© Joren De Weerdt

PODCAST. “Nogal iets hé, daar in Afghanistan”

Gekrijs wanneer je na een lange dag eindelijk een campari hebt uitgeschonken of een gevecht in je recent geordende inloopkast: een gezin kan hectisch zijn. Bij Anneke (46) uit Pulle is dat niet anders. Samen met haar man Phille (48) en zonen Ricky (14) en Vinnie (9) probeert ze er elke dag het beste van te maken.

An Van de Voorde

“Nogal iets hé, daar in Afghanistan”, zei ik tegen mijn oudste zoon. We zaten samen in de auto om kebab te gaan halen en luisterden naar het radionieuws. Het aantal coronagevallen in ons land was weer de hoogte ingeschoten en in Afghanistan rukten de taliban op naar de hoofdstad Kaboel.

“Ja”, zei mijn zoon. “Wat is dat daar eigenlijk allemaal?”

Ik legde hem uit dat na 9/11, toen het World Trade Center in New York naar beneden werd gehaald door Al Qaidastrijders en duizenden Amerikanen hun leven verloren, de Verenigde Staten naar Afghanistan waren gevlogen om er een oorlog te beginnen. “De hele wereld raakte erbij betrokken”, probeerde ik het eenvoudig uit te leggen. “Ook ons land stuurde militairen naar daar. Weliswaar niet om te vechten, maar om de Afghaanse militairen die het wel goed voorhadden met hun land, te leren hoe ze hun wapens moesten gebruiken.”

Mijn zoon knikkebolde, dus ik dacht dat hij het allemaal wel interessant vond.

“Twintig jaar zijn ze daar gebleven”, zei ik. “Twíntig jaar! Tot president Biden besliste om de Amerikaanse troepen naar aanleiding van de twintigste verjaardag van 9/11 terug te roepen. Die verjaardag is in september. Afghanistan leek een stabiel land te zijn geworden, met een eigen vlag en een regering en zo. Met vrouwen die naar school mochten ... Ik heb laatst een documentaire gezien van Afghaanse vrouwen die een dierenasiel waren begonnen, dat was zo mooi”, vertelde ik.

Het ritmische geknik van zijn hoofd moedigde me aan om mijn verhaal af te maken. “Maar de eerste Amerikaanse soldaten zaten nog maar pas op het vliegtuig naar huis of de taliban kwamen alweer tevoorschijn. Die hadden waarschijnlijk al die tijd in grotten en spelonken gezeten, te wachten tot ze weer naar buiten konden. Razendsnel, echt megasnel”, kon ik niet genoeg benadrukken, “hebben ze het land weer ingenomen. En nu zitten ze in de hoofdstad en zijn die twintig jaar voor niks geweest. Alle rechten die vrouwen hadden verworven zijn weg. Ze moeten weer boerka’s dragen en mogen niet meer naar school of gaan werken. Volgens mij mogen ze zelfs niet meer buitenkomen. Zo erg allemaal.”

Voor ik verder ga, wil ik even vermelden dat ik me ervan bewust ben dat mijn analyse van de Afghaanse situatie nogal kort door de bocht gaat, en dat er allerlei nuances en politieke verwikkelingen zijn die niet stroken met mijn uitleg. Maar zoals gezegd: zoon en ik zaten in de auto, onderweg naar de kebabzaak in Grobbendonk. Da’s nog geen zeven minuten rijden. Ik moest het dus kort houden en mijn zoon moest het snappen.

“Amai”, zei hij. “Die boerka’s, da’s keiwarm. En het is daar al zo warm, toch? Da’s wel erg, dan. Die mannen van de taliban moeten wel veel geduld hebben, als die twintig jaar hebben zitten wachten in een grot in de bergen. Daar zal het wel niet zo warm zijn geweest.”

“Je zal daar maar geboren zijn”, probeerde ik hem te wijzen op zijn eigen luilekkerleven. “In een land in oorlog. Je zou voor minder weg willen. Want in Afghanistan wonen kinderen die net als jij zijn, die muziek willen luisteren en dromen van een carrière als de nieuwe Messi. Alleen dragen zij niet de allernieuwste voetbaltruitjes van Messi bij PSG, maar van Messi toen hij begon bij Barcelona, met sponsors die niet meer kloppen en zo. Afghanistan is een arm land, weet je”, zei ik, terwijl ik de auto parkeerde voor de Star Kebab.

Hij zuchtte en haalde een oortje uit zijn linkeroor. “Dus?”

“Ja, gewoon”, zei ik. “Dus moeten we die mensen, die gewone Afghaanse mensen met hun gewone Afghaanse kinderen, helpen. Zij hebben ook niet gevraagd om al die miserie.”

“Jaja”, zei mijn zoon. “Ze moeten vluchten. Maar niet naar hier. Hier zit het al vol.”

“Pardon?” zei ik, helemaal in shock. “Hoezo zit het hier vol? Ken jij één Afghaan? Of zelfs één vluchteling? Nou?”

“Bwoah ja, eh, kweetnie”, pruttelde hij. “In Antwerpen en zo, daar zitten er wel veel. Er zijn toch andere plaatsen in de wereld waar ze heen kunnen, ze moeten toch niet allemaal naar hier?”

“Ze komen ook niet allemaal naar hier. Denk je trouwens dat ze daar op zitten te wachten, om alles achter te laten in eigen land om hier tussen een bende onverdraagzame, rotverwende Belgen te komen wonen, zelfs al is het maar tijdelijk?”

Hij haalde zijn schouders op. “Nu doe je net of ik een racist ben”, pruilde hij. “Ik ben echt geen racist.”

“Neenee”, rondde ik het gesprek af voor we de kebabzaak binnengingen. Daarbinnen wilde ik geenszins een discussie voeren over vluchtelingen, dat zou awkward zijn. “Maar stel je voor dat er hier oorlog uitbreekt, en jij zou het land willen ontvluchten omdat je leven in gevaar is. En elk land waar je naartoe vlucht, zegt: nee, jij mag niet binnen, zoek maar een ander land.”

“Och”, zei hij. “Da’s helemaal iets anders. We zullen ze wel helpen als ze hier zijn, no prob.”

Waarop ik bij mezelf de bedenking maakte: die vluchtelingen, die zullen toch wel allemaal gevaccineerd zijn als ze naar hier komen?

CITTA

Vastgoed

Auto's in de kijker

Jobs in de regio