Vlaamse ruimtevaartindustrie haalt 5 miljard omzet

De Vlaamse ruimtevaartindustrie heeft in 1999 een omzet van iets meer dan vijf miljard frank bereikt. Dat heeft afgevaardigde-bestuurder Hans Bracquené woensdag na afloop van de vijfde jaarvergadering van de Vlaamse Ruimtevaart Industriëlen (VRI) gezegd. Kenmerkend aan de Vlaamse ruimtevaartindustrie is dat het langer meer een loutere overheidssector is, benadrukte hij.

Belga

BR>De VRI is meer dan vijf jaar geleden opgezet binnen de Vlaamse luchtvaartdrukkingsgroep FLAG als een specifieke cel om zich met industriële politiek bezig te houden, aldus voorzitter Paul Verhaert van het directiecomité. Meer bepaald de Vlaamse deelname aan ESA-projecten. Nu zit de organisatie "qua industriële activiteit op een scharnierpunt tussen deelname aan supra-nationale overheidsactiviteiten, zeg maar ESA-initiatieven, en een pro-actieve werking op een commerciële markt", beklemtoonde de bezieler van het Kruibeekse bedrijf Verhaert, onder andere verantwoordelijk voor het Europese satellietprogramma Proba.

De VRI boekte in '95 een omzet van 1,8 miljard frank, nu is dit opgelopen tot het "leuke" cijfer van iets meer dan vijf miljard frank, zei Bracquené, eraan toevoegend dat de Vlaamse ruimtevaartindustrie duidelijk een groeimarkt is. Desgevraagd kon hij geen cijfer geven over de netto-winst van de VRI. Wel zag hij binnen "de komende jaren een verdubbeling" van de omzet.

De toekomst van de VRI bestaat onder meer in het overschrijden van niches waarin de Vlaamse ruimtevaartindustrie zich heeft weten op te werken, in het bijzonder door samenwerking tussen bedrijven. Daardoor kunnen de Vlaamse bedrijven een sterkere positie innemen op de internationale markt en een eigen productengamma gaan ontwikkelen.

In die zin waarschuwde voorzitter Noël Parmentier van de Raad van Beheer van de VRI voor het gevaar dat de concentratiegolf in de Europese lucht- en ruimtevaartsector (EADS, Astrium) voor de positie van de KMO's vormt. "Zo stellen wij binnen de Europese ruimtevaartorganisatie ESA vast, dat steeds meer verantwoordelijkheid, dus beslissingsmacht, doorgegeven wordt aan de hoofdaannemers, en door nationale programa's hun strategische belangen eveneens veilig stellen om zich later te positioneren in de Europese programma's".