Agalev vraagt budgettaire inhaaloperatie deeltijds beroepsonderwijs

Print
Agalev vraagt een ernstige budgettaire inhaaloperatie voor het deeltijds secundair beroepsonderwijs (DBSO). Volgens Vlaams parlementslid Frans Ramon wordt het DBSO momenteel onderbenut en zijn meer werkingsmiddelen nodig om de lat met het voltijds onderwijs gelijk te leggen. Ramon vroeg woensdag op een persconferentie 2,25 miljoen euro meer van de Vlaamse regering. Momenteel volgen een 6.000-tal leerlingen twee dagen per week vorming (algemeen en beroepsgericht) in de in totaal 45 DBSO-centra in Vlaanderen. In principe werken ze de drie andere dagen van de week in een bedrijf of instelling. Probleem is wel dat zowat 40 pct van de DBSO-leerlingen geen arbeidsplaats vindt tijdens de opleiding.
Nogal wat leerlingen (van wie drie op tien allochtonen) komen in het DBSO terecht na een turbulent verleden in het voltijdse onderwijs. Volgens Ramon wordt het systeem schromelijk ondergewaardeerd om iets te doen aan het probleem dat nog te veel jongeren het onderwijs verlaten zonder de minste kwalificatie. Na afloop van een DBSO-opleiding ontvangt de leerling immers een getuigschrift. In Europa volgt gemiddeld één op vijf leerlingen een vorm van deeltijds leren tijdens hun onderwijsloopbaan. In Vlaanderen ligt dat vele malen lager. Ramon hekelt dat het DBSO budgettair wordt achtergesteld omdat het per leerling maar de helft aan werkingsmiddelen krijgt en het budget ook minder goed de leerlingenevolutie volgt dan in het gewoon secundair onderwijs. Om die achterstelling weg te werken, is volgens Ramon een financiële injectie nodig. Het Agalev-parlementslid vraagt (eventueel gefaseerd) 2,25 miljoen euro voor het DBSO.

Ramon is er geen voorstander van om de instapleeftijd in het DBSO van 16 naar 14 jaar te verlagen, maar vraagt wel betere bruggen tussen het voltijds en deeltijds onderwijs en een goede begeleiding van de leerlingen die de overstap maken. Ook moet het mogelijk zijn technische of beroepsgerichte opleidingen verder binnen een lineair leersysteem uit te bouwen als ze meer succes hebben in een deeltijds dan in een voltijds systeem. Stukadoor is er één voorbeeld van.

Ramon ziet nog een reeks knelpunten. Zo kent Vlaanderen naast het DBSO met de middenstandsopleidingen en de centra deeltijdse vorming nog twee andere deeltijdse leersystemen, maar is er onderling nauwelijks samenwerking. Zo moet iemand die er na een bakkersopleiding van één jaar in de middenstandsopleiding de brui aan geeft en overstapt naar het DBSO weer van nul herbeginnen, zo gaf Ramon woensdag als voorbeeld. Een betere afstemming op lokaal niveau vindt Agalev een absolute noodzaak. Voorts wil Ramon dat er iets gedaan wordt aan het "kluwen" van verschillende statuten waaronder een DBSO-leerling deeltijds tewerkgesteld kan worden. Hij pleit voor een eenvormig leercontract met gelijkwaardige opleidingsvergoedingen, dezelfde sociale rechten, enz...

Voor vele jongeren is het behalen van een getuigschrift na afloop van hun DBSO-opleiding het einde van hun onderwijsloopbaan. Maar als ze later toch weer zin krijgen om verder te studeren, wil Agalev dat hen wordt gewezen op de mogelijkheid om via de centrale examencommissie een diploma voltijds beroepssecundair onderwijs te behalen. Daarover moet volgens Ramon meer promotie worden gevoerd.
Nu in het nieuws