©  Joren De Weerdt

PODCAST. “Ik leefde anderhalve dag in de waan dat mijn laatste uur was geslagen”

Gekrijs wanneer je na een lange dag eindelijk een campari hebt uitgeschonken of een gevecht in je recent geordende inloopkast: een gezin kan hectisch zijn. Bij Anneke (46) uit Pulle is dat niet anders. Samen met haar man Phille (48) en zonen Ricky (14) en Vinnie (9) probeert ze er elke dag het beste van te maken.

An Van de Voorde

Twee weken geleden heb ik anderhalve dag in de waan geleefd dat mijn laatste uur was geslagen. Er zat een knobbeltje in mijn oksel. Achteraf bleek het te gaan om een rijpe puist – of een ontstoken talgklier, zoals de dokter het probeerde te verbloemen – maar op dat moment was het in mijn hoofd kanker in zijn meest uitgezaaide vorm. Ik berustte al in de gedachte: mijn leven zit erop, het is voorbij.

Misschien heb je dat ook al eens meegemaakt, dat je lichaam haperde en je bij dokter Google op visite ging. Dat je na het intikken van een hoestje, een droge keel, een kalknagel of twee, schilfers op de hoofdhuid of een pijnlijke elleboog Windows afsloot met een ongeneeslijke tropische ziekte als diagnose. Dat je dacht te weten: dit was mijn leven, het eindigt hier en nu.

Wel, in dat geval mag je nu stoppen met lezen; of met luisteren als je de podcast hebt aangeklikt op de website van de krant. Dit is voor de mensen die dat gevoel van morgen-bestaat-niet-meer nog niet kennen, die net als ik altijd hebben gedacht dat ze 150 jaar zullen worden met twee vingers in de neus. Die nooit hebben stilgestaan bij het feit dat iedereen sterft. Iedereen behalve Elvis, dat spreekt.

Ik kan maar moeilijk onder woorden brengen hoe het voelt om ineens geen tijd meer te hebben. Eerst schoten er allemaal praktische dingen door mijn hoofd: ik ben de enige die mama’s geheime code kent om online te bankieren. Als ik er niet ben, wie zal dan haar rekeningen betalen van de Kempense Thuiszorg? Ik ben ook de enige die een mailadres heeft op Smartschool om te communiceren met de directie en het onderwijzend personeel van het Kardinaal Van Roey Instituut. Als ik er niet meer ben, wie gaat dan de briefwisseling doen met de turnjuf over uniformpjes die ontbreken of turnpantoffels die niet voldoen? Hoe zal mijn man ooit weten welke strafstudietaken onze zoon allemaal krijgt opgelegd?

Ook binnenshuis zag ik problemen opduiken. Mijn man zou – als hij niet meteen de dag na mijn begrafenis een nieuwe partner zou vinden – mijn takenpakket erbij moeten nemen, en hij klaagt nu al dat hij geen tijd heeft. De kinderen zouden nooit nog schone kleren kunnen aandoen, want de wasmachine, daar snapt bij ons thuis niemand iets van. Ze zouden nooit ingeschreven raken voor sportklassen of scoutskampen, want online invulformulieren, daar doet mijn man niet aan mee. De tuin zou overwoekeren, het huis zou verloederen en onze hond zou niemand meer hebben om overdag tegenaan te schurken om te bedelen om een snoepje. Van mijn man moet hij op dieet.

Mijn volgende gedachten gingen naar mijn nalatenschap, naar hoe mijn kinderen zich mij zouden herinneren na mijn dood. Als de mama die de diploma-uitreiking van haar oudste zoon miste omdat ze stond te stofzuigen in de living waarschijnlijk. Of als de mama die de badges van de scouts steevast op de verkeerde plaatsen op het scoutshemd naaide. Ik kan namelijk duizend keer tegen mijn jongens zeggen dat ik heus wel heb gekeken op de website van Scouts en Gidsen Vlaanderen en dat daar niks wordt verteld over het hoger of lager plaatsen van de jaarbadges op de rugzijde van hun hemd, daar wordt niet naar geluisterd. “Mama, iedereen heeft die aan de bovenkant hangen, alleen die van ons hangen vanonder. Gast, echt waar.”

‘Gast’, dat zou best wel eens in mijn rouwbericht kunnen staan als mijn kinderen daarover iets te beslissen zouden hebben. Of ‘slechtste mama ter wereld’, dat is ook een optie.

Mijn vrienden zouden mij vast herinneren als het enige contact in hun telefoon dat nooit opnam als ze belden, als de vriendin die altijd te laat kwam op feestjes en zonder uitzondering al hun exploten in de krant zette als ze maar gênant genoeg waren.

Op het werk zou de enige collega gestorven zijn die nooit de ambitie had om chef of manager te worden. De enige werknemer die in een loopbaan van 25 jaar nooit loonopslag had gekregen of promotie had gemaakt. En daar nog blij mee was ook.

Mijn donkerste gedachten kwamen toen ik nadacht over wat ik had bereikt in mijn leven. Over hoeveel – of liever: hoe weinig – ik van de wereld heb gezien. Ik ben nog nooit in Azië geweest, of in Zuid-Amerika, Australië of Afrika. De meest exotische plek waar ik ooit langer dan een maand ben geweest, is Borgerhout. Dat was voor ik verhuisde naar Pulle.

In de wachtzaal van mijn huisdokter, om de hoek dus in Pulle, nam ik me voor om de tijd die me nog restte niet te verkwanselen. Ik zou ontslag nemen en de wereld rondreizen, met mijn man en mijn kinderen. Ik zou de beste mama, de beste partner, de liefste dochter, de leukste zus en de meest onvergetelijke vriendin worden die iedereen ooit heeft gekend. Ik zou het roer omgooien. Ik moest, het was mijn laatste kans!

Maar toen ik tien minuten later buitenstond, met zoals gezegd een puist onder mijn oksel, was het licht aan het einde van de tunnel weer aangegaan en scheen de zon opnieuw. Ik pakte mijn telefoon en voltooide level 1.673 van Homescapes, want voor al die andere dingen had ik ineens weer tijd genoeg.

CITTA

Vastgoed

Auto's in de kijker

Jobs in de regio