© Joren De Weerdt

COLUMN. Schoffelen in de tuin: “Ik heb mezelf deze week getrakteerd op een onkruidmes”

Gekrijs wanneer je na een lange dag eindelijk een campari hebt uitgeschonken of een gevecht in je recent geordende inloopkast: een gezin kan hectisch zijn. Bij Anneke (47) uit Pulle is dat niet anders. Samen met haar man Phille (49) en zonen Ricky (15) en Vinnie (10) probeert ze er elke dag het beste van te maken.

An Van de Voorde

Door het samenvallen van een heleboel onaangename elementen – mijn man en mijn kinderen, om er maar twee te noemen – had ik deze week meer dan anders het gevoel dat ik er even tussenuit moest. Eventjes weg van alles. Dat zat er uiteraard niet in, want ik moest werken, dus nam ik genoegen met het volgende beste ding: een beetje wriemelen in de tuin.

In de tuin werken is best ontspannend, heb ik in de loop der jaren ontdekt. Waar ik twintig jaar geleden op mijn teenslippers onkruid stond te wieden en soms krijsend naar binnen moest lopen omdat er een slak tussen mijn tenen of – erger nog – op mijn handen glibberde, draag ik nu werkhandschoenen en rubberen laarzen. Ook bij 30 graden. Da’s relaxter. Ik heb belachelijk veel tuingereedschap, en telkens ik de Aveve binnenstap, koop ik nog iets bij. Zo heb ik mezelf deze week getrakteerd op een onkruidmes. Het kostte iets meer dan 20 euro, maar het leek me echt een onmisbaar hebbeding toen ik het daar zo zag hangen in de winkel, tussen de graskantstekers, de schoffelhakken en de kliefhamers. Ik vond het vreemd dat ik me nooit eerder tot de aankoop van zo’n ding verleid had gevoeld.

Je moet weten: mijn tuin is een echt onkruidparadijs. Toen ik vorige week een bloemetje wilde planten en mijn schop in de grond stak, bleek die voornamelijk te bestaan uit lange witte draden. Wortels van een of ander onkruid, ontdekte ik, nadat ik een app had geïnstalleerd die zo’n dingen herkent aan de hand van een fotootje dat je eenvoudig kunt uploaden. Haagwinde, heet het, en mijn tuin was ervan vergeven.

Mijn app vertelde me niet hoe ik verlost kon worden van mijn onkruidplaag, dus riep ik de hulp in van vrienden. Maar de meesten kenden het probleem niet, hadden een tuinman om daarover na te denken of riepen ontzet dat ik vooral geen chemische middelen mocht gebruiken om ze te lijf te gaan. Er was zelfs een collega die voorstelde om de natuur gewoon haar gang te laten gaan. “Maai Mei Niet”, zei ze doodserieus.

De volgende stap was het aanklampen van de vader van een klasgenootje van mijn jongste zoon. Die, zo wist ik al langer, stamt af van een familie die een tuincentrum uitbaat in Zandhoven. Hij zou er vast wel iets van afweten. Toevallig zijn onze zonen goed met elkaar bevriend, dus de eerstvolgende keer dat hij Finn kwam ophalen, schraapte ik mijn keel. “Zeg, Kenny”, zei ik. “Jullie hebben toch een tuincentrum hé? En jij werkte daar toch hé?” Voor hij kon antwoorden, had ik mijn probleem al uit de doeken gedaan, met kleurrijke beschrijvingen van wortel en onkruid. Met groteske gebaren probeerde ik de omvang van het probleem te schetsen.

“Jaja”, zei de Kenny droog. “Wij hebben een tuincentrum, maar ik doe de boekhouding. Van wat ik ervan ken, zal je dat toch handmatig moeten verwijderen, want chemische onkruidverdelgers worden niet meer verkocht.”

Ik dacht: niks van. Op het internet vond ik een site met allerlei tuinproblemen. Ik stuurde een mailtje en voegde de foto toe die ik een paar uur eerder had geüpload in de app: wat is de meest effectieve manier om dit te bestrijden? De webmaster besloot daarop om mij volledig te negeren, zodat ik nu al een hele week lang elke dag op mijn knieën in de tuin zit om met mijn onkruidmes witte draden uit de grond te halen.

Na elke vierkante meter die ik klaar, steek ik mijn handjes in de lucht en roep ik ‘hoera’. Aan het einde van de border zelfs ‘hieperdepiep hoera’. Tot ik iets boven de grond zag komen piepen in een gebied dat ik al had gecleard. Het was haagwinde. Ik stak mijn schop in de grond en stelde vast dat ik de hele week voor niks had geschoffeld. De grond zat weer vol met wortels die langs alle kanten scheuten hadden ontwikkeld. “Ah ja”, las ik op tuinadvies.org. “Je moet alles verwijderen, anders schiet de wortel weer wortel.”

Het was te laat, concludeerde ik, terwijl het zweet langs alle kanten in mijn rubberen laarzen liep. Op dat moment kwam ook mijn man thuis. Hoofdschuddend stond hij me aan te staren in de deuropening. “Tss”, zei hij. “Wat zijt ge aan het doen? Is er niks anders te doen misschien?”

Ik gilde.

“Een slak”, vroeg mijn mama, die ook in de tuin zat.

“Nee”, jankte ik. Ik moet er tussenuit. Naar een ver land aan de andere kant van de wereld. Naar Mongolië of Borneo of zo. En daar moet ik blijven, tot de hele tuin is overwoekerd en iedereen binnen het gezin beseft wat ik allemaal doe in huis. Eerder kom ik niet terug.

Vastgoed

Auto's in de kijker

Jobs in de regio