Autofabrieken willen lonen twaalf procent lager

Print
Als de Belgische autofabrieken concurrentieel willen blijven ten opzichte van hun collega’s in andere landen, dan moeten de loonkosten in ons land met 10 tot 12% naar beneden. Als dat niet gebeurt, komen de jobs van tienduizenden mensen in gevaar.
BR> Dat hebben de toplui van de fabrieken van Opel in Antwerpen, Ford in Genk, Volkswagen in Vorst en Volvo in Gent gezegd.

De bedrijfsleiders hingen niet meteen een zwart, maar toch een donkergrijs beeld op van de Belgische auto-industrie. Als de bedrijven competitief willen blijven, zal er zwaar op de kosten moeten worden gelet. Freddy De Mulder van General Motors Belgium: "Kwaliteit, flexibiliteit en productiviteit zijn belangrijke troeven, maar als over enkele jaren beslist wordt waar de nieuwe Astra wordt geproduceerd, zal ook naar de kosten worden gekeken. Dan gaat het om de fabriek die niet alleen het beste werkt, maar ook het goedkoopste. En loonkosten zijn daarbij een belangrijk onderdeel."

De autobonzen kijken ongerust naar de ontwikkelingen in Duitsland, het moederland van nogal wat autofabrieken in ons land. Daar worden met de vakbonden akkoorden afgesloten waarbij het personeel loonsverhoging laat schieten in ruil voor werkzekerheid. Jan Gijsen van Ford Genk: "Als wij niet inspelen op die ontwikkelingen zijn wij over drie tot vier jaar ons loonkostenvoordeel ten opzichte van Duitsland kwijt."

De autobazen hebben dan ook geen goed woord over voor het interprofessioneel akkoord, dat een stijging van de lonen van 4,5% over twee jaar toelaat. Peter Leyman van Volvo: "Dat bezorgt ons een extra loonkostenhandicap."

.

Nu in het nieuws