Het verband tussen misdaad en etnische afstamming

Print
24 JUNI 2010 - In Nederland is de helft van de Marokkaanse jongens op zijn tweeëntwintigste met de politie in aanraking gekomen voor een misdrijf. Eén op de drie in deze groep is een veelpleger met meer dan vijf feiten op zijn kerfstok. Dat blijkt uit een nieuwe studie die is gepubliceerd in het jongste nummer van het Tijdschrift voor Ciminologie. Tot verrassing van de auteurs blijken ook Marokkaanse meisjes drie keer zo veel criminele feiten te plegen als Nederlandse dames. En veelplegers zijn gemiddeld niét gewelddadiger dan personen die maar eens af en toe een feit plegen. Uit een ander onderzoek in hetzelfde nummer van TVC blijkt dan weer dat asielmigranten meer criminele feiten plegen dat autochtonen of gewone migranten. Een evaluatie van beide studies én de vraag of deze studie kan veralgemeend worden naar België. Niet dus.

Het verband tussen etniciteit (de herkomst van iemand, nvdr) en criminaliteit onderzoeken ligt gevoelig. Registratie van iemands etnische afkomst lokt al gauw de beschuldiging van "racisme" uit. In België zijn er dan ook geen onderzoeken over dit thema. Maar in Nederland wel. Het Nederlandse Tijdschrift voor Criminologie wijdde er zelfs een heel thema-nummer aan.

Centraal staat een nieuwe studie van Arjan Blokland, Kim Grimbergen, Wim Bernasco en Paul Nieuwbeerta. Zij volgden iedereen die in 1984 (!) in Nederland geboren is tot hij of zij 22 jaar werd. Ze gingen na hoeveel maal deze personen voor een misdrijf met de politie in aanraking kwamen.

Zo'n studie gebeurde nooit eerder. Wel bleek eerder al dat het aantal allochtonen in de jaarlijkse groep verdachten in Nederland twee keer zo groot is als hun aandeel in de bevolking. En ook dat ongeveer een derde van alle geregistreerde criminaliteit in Nederland gepleegd werd door een niet-westerse allochtoon. En dan had je nog een onderzoek van de stad Rotterdam. Dat toonde aan dat in 2007 meer dan de helft van de Marokkaanse Rotterdammers tussen 18 en 24 jaar minstens één keer met de politie in aanraking kwam voor een misdrijf. De recidive lag in deze groep zelfs rond de 90%. Deze studies waren echter momentopnames, die dus vertekend kunnen zijn. Nooit werd een volledige geboorte"cohorte" (een groep uit een bepaald geboortejaar die jarenlang wordt gevolgd, nvdr) in heel Nederland gevolgd. Dat gebeurde nu dus wel.

RESULTATEN

Wat zijn de belangrijkste resultaten?

* 14% van deze jongeren uit 1984 kwam minstens één keer met de politie in contact. Bij Nederlandse mannen gaat het om 20%, bij Marokkaanse mannen om 54%.

* Allochtone jongeren komen meer met de politie in contact voor een misdrijf dan autochtone. Dit geldt voor alle allochtone groepen (Marokkanen, Turken, Antillianen, Surinamers…).

* Marokkaanse jongens zijn gemiddeld het jongst als ze voor de eerste keer worden geregistreerd (17,6 jaar). De gemiddelde startleeftijd voor Nederlandse mannen is 18,5 jaar. Marokkaanse jongens komen gemiddeld ook het vaakst met de politie in contact (4,1 keer).

* Turkse mannen plegen vooral geweldsdelicten, Nederlandse mannen staan geregistreerd voor vernielingen, verstoringen van de openbare orde en verkeersmisdrijven. Marokkaanse mannen plegen vermogensdelicten.

* 5,4% van alle meisjes uit 1984 komt minstens één keer in aanraking met de politie als dader. Voor Nederlandse meisjes gaat het om 4,5%, voor Marokkaanse meisjes om 16,6% (3,7 keer meer). In de misdaadstatistieken zijn niet alleen Marokkaanse jongens oververtegenwoordigd, maar ook Marokkaanse meisjes. Deze vaststelling ondergraaft een veel voorkomend idee dat de Marokkaanse meisjes veel "braver" zijn dan de Marokkaanse jongens. Bij Marokkaanse meisjes gaat het vooral om vermogensdelicten (vermoedelijk winkeldiefstallen), en heel weinig om geweld. Meisjes zijn in alle herkomstgroepen overigens minder gewelddadig dan jongens.

