©  BELGAIMAGE

Olympische Spelen in 1920: deel 1

Een dag uit het leven van een Antwerpenaar in 1920: Olympische Spelen geopend én nog geen Boerentoren

De volledig verzonnen Jozef De Meester (43) houdt van voetbal en slenteren langs de straten. Door een speling van het lot en met de steun van een hogergeplaatste collega kan hij de openingsceremonie van de Olympische Spelen meemaken. Koning Albert I komt ook, maar dat kan de verzekeringsagent maar matig boeien. Onderweg naar het Kiel bedenkt Jozef zich dat Antwerpen aan het veranderen is.

Patrick Van de Perre
100 jaar geleden vonden de Olympische Spelen plaats in Antwerpen. Door de korte voorbereidingstijd in het naoorlogse België werd het een Spelen vol eigenaardigheden. Onze reporters Patrick Vincent en Patrick Van de Perre nemen je een hele zomer lang mee naar 1920 voor een reeks vol vergeten verhalen over gevallen helden, straffe anekdotes, en boeiende vertellingen over de Spelen van 1920.

Op de Schoenmarkt is de ravage van een aanslag met een Duitse Zeppelin in 1914 nog te zien. Waar eens het statige Hôtel de l’Europe stond, blijven slechts een grote vlakte en restanten van gebombardeerde woningen over. De Boerentoren moet nog gebouwd worden. Maar daar heeft Jozef op 14 augustus 1920 geen weet van.

Het vooruitzicht om de officiële openingsceremonie van de Olympische Zomerspelen bij te wonen, maakt Jozef vrolijk. Het is eigenlijk de tweede ceremonie, want in april werden de Olympische Spelen al een keertje officieel geopend. Maar na de Winterspelen staat de zomereditie voor de deur en die vindt hij een stuk interessanter.

Tijdens een korte wandeling van zijn woning in de Hollandstraat naar de De Keyserlei brengt Jozef een geanimeerd gesprek in herinnering tussen twee van zijn meerderen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat de Olympische Spelen in het Nachtegalenpark georganiseerd zouden worden. Maar de druk om het hele gebeuren naar het stadion van Beerschot te brengen was te groot.

De De Keyserlei. ©  r

Dat had te maken met plannen van rijke vastgoedontwikkelaars om de wijk rond het stadion te bebouwen en in één adem de Jan Van Rijswijcklaan te verlengen tot aan de grens met Wilrijk. Een kostelijke affaire en politiek niet helemaal volgens het boekje, herinnerde Jozef zich uit het gesprek van de twee.

Voetbal voor 3 frank

Jozef had zich wijselijk buiten de discussie gehouden en was allang blij dat zijn Beerschot sinds kort misschien wel over het mooiste stadion van het land beschikte. Met maar liefst tienduizend zit- en twintigduizend staanplaatsen én warm stromend water in de kleedkamers. Bovendien is Jozef een van de trotse bezitters van twee tickets voor evenveel olympische voetbalwedstrijden. Tegen 3 frank per wedstrijd op de staantribune. In tegenstelling tot het ticket voor de openingsceremonie wel betaald uit eigen zak.

De aankoop van tickets was een punt van discussie geweest tussen Jozef en zijn vrouw Mathilde. 3 frank is niet niks. En dat maal twee. Zeker niet omdat het echtpaar sinds een paar jaar een kleine burgerwoning huurt in de relatief nieuwe wijk achter het Koninklijk Atheneum. In de Rotterdam- en de Hollandstraat, die verwijzen naar de oude baan naar Nederland, hebben kapitaalkrachtige ondernemers de afgelopen vijftien jaar een vrijwel volledig nieuwe wijk gebouwd.

Statige herenhuizen met meidenkamers worden afgewisseld met iets eenvoudigere burgerwoningen. Maar, zo wist Jozef, wie zich hier een woning kan veroorloven, mag met recht en reden tot de betere middenklasse gerekend worden. Ook als het slechts een huurwoning is en de maandelijkse huur zo hoog dat Mathilde noodgedwongen haar oude beroep van naaister opnieuw moet opnemen om die te betalen.

Jozef heeft zich voorgenomen om via de De Keyserlei en de verderop gelegen Meir naar de Groenplaats te wandelen. De openingsceremonie zou pas over een aantal uren zijn en de grandeur van de chique lei, die de Middenstatie met de Meir verbindt, doet hem altijd een beetje wegdromen.

De geest van Paul van Ostaijen

Op rustige momenten durft Jozef wel eens een biertje te drinken in café Hulstkamp op de De Keyserlei. Zijn vrouw, die een zekere interesse heeft voor poëzie, heeft hem daar enkele keren op aangesproken. Het zou het stamcafé zijn van ene Paul van Ostaijen. Een man van deels Nederlandse afkomst die zich enigszins geflatteerd een dichter noemt.

Volgens Mathilde is het meer een dandy die zich in het verderfelijke Antwerpse nachtleven stort en met kortgekapte woorden en kreten echte dichters oneer aandoet. Paul van Ostaijen trekt kort na de Eerste Wereldoorlog en een reeks van omstreden uitspraken ten opzichte van het sterk katholieke gezag naar Berlijn. Over dat modernistische gedoe, zoals Mathilde het venijnig noemt, hoeft Jozef zich dus niet langer zorgen te maken.

