"Ik won 699 straatgevechten"

Print
Justice Sandjon van Germinal Beerschot is ijzersterk maar heeft een hart van goud
BR>EKEREN - Voor heel Germinal Beerschot is Djeumen Justice Sandjon deze week kop van Jut. Zijn rode kaart (de derde van het seizoen) was de oorzaak van de achtste competitienederlaag van zijn ploeg. Maar u gelooft het of u gelooft het niet: de struise Kameroenees heeft een hart van goud. Het woord is aan een van de meest intrigerende spelers van eerste klasse.

De biljartbalkopper


"Ik geraak verder dan elf meter"
"Een van mijn specialiteiten is dat ik een biljartbal kan wegkoppen. Ik deed dat het eerst in Boedapest. We wonnen voor de Intertoto tegen Lierse en daar hoorde een feestje bij. De helft van de ploeg geloofde niet dat ik elf meter ver zou geraken. De andere helft wel. Uiteraard lukte het me. De anderen mochten de hele avond de drank betalen. Toen we met Aalst gingen snookeren, deed ik mijn truc over. Je had die mannen moeten zien kijken. De spelers van Germinal Beerschot zagen mijn kunsten nog niet. Wel kopte ik tegen de deur van het kleerkastje van Gunther Hofmans. Omdat ik bang was voor een boete, kopte ik niet met volle overtuiging. Er was maar een barstje in. Maar ik had het kunnen breken. Of het geen pijn doet? Niks. Ik voel gewoon dat er iets op mijn hoofd valt. Als ik opgewarmd ben, geraak ik veel verder dan elf meter. Ik entertain graag de mensen. Als ik hen hiermee plezier kan doen, doe ik het. Gratis. Waarom ik dit kan? Als ik een stommiteit bega zoals tegen Harelbeke, moet ik me kunnen afreageren. En als kleine jongen brak ik planken met mijn hoofd. Ik deed wedstrijdjes met vrienden. Zij sloegen met de vuist of de elleboog, maar dat vond ik veel te pijnlijk."

De straatvechter


"Ik voelde me een leeuw in de jungle."
"Ik ben nooit professioneel bokser geweest, maar wel straatvechter. Als jonge gast was het bijna elke dag van dat. Ik heb mijn gevechten geteld. Ik kwam aan 700. 699 heb ik er gewonnen, eentje heb ik verloren. Gelukkig zijn we toen tijdig uit elkaar gehaald. Wat een afgang was dat geweest, zeg. Voor al mijn maten in mijn eigen stad verliezen. Ik had dat vechten nodig. Ik voelde me als een leeuw in de jungle. Ik hou er niet van me minderwaardig te voelen. Op een dag zei mijn moeder: Nu moet je kiezen: boksen of voetballen. Ze was het beu me elke dag met een bebloed gezicht te zien thuiskomen. Ik koos voor het voetbal maar bleef in Boedapest boksen in een trainingskamp. Waarom ik zo gespierd ben? Als kind heb ik honderden kilometers moeten sleuren met zware manden. Nadien heb ik als metser gewerkt. Maar in Kameroen zijn geen machines. Alles moest met de hand gebeuren. Soms word ik met Mike Tyson vergeleken. Wat een compliment. Maar er is eigenlijk geen vergelijking mogelijk. Hij is 10.000 keer sterker dan ik. Je kan geen aap met een gorilla vergelijken, hé. (Schatert) Ik hoef niet sterker te zijn dan nu. Ik ben nu al te gespierd om voetballer te zijn. Ik trek nooit mijn kousen hoog op, want dan spannen ze te veel en heb ik krampen. Scheenlappen doe ik maar aan omdat het moet."

De man van het fotomodel


"Eén jaar had ik nodig voor ik haar vasthad."
"Mijn vrouw leerde ik in Boedapest kennen. Ze was er professioneel fotomodel. Ze woonde vlak bij mij. Eén jaar had ik nodig om haar vast te krijgen. Of ik niet jaloers ben dat ze zo begaapt wordt? Nee. Ik ben daar fier op. In Aalst kreeg ik vaak complimenten over haar. Dat deed deugd. Nu is ze al zes maanden in Boedapest, waar ze opnieuw werkt. Ja, ik mis haar. In Boedapest zijn we een groot huis aan het bouwen. Ik probeer zoveel mogelijk geld te verdienen. Als er me wat rest, koop ik de nieuwste technologische snufjes, zoals gsm's en computers. Ik heb thuis twee pc's staan, ook al kan ik ze niet gebruiken. Aan sieraden geef ik ook graag geld uit. Bij Germinal Ekeren mocht ik me al mijn kettingen spelen, maar van het bestuur van Germinal Beerschot niet. En dan zijn er nog mijn drie broers die ik in leven moet houden. Voor mijn moeder stierf, gaf ze me de verantwoordelijkheid over hen. We waren met twaalf thuis. Ik ben de enige met een salaris."

De gelovige:


"Ik bid voor elke match in het toilet."
"Ik bid vaak. Voor elke match zeg ik dat ik moet plassen, maar eigenlijk ga ik in het toilet bidden. Tijdens de match zeg ik twintig keer een gebedje van één zin. En op tien minuten van het einde bid ik dat ik niet geblesseerd het einde van de match haal. Tot nu toe is dat gelukt. Ik brak nooit iets. Het is dank zij God dat ik deze carrière heb kunnen opbouwen. Als je wist vanwaar ik kom. Ik testte bij Hoogstraten, Sint-Niklaas en Antwerp. Met Antwerp speelde ik in 1991 een goeie match tegen Borussia Mönchengladbach, maar ze hadden al een goeie libero. Dan trok in naar Boedapest. Ik had twee broeken, een pull, sandalen, tennisschoenen en 3000 frank. In Hongarije sliep ik twee jaar lang op een zetel. Weet je wat elke dag mijn maaltijd was? Water, brood en suiker. Jongens, ik mag er niet aan denken. Dank u, God."

.

Nu in het nieuws