Binnen de groep van criminele meisjes zelf plegen Surinaamse en Antilliaanse meisjes procentueel gezien drie keer zoveel vermogensmisdrijven met geweld als Nederlandse meisjes.

* Hoe zit het met de veelplegers? De auteurs definiëren iedereen die meer dan vijf keer geregistreerd is voor een misdrijf als veelpleger. Bij de mannen gaat het om 3,4% van alle mannen die in 1984 geboren zijn, of 14,9% van alle daders uit die groep. Maar de verschillen tussen ethnieën zijn groot. Bij de Nederlandse mannen gaat het om 12,8% van alle daders, bij de Marokkaanse mannen om 32,3%, bijna drie keer zoveel. De meeste veelplegers hebben ook minstens één geweldfeit gepleegd, maar over het algemeen verloopt hun criminele carrière niet veel gewelddadiger dan die van andere daders. Ook dat laatste vinden de auteurs verrassend.

Veelplegen is een mannenzaak: elf keer zoveel mannen als vrouwen doen het. Daarbij valt toch op dat het percentage veelplegers bij de Marokkaanse meisjes (7,4% van alle vrouwelijke daders) dubbel zo hoog is als dat van autochtone Nederlanders (4,8%). In totaal is slechts 0,3% van alle vrouwen uit 1984 een veelpleger en datzelfde geldt voor 5,4% van alle vrouwelijke daders.

* Delinquente allochtonen zijn gewelddadiger dan delinquente autochtonen. Dat geldt zowel voor daders die één feit plegen als voor veelplegers.

* De Turken lijken het meest op de Nederlanders. Maar toch plegen ook zij meer feiten en zijn ze gewelddadiger dan de Nederlanders.

VERKLARING?

De auteurs brengen geen echte verklaring. Ze overlopen wel alle mogelijke denkpistes.

* Ze stellen vast dat de culturen en de godsdiensten van al deze groepen enorm uiteen lopen. De verklarende factor kan daar dus niet zitten.

* De lagere sociaal-economische positie van de allochtonen speelt volgens hen zeker mee. Om drie redenen.

- Omdat je in de lagere kringen meer negatieve "rolmodellen" (mensen die het sociaal gezien gemaakt hebben dank zij de misdaad,nvdr) dan in de hogere.

- Omdat het proces van volwassenworden er langer duurt, waardoor de "overgangscriminaliteit in de puberteit" ook langer aansleept en het risico dat die criminaliteit zich bestendigt groter wordt.

- Omdat allerlei maatschappelijke factoren bij jonge kinderen negatieve neurologische effecten kunnen hebben, die agressie in de hand werken.

Maar...toch is die lagere sociaal-economische positie niet doorslaggevend, want Nederlanders uit dezelfde lage sociale klassen komen minder voor misdrijven met de politie in contact dan allochtonen uit die klasse.

* Goed of slecht geïntegreerd zijn in de Nederlandse samenleving speelt ook maar weinig rol. Men stelt bij Marokkaanse jongens zelfs vast dat de criminele groep beter geïntegreerd is dan de niet-criminele. Marokkanen die zich sterk op Nederland richten vinden het vaak frustrerender dat zij vanuit hun achtergestelde positie hun verlangens niet kunnen realiseren dan Marokkanen die zich niet op Nederland richten, zo menen de auteurs.

* De sociale controle blijkt wel een belangrijke factor. Die sociale controle speelt zowel in het gezin als in de gemeenschap zelf. Sociale controle zou kunnen verklaren waarom de Turken zo "goed" scoren: Nederland heeft een hechte Turkse gemeenschap, maar dat geldt niet zo voor Marokkanen. Bovendien ervaren de Turken kleine criminaliteit als "gezichtsverlies" en dat geldt niet voor Marokkanen.