Honderd jaar later bestaat café Hulstkamp nog steeds. Op hetzelfde adres en uitgebaat door een vriendelijk echtpaar. Maar van Paul van Ostaijen is nauwelijks nog sprake. Na een snelle blik op de tegenover gelegen cafés en kleine hotels vertrekt Jozef voor zijn wandeling naar de Groenplaats. Op de plek waar in 1920 nog kleine middenstand zit, zal in 1929 het Century Hotel gebouwd worden. Dat het gebouw in 2020 behalve een hotel ook kantoren en een winkelcentrum zal herbergen, komt niet op in de gedachten van Jozef.

Winkelen bij Grands Magasins Tietz

De Meirbrug. ©  rr

Met een wandeling via de Leysstraat, waar protserige huizen van voor de Eerste Wereldoorlog een zekere welstand uitstralen, en de Meir haast Jozef zich naar de Groenplaats. Terwijl hij wandelt langs Grands Magasins Tietz, dat tegenwoordig als de Inno door het leven gaat, moet hij aan Mathilde denken. Hoe graag zou ze zich daar niet te buiten gaan aan de mooie en vooral dure kleding, geheel volgens de nieuwste mode.

Gelukkig lukt het hem telkens opnieuw om haar ervan te overtuigen dat de Grand Bazar op de Groenplaats meer bij hun beurs past. Het warenhuis, waar nu het Hilton Hotel gevestigd is, heeft bovendien een mooi restaurant met betaalbare gerechten. Een populaire uitstap voor de Antwerpse burgerij. Maar dan ook weer niet te vaak.

Op de Meirbrug besluit Jozef een taxi te nemen naar het Kiel. Het kost hem wel wat, maar het is dan ook een bijzondere dag. Vanuit de auto kijkt hij naar de houten schuttingen die de platgebombardeerde huizen op de Schoenmarkt verbergen en in de Nationalestraat, de mooie nieuwe straat die het Zuid met de oude stad verbindt, bedenkt hij zich dat deze promenade nog niet zo oud is.

Pas in zijn geboortejaar 1877 werd de Boeksteeg, die het domein was van paupers, dronkenlappen en hoeren, gesaneerd. Allemaal om het nieuwe Zuid, gebaseerd op de Parijse wijken, te ontsluiten. De zuidelijker gelegen Brederodestraat, die in 1875 van de tekentafel kwam, laat zien dat het veel Antwerpenaren voor de wind gaat en is de kortste weg naar het Kiel, beweert de taxichauffeur.

Een niet volledig gevuld stadion

De Abdijstraat op het Kiel. ©  rr

Net geen kwartier en veertig centiemen later stapt Jozef uit de taxi aan de kop van de Abdijstraat. Bijna ritueel wil hij de laatste honderden meters naar het Olympisch Stadion te voet afleggen. De Tir met zijn imposante voorgevel, tegenover de Abdijstraat, zegt hem weinig.

Het is een militaire schietstand die nadien achtereenvolgens een beroepsschool, een leegstaand gebouw en een winkelcentrum zal zijn. Dat in de Abdijstraat piepkleine arbeiderswoningen langzaam maar zeker plaatsmaken voor stevigere en grote winkelpanden, weet hij van zijn vorige tochten naar het Kiel.

Jozef dicht de Abdijstraat een grote toekomst toe en voorspelt dat het ooit een drukbezochte winkelstraat zal worden voor de bewoners van het Kiel, Hoboken en misschien zelfs Wilrijk. Druk is het in ieder geval in de straat. De bewoners en handelaars doen er alles aan om voordeel te halen uit de stroom mensen die naar het Olympisch Stadion wandelt.

Dat de Kielenaren zelf het geld niet hebben om de openingsceremonie bij te wonen, belet hen niet om snoepgoed, noten en jenever aan de man te brengen. Tot aan de majestueuze toegangspoort van het stadion. Dat die poort wegens geldgebrek gemaakt is van hout en papier-maché ontgaat de menigte.

Omdat de meeste straten achter de Abdijstraat in 1920 nog niet bestaan of niet volledig zijn volgebouwd, hoort Jozef al van ver het geroezemoes in en rond het Olympisch Stadion. Wanneer hij zich via de toegangspoort een weg zoekt naar de staantribunes wordt meteen duidelijk dat het stadion niet vol zal zitten. Een plekje in de loges kost maar liefst 3.500 frank, hoort hij iemand zeggen. Dat klopt.

 ©  Bridgeman Images

In de verte meent Jozef het silhouet van koning Albert I in de hoofdtribune te ontwaren. Omringd door notabelen en andere mannen met fortuin. Op het veld passeren de teams van alle deelnemende landen. Voorafgegaan door een fanfare en een groep jonge meisjes die waarschijnlijk geselecteerd zijn door plaatselijke turnkringen. Jozef kijkt zonder veel opwinding naar het schouwspel en denkt aan de voetbaltickets die hij op zak heeft.

Wanneer de Rode Duivels hun wedstrijden spelen, wordt het echt menens. En dat vinden de meeste Antwerpenaren. Het zijn de enige sportwedstrijden waarvoor alle beschikbare tickets verkocht zullen zijn. De rest van het nieuws over de Olympische Spelen lees ik wel in Gazet van Antwerpen, besluit Jozef. En daar kan hij op rekenen. Iedere maandag en dat acht weken lang.

MEER OVER Vergeten verhalen van de Olympische Spelen in 1920

Nu in het nieuws