Conventie cybermisdaad uit de startblokken

In Boedapest is vrijdag begonnen met de ondertekening van een conventie tegen computercriminaliteit, een initiatief van de Raad van Europa en zijn partnerlanden de VS, Canada, Japan en Zuid-Afrika. De conventie wordt van kracht wanneer vijf landen ze ondertekenen en moet het gerechtelijk vervolgen van computergerelateerde misdaad gemakkelijker maken.

BELGA

Het opsporen van computermisdadigers is bijzonder moeillijk omdat - in tegenstelling tot het internet - het gerecht gebonden is aan landsgrenzen. Bovendien is het in de cyberwereld gemakkelijker dan bij conventionele misdaden om sporen van een misdrijf uit te wissen.

De conventie stelt zich tot doel "de samenleving te beschermen tegen computercriminaliteit door terzake een gemeenschappelijke aanpak uit te werken en de internationale samenwerking te versterken". De tekst bestaat uit drie grote luiken: een harmonisering van de wetgeving die computermisdaden definieert, het bepalen van nieuwe opsporingstechnieken en een versterking van de internationale samenwerking.

De computermisdrijven vallen onder vier categorieën. Vooreerst is er het klassieke "hacken", dat zijn inbreuken tegen de integriteit of de beveiliging van datasystemen door op illegale manier "in te breken". Andere vormen van computergerelateerde misdrijven zijn fraude met kredietkaartnummers, het publiceren van kinderporno of racistische propaganda en het kopieëren van computersoftware.

Om te vermijden dat bewijsmateriaal wordt gewist, hadden de opstellers van de conventie internetproviders graag verplicht de gegevens op hun servers voor een bepaalde tijd te bewaren. Die maatregel kwam er niet door, mede onder druk van de technologiesector die vreesde voor een te hoge kostprijs. De conventie geeft wel de mogelijkheid om de gegevens in een computerbestand te laten "bevriezen", zodat op zoek kan worden gegaan naar bezwarende aanwijzingen.

Voorstellen om een internationale cyberpolitie op te richten of om nationale rechters universele bevoegdheden te geven werden door de meerderheid van de lidstaten afgewezen. In de plaats daarvan werd gezocht naar regels voor internationale informatieuitwisseling. Zo moet elk ondertekenend land een centrum voor computercriminaliteit openen dat voortdurend bemand is, zodat gegevens onmiddellijk kunnen worden verstrekt.

Opmerkelijk is dat er voor het hoofdstuk racisme en xenofobie volgend jaar in juli een apart protocol komt. De Europese landen stuurden erop aan racistische websites op dezelfde manier te verbieden als kinderporno. De Verenigde Staten vreesden echter voor een inbreuk op het First Amendment van hun grondwet, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert.

De NGO-koepel GILC (Global Internet Libery Campaign) vindt dat het verdrag een gevaarlijke richting uitgaat. De organisatie heeft niets tegen een gemeenschappelijke aanpak van kinderporno en racisme, maar vreest voor de bescherming van persoonlijke gegevens en de anonimiteit. Teveel onderzoeksvrijheid zou kunnen leiden tot een wereldwijd afluister- en controlenetwerk, een soort van "Big Brother".

Nu in het nieuws