Toch kan ook de sociale controle niet alles verklaren, want Marokkaanse meisjes worden wél sterk gecontroleerd, allicht meer dan Nederlandse meisjes, zeker in hun gezin, en ook zij scoren extreem hoog in de statistieken.

* Speelt de registratie door de politie een rol? Onderzoek uit 1999 toonde aan dat er nauwelijks aanwijzingen zijn dat allochtonen door de Nederlandse politie anders worden behandeld dan autochtone Nederlanders. Het feit dat HALT-zaken (alternatieve straffen voor voornamelijk kleine criminaliteit van minderjarigen die de feiten bekennen,nvdr) niét in de statistieken zijn opgenomen, omdat in zo'n geval geen proces-verbaal wordt opgemaakt, kan wél tot gevolg hebben dat het aantal autochtonen wordt onderschat omdat deze laatste groep oververtegenwoordigd is in HALT. En de politiek om zich op bepaalde achterstandswijken en op veelplegers te richten kan een oververtegenwoordiging van Marokkanen tot gevolg hebben.

Anderzijds blijkt dat de verschillen tussen allochtonen en autochtonen nog groter zijn in onderzoeken waarin iedereen zelf zegt welke criminele feiten hij heeft gepleegd, dan in de politiestatistieken. En dus zal een eventueel effect van de factor registratie eerder beperkt zijn.

De auteurs besluiten dat het leggen van verbanden leggen tussen etniciteit en risicofactoren voor criminaliteit op individueel, wijk- en samenlevingsniveau een ingewikkelde zaak is. "Het gevaar bestaat dat mensen etniciteit en cultuur zelf als een verklarende factor gaan zien, terwijl etniciteit alleen maar een sociale categorie is die op zijn best verwijst naar andere achterliggende oorzaken", zo betogen zij.

CRIMINALITEIT VAN ASIELMIGRANTEN

In hetzelfde themanummer van TVC publiceren Jan de Boom, Erik Snel en Godfried Engbersen een studie over het verband tussen "asielmigratie" en criminaliteit. Zij gingen na hoeveel asielmigranten verdacht werden van een misdrijf in 2004.

Asielmigranten zijn voor hen zowel asielzoekers als erkende vluchtelingen, zelfs als die de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen. Ook afgewezen asielzoekers (illegalen dus) vallen onder de term "asielmigranten".

Van de erkende vluchtelingen stond in 2004 3,4% als verdachte geregistreerd. Bij de asielzoekers zelf (die nog in de procedure zaten) liep dat cijfer op tot 5,4%, bij de afgewezen asielzoekers tot 10%. De criminaliteit bij asielmigranten ligt - met een gemiddelde van 5,1% verdachten - hoger dan die van autochtone Nederlanders en van de gewone migrantengroepen, zo stellen de auteurs. In 2004 was 1,5% van alle autochtone Nederlanders geregistreerd als verdachte, 6% van de Marokkanen en 7,5% van de Antillianen. Maar de cijfers zijn moeilijk vergelijkbaar omdat asielmigranten een specifieke groep zijn: (toen nog) voornamelijk jonge mannen met een sterke sociale frustratie en achterstand.

Meestal gaat het om kleine vermogenscriminaliteit (16% pleegt een eenvoudige diefstal of een winkeldiefstal, 9% een inbraak) en schriftvervalsing (gebruik van valse documenten). Volgens de auteurs valt op dat hoe slechter de juridische status van de asielmigranten is, hoe hoger hun criminaliteit.

EN BELGIE?

Hoe is de situatie in België? We weten het niet. In Nederland mag men de etnische afkomst van daders en verdachten registreren, databanken koppelen en over dit thema wetenschappelijk onderzoek doen, in België - vooral onder druk van de PS en de privacycommissie - vooralsnog niet. In België is louter en alleen het registreren van iemands etnische afkomst voor sommige groepen al "racistisch".

De schaarse onderzoeken naar de oververtegenwoordiging van vreemdelingen (in Belgische onderzoeken zijn dat meestal personen met een buitenlandse nationaliteit, nvdr) in de criminaliteitsstatistieken richten zich in België steevast op het mogelijke racisme bij politie en gerecht én op sociale uitsluiting. Culturele verklaringsmodellen zijn hier taboe. Zoals de reacties op de studies van Marion van San aantoonden.

