© BELGA

‘Waarom geen toelatingsproef voor ministers?’

Alle kandidaat-ministers zouden een toelatingsproef moeten afleggen. Zo komt er een kwaliteitsgarantie voor nieuwe ministers en kan het parlement als controle-orgaan worden afgeschaft. Met die satirisch bedoelde boodschap wil de Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) zich verzetten tegen de plannen voor een toelatingsproef voor kandidaat-leerkrachten en de afbouw van de externe kwaliteitszorg in het hoger onderwijs. De VVS doet dat naar aanleiding van de internationale dag van de student op 17 november.

Studentenkoepel VVS organiseert maandag op verschillende plaatsen in Vlaanderen informatie-acties. Bedoeling is de studenten te informeren over al de geplande maatregelen in het hoger onderwijs.

Dat de VVS niet gelukkig is met een hele reeks geplande maatregelen, is een publiek geheim. Om die kritiek kracht bij te zetten, pakt de VVS uit met een opvallend pleidooi voor de invoering van een toelatingsproef voor ministers. 'Een toelatingsproef voor kandidaat-ministers kan hen een beter inzicht geven in de vereiste competenties die nodig zijn voor goed bestuur. Daarnaast zal dit het aanzien van de minister vergroten', aldus Bram Roelant, voorzitter van VVS. 'Dit moet de kiezer een betere garantie geven dat de kandidaat-minister succesvol zal zijn, nog voor deze één dag minister is geweest'.

En omdat een toelatingsproef de kwaliteit van de gekozen minister kan garanderen is het parlement als extern controle-orgaan niet meer nodig en kan het best afgeschaft worden. Meteen een grote besparing, luidt de redenering.

De voorstellen zijn natuurlijk een knipoog naar de maatregelen die men wil doorvoeren in het hoger onderwijs, zoals met name de toelatingsproef voor kandidaat-leerkrachten en de afbouw van de externe controle in het hoger onderwijs. Volgens VVS-voorzitter Bram Roelant is er 'geen enkel bewijs dat toelatingsproeven het aanzien van het beroep leraar verhogen'.

Roelant: 'Indien instromende studenten niet voldoen aan de verwachte competenties is er mogelijk iets mis met de afstemming tussen het secundair en het hoger onderwijs. Indien gediplomeerde studenten niet voldoen aan de verwachtingen, ligt dit aan een foute invulling van de eindcompetenties van een opleiding. Maar als student reken je erop dat, mits een grote dosis inzet en verantwoordelijkheid, de opleiding je voorbereidt op wat komen gaat. Indien de opleiding dat niet doet, is het verkeerd om in de eerste plaats het probleem bij de student te leggen.'