Journalist wantrouwt burgerjournalistiek

Journalist wantrouwt burgerjournalistiek

Journalist wantrouwt burgerjournalistiek

Print
Veel beroepsjournalisten vrezen voor hun imago door de opkomst van burgerjournalistiek. Ze zeggen niet vaak sensatie in te zetten als lokmiddel en ze maken zich zorgen over de commercialisering. Dat blijkt uit het onderzoek De frustratie van de vierde macht van Carmen van Oers van de K.U.Leuven.

Het onderzoek onder 541 Vlaamse beroepsjournalisten is een van de eerste wetenschappelijke onderzoeken naar het standpunt van de Vlaamse beroepsjournalist over zijn professionele en maatschappelijke rol.

Burgerjournalistiek

Niet minder dan 52,9 procent van de ondervraagden vreest dat de burgerjournalistiek het imago van de beroepsjournalistiek schaadt. De reactie van een beroepsjournalist illustreert dit.

“Het is niet alleen een vak, maar ook een beschermd beroep dat een eigen deontologie kent en onderhevig is aan rechten en plichten. Burgerjournalistiek is onzin, want synoniem voor amateurisme. Of haalt u er een burgerchirurg bij als u moet worden geopereerd of een burgerloodgieter als de buizen verstopt zijn?”

Volgens Van Oers hoeft dit niet te betekenen dat de beroepsjournalisten gekant zijn tegen burgerjournalistiek, zolang er maar een duidelijk onderscheid is tussen beide vormen.

Sensatie

Verder zegt 56,2 procent niet bewust over te gaan tot een sensationele aanpak om extra impact aan een gebeurtenis te geven. De pers kreeg veel kritiek te verwerken bij de berichtgeving rond Kim De Gelder en het drama in het kinderdagverblijf in 2009.

Ook bij het onderzoek rond Ronald Janssen begin 2010 leek de kritiek van sensatiezucht opnieuw de kop op te steken. De respondenten in dit onderzoek geven echter aan zelf niet aan deze sensatie mee te werken.

“Misschien verantwoordt de ernst van de situatie de wijze van berichtgeving waardoor deze door de journalist niet als buitensporig wordt beschouwd”, zegt Van Oers.

“Een andere mogelijkheid is dat in deze gevallen de richtlijnen wel degelijk even uit het oog werden verloren. Vergeleken met het aantal goede berichten dat per dag verschijnt, zijn deze reacties minimaliseerbaar. Minimaliseerbaar is hierbij geen synoniem voor onbelangrijk.”

Van Oers stelt zich dan ook de vraag: ”Bestaat de daling van de kwaliteit of wordt de volledige beroepsgroep met de vinger gewezen voor de fouten van een minderheid?”

Commercialisering

Hoewel dit niet uitdrukkelijk in het onderzoek werd gevraagd, hadden de beroepsjournalisten wel vaak bedenkingen rond de tendens van commercialisering en de mogelijk negatieve gevolgen daarvan.

”De druk van marketing- en advertentiediensten en hun klanten is torenhoog geworden”, schreef een journalist in de vragenlijst. “Je wordt soms verplicht 'gekleurd' te schrijven en krijgt banbliksems over je heen als je een stukje gefundeerde kritiek neerschrijft, ook al is die gestoeld op diverse interviews. Dreigementen met stopzetting van advertenties worden steeds meer schering en inslag.”

Verder onderzoek

Van Oers stelt dat journalisten moeten functioneren binnen een complexe en veranderende omgeving waarin tegenstrijdige zaken van hen worden verlangd. Zo zijn er de druk die ze ervaren en het gebrek aan vertrouwen enerzijds en de basiswaarden en deontologie anderzijds.

Om de specifieke aanleiding tot het wantrouwen van de burgerjournalistiek en de sensationalisering te kennen, is verder onderzoek nodig.

© 2010 – StampMedia – Tom Laurent

MEEST RECENT