Bocholtenaars vervolgd voor uitbreken varkenspest

Voor de correctionele rechtbank van Tongeren stonden maandag een 49-jarige landbouwer en een 53-jarige veearts uit Bocholt terecht wegens nalatigheid, waardoor ze aan de basis zouden hebben gelegen van het uitbreken van de eerste haard van varkenspest in ons land in juni 1997. De rechter velt op 10 december een vonnis in deze zaak.

BELGA

De feiten speelden zich af in Bocholt tussen 15 en 30 juni 1997. De landbouwer, die over 6.000 varkens beschikte, stelde in die periode vast dat een aantal van zijn varkens een verminderde eetlust hadden en met een lichte hoest kampten. Na overleg met de behandelende veearts, die de boerdij wekelijks bezocht om de dieren te vaccineren, werd er besloten om een therapeutische behandeling op te starten en de dieren die een week later nog niet genezen waren verder individueel te behandelen.

Toen een aantal varkens kort daarna overleden, nam de veearts een bloedstaal. Die werd positief bevonden voor varkenspest, waarop alle varkens van de betrokken landbouwer werden afgemaakt. Voormalig landbouwminister Karel Pinxten (CVP) liet de Bocholtse boer daarop weten dat hij slechts recht had op 50 procent van de waarde van de varkens, met name op 16,5 miljoen frank in plaats van op 33 miljoen frank.

Volgens het parket hadden de landbouwer en de veearts onmiddellijk bloedstalen van de zieke varkens moeten afnemen en die, met het oog op de diagnose van de klassieke varkenspest, aan de veterinaire diensten moeten overmaken. "Door dit verzuim worden ze geacht de oorzaak te zijn van besmetting van andere dieren met varkenspest", luidt het.

Maar de veearts stelde maandag ter zitting dat hij niet vlugger kon ingrijpen omdat de symptomen van verminderde eetlust en hoest frequent voorkomen bij verhokking (het overbrengen van de dieren naar een andere stal) van de dieren. Bovendien was er in België op dat ogenblik ruim 4 jaar geen haard van varkenspest meer geweest, stelde de veearts nog. De verdediging vroeg de vrijspraak voor beide beklaagden en zei nog dat er nadien geen andere haarden van varkenspest bij andere bedrijven werden vastgesteld.

Meester Wim Mertens, die namens de landbouwer optreedt, beriep zich onder meer op verschoonbare dwaling. "Het opstarten van een therapeutische behandeling op zich is niet strafbaar. Als een veearts met de nodige kennis terzake niet bemerkt dat het om varkenspest gaat, kan men van mijn cliënt toch onmogelijk verwachten dat hij het wel zou opmerken", luidde het. Mertens maakte de zaak indertijd ook aanhangig bij de Raad van State (RvS), maar die verklaarde zich onbevoegd omdat er sprake was van de schending van een subjectief recht en dat komt aan de correctionele rechtbank toe.