Met vergelijkingen tussen België en Nederland en met veralgemeningen van het ene land naar het andere moet overigens worden opgepast. Om meerdere redenen:

- Nederland heeft bepaalde groepen allochtonen (Surinamers, Antillianen) die België niét heeft. België heeft er dan weer andere (Congolezen en Afrikaanse zwarten). Deze groepen hebben allemaal verschillende culturen en kunnen niet op één hoop worden gegooid. Daarbij moet gezegd dat het Nederlandse onderzoek van Blokland en co gaat over mensen die in 1984 in Nederland geboren zijn. Daardoor vallen een aantal etnische groepen, die nu in Nederland en België aanwezig zijn, af (Russen, Kosovaren, Serviërs) omdat zij in 1984 nog achter het IJzeren Gordijn zaten.

- In België is onderzoek als dat van Blokland en co nog niet mogelijk omdat ons land maar sinds 2000 degelijke misdaadstatistieken heeft. Zo eenvoudig is het eigenlijk al.

- De integratie is anders. Marokkanen zijn in Nederland wellicht beter geïntegreerd dan in België. Het tewerkstellingspercentage is in Nederland in ieder geval veel hoger dan hier. In België loopt de werkloosheid van allochtone jongeren in Brussel op tot 50%. Welke rol dit speelt in de criminaliteit is echter niet eenduidig.

- De Nederlandse politie werkt - alvast op lokaal vlak - efficiënter en professioneler dan de Belgische. Het is niet eenduidig wat daarvan de gevolgen zijn: meer registratie van Marokkaanse verdachten (door mogelijk racisme) of net minder (omdat no go-areas bestaan)?

Of de Belgische politiediensten en het Belgische gerecht racistischer zijn dan hun Nederlandse evenknieën kan worden betwijfeld. Onderzoek van het Comité P wees uit dat slechts 16,4% van de klachten die tegen de Belgische politie wegens racisme zijn ingediend tussen 2005 en einde 2008, gegrond was. En ook het enige onderzoek over eventuele discriminatie bij het in voorhechtenis nemen van Marokkanen - de studie van dr. Walter De Pauw van de Dienst voor Strafrechtelijk Beleid over de afhandeling van drugsmisdrijven - wees uit dat die discriminatie er niet was.

De wetenschappelijke studie van de band etniciteit-criminaliteit is in België nog onontgonnen terrein. Het TVC zelf verklaart het grote verschil tussen België en Nederland terzake door "de neiging van de overheid om criminaliteitsproblemen in relatie tot migranten buiten de discussie te houden". Het TVC meent bovendien dat "het Belgische migratiedebat verengd dreigt te worden tot een debat over de islam. Dat debat drijft voor- en tegenstanders uit elkaar en verstoort niet alleen de maatschappelijke dialoog tussen de bevolkingsgroepen, maar ook het klimaat waarin aan wetenschappelijk onderzoek wordt gedaan."

Maar de Belgische houding is in het Westen eerder de regel dan de uitzondering. Volgens het TVC is de relatie criminaliteit-migratie in Engeland alleen bespreekbaar als ze wordt gebracht als een vraagstuk van selectief politieoptreden, racisme en achterstand. Duitsland is sinds de tweede wereldoorlog zeer terughoudend met studies over iemands etnische achtergrond en in Frankrijk bestaan alleen maar Fransen, geen Fransen met een andere etnische afkomst.

Wie evenwel een degelijk criminaliteitsbeleid wil voeren, zowel preventief als repressief, zal deze taboes toch moeten laten varen. Het feit dat nu ook het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding voor etnische registratie pleit (meer bepaald om onderzoek over de maatschappelijke evolutie van geregulariseerde illegalen mogelijk te maken) is een positief signaal.


********************************


Zie: TIJDSCHRIFT VOOR CRIMINOLOGIE, Criminaliteit, migratie en etniciteit, 2010, (52)2, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag


********************************


Lees ook:

Wie zijn de Belgische Marokkanen?

Wie zijn de Belgische illegalen?

Slechte buurten leiden niet tot meer misdaad

Het multiculturele drama van Paul Scheffer

MEEST RECENT