Dopingbezit kost Frank Vandenbroucke 250.000 euro

Het Gentse hof van beroep heeft donderdagnamiddag wielrenner Frank Vandenbroucke veroordeeld tot een geldboete van 250.000 euro voor het bezit van een hele resem dopingproducten. Volgens het hof was enkel de federale drugswet van toepassing op de feiten en niet het Vlaams decreet op de sportbeoefening.

Belga

BR> Vandenbroucke werd dus beschouwd als een druggebruiker en niet als sportman.

De dopingproducten, waaronder epo, groeihormonen, adrenaline, testosteron, morfine en amfetamines, werden in februari 2002 gevonden tijdens een huiszoeking in de woning van de wielrenner.

De huiszoeking kwam er nadat de Franse verzorger Bernard Sainz bij een snelheidscontrole werd tegengehouden en de politie in de koffer van zijn wagen allerlei dopingproducten vond. Sainz verklaarde dat hij de nacht voordien verbleven had bij Vandenbroucke, waarop de woning van de wielrenner werd doorzocht.

De correctionele rechtbank van Dendermonde had Vandenbroucke op 6 december 2004 veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren. De verdediging van de wielrenner had daar gepleit dat de rechtbank eigenlijk niet bevoegd was, omdat de disciplinaire commissie van de Vlaamse Gemeenschap hem al een tuchtstraf van 6 maanden had opgelegd. De rechter oordeelde evenwel dat een tuchtstraf op basis van het Vlaams decreet op de medisch verantwoorde sportbeoefening een strafrechterlijke veroordeling op grond van de federale drugswet niet verhinderde.

Voor het Gentse hof van beroep herhaalde meester Luc Deleu de argumenten van de verdediging. "Als sportbeoefenaar die zich voorbereidt op een wedstrijd, geniet Frank Vandenbroucke volgens het decreet strafrechterlijke immuniteit nu hij al een tuchtstraf heeft gekregen. Anders zou hij voor dezelfde feiten tweemaal gestraft worden, en dat kan niet".

De advocaat van Vandenbroucke vroeg het hof zelfs om de mogelijke tegenstrijdigheid tussen het Vlaams decreet en de federale drugswet voor te leggen aan het Arbitragehof, maar het hof ging daar niet op in. Volgens de raadsheren was het Vlaams decreet immers niet van toepassing. Vandenbroucke had te veel producten in huis om nog van doping te spreken, en een aantal van die producten konden ook niet meer als doping beschouwd worden. Bovendien was de wielrenner niet meer intensief aan het trainen toen de producten gevonden werden, aldus het hof. Van enige tegenstrijdigheid tussen de federale drugswet en het Vlaams decreet was dan ook geen sprake meer.

Ook over de strafmaat verschilde het Gentse hof van beroep van mening met de Dendermondse strafrechter. Het hof zag geen reden om een werkstraf op te leggen, omdat die voor Vandenbroucke geen heil zou brengen. Uit de verslagen van de gerechtelijke experts kwam de wielrenner naar voor als een narcistisch figuur met grote psychologische problemen, die mede waren veroorzaakt door de grote mediabelangstelling. Daardoor zou er bij Vandenbroucke een hoogmoedig gedrag en een gebrek aan realiteitszin ontstaan zijn, aldus de experts, en zou hij moeite gekregen hebben om zich te houden aan regels en gezag. "Vandenbroucke is zo een slachtoffer geworden van de roem, en van onbetrouwbare figuren met een grote charme en een aureool van macht zoals Sainz", ging het arrest verder.

Omdat de wielrenner ondertussen volgens het hof wel moeite had gedaan om zijn leven op orde te krijgen, vonden de raadsheren een geldboete de beste straf. Die werd bepaald op 250.000 euro, en daarbij werd rekening gehouden met de inkomsten van Vandenbroucke als wielrenner en het geld dat hij gespendeerd had aan verdovende middelen.