Vrielink: "Antiracismewet wordt vaak ongrondwettig toegepast"

Print
29 JANUARI 2010 - De antiracismewet wordt veel te ruim en vaak ongrondwettig toegepast. In 80% van de gevallen om uitspraken te beteugelen en slechts in beperkte mate om discriminerend gedrag te bestraffen. Terwijl de wet daarvoor vooral was bedoeld. Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) moet duidelijk maken waarom het zich in een bepaalde zaak burgerlijke partij heeft gesteld en waarom niet. Beter nog zou zijn dat het CGKR de bevoegdheid om zich burgerlijke partij te stellen verliest. De negationismewet wordt best veel restrictiever opgevat. Dat meent Jogchum Vrielink in een monumentaal doctoraat, dat donderdagavond aan de KULeuven werd verdedigd.

Vrielink doctoreerde aan de rechtsfaculteit onder leiding van professor Marie-Claire Foblets, een specialiste in migrantenrecht. Hij schreef eerder samen met Dajo De Prins en Stefaan Sottiaux zowat het standaardwerk over de juridische aspecten van de antiracisme- en antidiscriminatiewet. Hij maakte nu een studie van 704 pagina's over de manier waarop de antiracismewet van 1981 en de negationismewet van 1995 worden toegepast. Hij analyseerde niet alleen alle bekende rechtspraak en rechtsleer, maar voerde ook gespreken met klagers én aangeklaagden. Bovendien formuleert hij een aantal aanbevelingen om de wet te hervormen én om de rol van het CGKR te herdefiniëren.

DE GESCHIEDENIS VAN DE WET

Vrielink deelt de geschiedenis van de antiracismewet in drie periodes in.

* Een eerste periode loopt van 1981 tot 1993. Dat is de periode tussen de start van de antiracismewet en het moment dat het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) werd opgericht.

In deze periode waren er eerder weinig zaken: slechts 21 veroordelingen op 32 rechterlijke uitspraken. Liefst 80% ging over “uitingsdelicten” (uitspraken, aanzetten tot haat), tegen slechts 20% over echte discriminatie. De strafrechters interpreteerden de wet restrictief en hadden oog voor de context en de bijzondere bedoelingen van de daders. De groepen die zich burgerlijke partij mochten stellen, richtten zich van in het begin op politici.

* De tweede periode loopt van 1994 tot 2004. Toen nam het aantal veroordelingen plots toe. Vrielink telt er 208 en daar komen nog eens 31 veroordelingen in 2004 bij voor andere feiten, die zijn gepleegd met een racistisch motief. In 57% van deze zaken was het CGKR burgerlijke partij. Nog altijd 79% van deze zaken betroffen “uitingsdelicten”. De rechtspraak werd veel ruimer dan vroeger. Racistische uitlatingen werden op zich strafbaar, er werd meestal geen rekening meer gehouden met de context, of de bijzondere bedoeling van de dader. Er wordt ook niet meer aangegeven waarom bepaalde uitlatingen juridisch strafbaar zijn en andere niet.

* De derde periode loopt van 2005 tot 2009. Voor deze periode zijn nog geen volledige cijfers. Maar het aantal veroordelingen blijft hoog (43 in 2005 en nog eens 76 voor andere feiten met een racistisch motief in 2005 en 2006). Bij 65% van deze zaken is het CGKR betrokken en in 78% gaat het om uitingsdelicten. Sommige rechtspraak wordt opnieuw beperkender, andere blijft ruim.

Over het algemeen kan men dus zeggen dat de antiracismewet erg veel gebruikt wordt voor het bestraffen van uitlatingen en minder voor feitelijke discriminaties, terwijl ze daarvoor toch was bedoeld. En dat de toepassing van de wet steeds minder grondwettig werd.

KLAGERS EN AANGEKLAAGDEN

Vrielink onderzocht ook wat klagers en aangeklaagden vonden van “hun” rechtszaak. Hij deed dit door middel van kwalitatieve interviews. Wat blijkt hieruit?

