben enkele ontevreden belangengroepen het heel erg moeilijk. Vooral de Amerikanen zijn niet te spreken over de voorgestelde wetten over nieuwe rechten op 'virtuele' huiszoekingen en inbeslagnames. De Electronic Privacy Information Center (EPIC) vindt zelfs dat de Amerikaanse overheid op deze manier poogt om zich een aantal bevoegdheden toe te eigenen, die enige tijd eerder door het Parlement werden geweigerd. Volgens een woordvoerder van de EPIC wil de Amerikaanse regering vrij kunnen rondsnuffelen zonder daarbij op de vingers gekeken te worden. Een beschuldiging die ontkend wordt door het Department of Justice: "We proberen alleen maar de communicatie tussen de verschillende nationale politiediensten te verbeteren. Het is niet onze bedoeling om op deze manier de controlemechanismen te ontduiken."
Al kunnen daar wel vragen bij gesteld worden, zeker als je weet dat er momenteel veel heisa is rond een programma dat de FBI gebruikte en dat hen in staat stelde om in willekeurige computers rond te neuzen. Maar ook in Europa stelt men zich nog heel wat vragen bij de extra middelen voor de politie. Velen vrezen voor een Big Brother-achtige situatie waarbij de politie overdreven veel macht zal hebben. Anderen vrezen dat onschuldigen door het verdrag als hackers zullen aangezien worden. Vooral de bepalingen waarin gesproken wordt over het bezit van apparatuur die mogelijk als hulpmiddelen voor hackaanvallen kan dienen, ligt gevoelig. Want wat doe je dan met veiligheidsspecialisten die dat soort dingen gebruiken om te proberen bij te blijven in hun vakgebied?

Doel heiligt middelen


De intenties achter het verdrag zijn goed, maar het lijkt erop dat de eerste versie die nu op tafel ligt, nog wat rudimentair is. Vraag is dan ook hoe snel de verschillende partners dit verdrag ondertekend willen zien. Alle belangengroepen dringen aan op een grondige revisie, maar op dit moment wuiven de opstellers van het voorstel nog alle bezwaren weg. Volgens hen gaat het vooral om misverstanden over wat het verdrag nu juist doet, veroorzaakt door onduidelijkheden in de eerste versie van de tekst. Zo zouden veiligheidsspecialisten bijvoorbeeld geen gevaar lopen omdat zij niet veroordeeld worden voor het bezit van hackers tools. De beslissing om iemand al dan niet te veroordelen blijft uiteraard in handen van het gerecht. Volgens de opstellers levert de politie alleen het bewijsmateriaal. Het gerecht zelf blijft verantwoordelijk om te achterhalen of een bepaalde persoon al dan niet illegale bedoelingen had. Ook de bezwaren over privacy worden als weinig relevant gezien. Peter Csonka, ondervoorzitter van de organisatie die de onderhandelingen in goede banen leidt, is duidelijk: "De verzuchtingen mogen dan een grond van waarheid hebben, ze zijn even goed toepasbaar op alle andere internationale verdragen. Harmonisatie van de wetten is noodzakelijk om een juridische jungle op het internet te vermijden." Oftewel, het doel heiligt de middelen.

.

Nu in het nieuws