'Verdrag tegen landmijnen wordt niet nageleefd'

Print
Het verdrag tegen landmijnen uit 1997 wordt door een aantal Afrikaanse ondertekenaars niet nageleefd. Dat blijkt uit onderzoek van de Internationale Campagne voor een Verbod op Landmijnen (ICBL), de organisatie die in 1997 de Nobelprijs voor de vrede kreeg. In 73 landen zijn dit jaar mensen op landmijnen gelopen, stelt de ICBL, maar toch is de organisatie positief over het verloop van de strijd tegen het gebruik van landmijnen.
Uganda, Ethiopië, Sudan, Rwanda en Burundi, ondertekenaars van het verdrag, gebruiken vrijwel zeker nog steeds landmijnen. Dat staat in een woensdag verschenen onderzoeksrapport van de ICBL. Ook in andere landen, die het verdrag niet hebben ondertekend, worden nog steeds landmijnen gelegd. Het rapport noemt Israël, de Democratische Republiek Congo, Nepal en Kirgizië. Daarnaast maken in een aantal landen milities en rebellengroepen gebruik van mijnen. Dat is onder meer het geval in India, Afghanistan, de Filipijnen, Somalië, Georgië en Joegoslavië.

Ondanks het nog steeds wijdverbreide gebruik van landmijnen is de ICBL positief over de vooruitgang die de laatste jaren is geboekt is bij de wereldwijde strijd tegen het gebruik van landmijnen. Sinds de inwerkingtreding van het verdrag zijn 27 miljoen landmijnen vernietigd, waarvan vijf miljoen dit jaar. De voorraden landmijnen blijven echter enorm, wereldwijd liggen er in militaire depots ongeveer 245 miljoen landmijnen. China houdt de grootste voorraad aan, zo'n 110 miljoen mijnen, gevolgd door Rusland met ongeveer 65 miljoen en de VS met 11,2 miljoen. Deze drie landen behoren dan ook niet tot de 141 ondertekenaars van het verdrag. De VS zeggen dat landmijnen nodig zijn aan de Zuid-Koreaanse grens om Noord-Korea van een invasie af te houden. China en Rusland zeggen de landmijnen nodig te hebben voor defensieve doeleinden.

.

Nu in het nieuws