Parlement kan best zelf aardig wat bezuinigen

Print
Dit land telt zeven parlementaire assemblees, 57 federale en regionale ministers en staatssecretarissen en 628 federale en regionale parlementsleden. Dat is veel voor een staat met bijna 11 miljoen inwoners, maar het is de prijs voor de vreedzame federalisering. In een olijke bui heeft Mark Eyskens ooit eens voorgerekend dat China naar het Belgische voorbeeld een regering van 3.000 excellenties zou hebben.
p>Die parlementen kosten handenvol geld en de vraag moet worden gesteld of ze het werk met wat minder volksvertegenwoordigers even goed zouden opknappen. Zeker in het licht van de nakende besparingsronde van 22 miljard euro zouden de parlementen hun duit in het zakje kunnen doen. De vermindering van het aantal parlementsleden kan een thema zijn voor de staatshervorming.

Gisteren was het de beurt aan het federale parlement, Kamer en Senaat, om het werkjaar op gang te trekken. Maar welk nut heeft de Senaat met zijn 71 leden plus twee prinsen en één prinses nog? De assemblee heeft haar nieuwe rol van ontmoetingsplaats tussen de gemeenschappen niet kunnen waarmaken. Puur uit beleefdheid en om de ’hoge vergadering’ toch nog enig politiek gewicht te geven, leest de federale premier traditioneel zijn beleidsverklaring telkens ook voor in de Senaat, maar lectuur en vertrouwensstemming in de Kamer volstaan.

De enkele wettenmakers in de Senaat kunnen hun werk net zo goed als Kamerlid realiseren. Het vragenuurtje in de Senaat is dubbel werk. Bovendien kost één senator jaarlijks 1,1 miljoen euro, tegenover 772.000 voor een Kamerlid. Overbodig en bijgevolg best zo snel mogelijk afschaffen. De democratie zal er niet onder te lijden hebben en voor de staat, en dus de belastingbetaler, betekent dit een besparing van miljoenen euro.

Ook de Kamer zou behoorlijk wat centen opzij kunnen leggen als ze extra vergoedingen voor een aantal functies zou terugschroeven. Heeft de Kamer met 150 leden inderdaad vijf ondervoorzitters, vier secretarissen en vier quaestoren (bestuurders) nodig? En moeten die functies per se zo royaal worden vergoed? Een Kamerlid dat wordt aangeduid als secretaris, ontvangt jaarlijks 17.000 euro extra, een ondervoorzitter 23.000 euro. Vroeger waren er overigens zes quaestoren (20.000 euro extra), maar PS en N-VA hebben elk een post van quaestor opgegeven. Liggen deze vergoedingen werkelijk in verhouding tot het extra gepresteerde werk?

Door Dirk Castrel

Nu in het nieuws