Standpunt

Handen af van groepsverzekering

Print

Op de dag dat verzekeraar AXA een historische winst van meer dan 5 miljard aankondigt, vraagt Assuralia aan de regering om het gegarandeerd rendement voor groepsverzekeringen op te geven. Voor een goed begrip: AXA is in België een van de marktleiders in groepsverzekeringen. En toch: “We kunnen het niet meer houden”, zegt de koepel van de verzekeringsmaatschappijen. Zouden ze dat nu zélf geloven?

Drie op de vier werknemers in de privésector hebben vandaag een groepsverzekering. Een appeltje voor de dorst.

Meestal wordt daarvoor elke maand een bepaalde som – fiscaal aftrekbaar – van uw loon afgehouden en in een pensioenfonds gestort. De werkgever legt ook bij, vaak zelfs het dubbele.

Na pakweg een carrière van 40 jaar resulteert dat in een spaarpot waarmee het (schamel) wettelijk pensioen kan worden aangevuld.

Niet zelden levert dat op de leeftijd van 65 jaar immers een “extraatje” op van 120.000 à 150.000 euro. Maar als het van de verzekeraars afhangt, komt daar verandering in. Zij beheren onze stortingen die 3,25 procent móéten opbrengen. Is dat niet het geval, dan worden de werkgevers aangesproken.

Dat is met de uiterst lage rentevoeten van vandaag onhoudbaar, zegt koepelorganisatie Assuralia. Daarom vraagt ze de regering in te grijpen. De verplichte opbrengst moet worden gekoppeld aan de evolutie van de rente op de financiële markten.

Komt het zover, dan betekent dit voor jonge mensen die nu in een groepsverzekering stappen aan het eind van hun actieve loopbaan een verlies van ettelijke tienduizenden euro’s. In niet weinig gevallen zou het uitgekeerd kapitaal zelfs met de helft kunnen verminderen.

Minister van Pensioenen Daniël Bacquelaine (MR) heeft gezegd dat hij het voorstel zal meenemen naar de Nationale Arbeidsraad. Dat is op zich reeds een brug te ver. De regering – die het aanvullend pensioen flink stimuleert – mag en kan nooit ingaan op de vragen van de verzekeringssector.

Eerst de mensen warm maken voor een groepsverzekering en vervolgens onderweg eenzijdig de regeltjes wijzigen, daar is een naam voor: contractbreuk.

De winsten van de verzekeraars en de rendementen van de pensioenfondsen bewijzen dat die 3,25 procent vandaag nog goed haalbaar is. Het is immers niet zo dat de verzekeringsmaatschappijen de stortingen voor groepsverzekeringen op een spaarboekje plaatsen. Ze kopen daar (vrij risicoloze) obligaties en andere financiële producten mee. Die brengen nog genoeg op. Overigens stelden zij in tijden van hoge rentevoeten ook niet voor om het minimale rendement op te trekken.

Het schoentje knelt elders. Omdat het formeel de werkgevers zijn die een opbrengst van 3,25 procent moeten garanderen, merken de verzekeraars dat veel ondernemingen aarzelen om in het systeem te stappen. Daardoor verliezen de maatschappijen klanten, en dat willen ze vermijden door de voorwaarden te versoepelen.

Daar is evenwel een oplossing voor: maak de verzekeraars zélf de wettelijke eindverantwoordelijke voor een verzekerd rendement van 3,25 procent.

.

Nu in het nieuws