1. De Klagers

Er zijn twee groepen: klagers die zelf het mikpunt waren van een racistische uitspraak en klagers die dat niet waren. Beide groepen zijn overwegend teleurgesteld in wat met hun klacht gebeurde, tenminste als deze wordt afgewezen. En dat gebeurt vooral bij de tweede groep nogal eens, mede door gebrek aan tijd en omdat de interpretatie van de wet zo ruim is dat er teveel klachten onder vallen waarvoor het CGKR niet bevoegd is.

De klagers hadden in dat geval andere verwachtingen over de antiracismewet en over de rol van het CGKR. Ze vinden dat het CGKR de racismewet te juridisch benadert.

Vele klagers, ook zij die zelf slachtoffer waren, hadden liever een of andere vorm van bemiddeling gewild. Maar dat wordt in racismezaken nauwelijks toegepast.

2. De Aangeklaagden

Hier heb je drie groepen: de overtuigingsdaders, de activisten en de indicentalisten.

* Overtuigingsdaders zijn vaak nazistisch of religieus geïnspireerd. Ze verwelkomen een vervolging of lokken ze zelfs uit, want ze krijgen zo een forum om hun ideeën te uiten. Ze worden in hun ideeën versterkt. Voor deze groep haalt de antiracismewet niets uit: een veroordeling werkt immers niet ontradend, maar versterkend.

* De tweede groep zijn de instrumentalisten. Zij kennen de wet meestal vrij goed en proberen de grens af te tasten. De wet heeft bij hen dus een zeker ontradend effect, maar hun achterliggende gedachtegoed en hun mentaliteit veranderen niet. Ook zij ervaren een proces met veel media-aandacht als positief. Ze bekritiseren het CGKR omdat het hen niet wenst te horen vooraleer het klacht indient en ze ervaren de manier waarop de antiracismewet wordt toegepast als willekeurig.

* De derde groep zijn de incidentalisten. Het gaat hier om mensen van wie de racistische uitlatingen meestal éénmalig zijn. Die uitlatingen kaderen ook niet in een achterliggend gedachtegoed en zijn sterk contextgebonden. De incidentalisten voelen zich door de rechtszaak overvallen en miskend. Meestal waren ze geen tegenstanders van de antiracismewet, maar door hun rechtszaak verandert dat. In hun geval werkt de wet echter wel ontradend, vaak zelfs in extreme mate: sommigen leggen zich vrij verregaande beperkingen op (nooit meer chatten over het migratievraagstuk, bepaalde plaatsen vermijden e.d.). De gevolgen van een vervolging zijn voor deze groep aanzienlijk en buiten verhouding tot de feiten. Sommige veroordeelden werden ontslagen of gingen failliet. Ook traden breuken in hun persoonlijke relaties op. Hun ervaringen met het CGKR zijn zeer negatief, hoewel ze vroeger neutraal of positief over het CGKR dachten.

Vrielink besluit dat ook voor de aangeklaagden de antiracismewet maar een beperkt effect heeft. Nooit wijzigt hun mentaliteit (tenzij in negatieve zin bij de laatste groep). Juist voor de zwaarste gevallen (de overtuigingsdaders) is er geen enkel ontradend, maar zelfs een versterkend effect. Paradoxaal genoeg doen de zwaarste gevolgen zich voor bij de veroordeelden voor de minst zware feiten.

Vrielink stelt verder vast dat de daders zich meestal ergeren omdat het CGKR hen niet hoort vooraleer een strafprocedure op te starten. Zo ontstaat de indruk dat het CGKR voor feitelijke discriminaties in de arbeidssfeer bereid is tot overleg en bij uitinglatingsmisdrijven niet. Vrielink bepleit een vorm van bemiddeling bij bekennende verdachten. Sommige aangeklaagden stellen dat ook uitdrukkelijk voor. Maar bemiddeling wordt in deze sector nauwelijks toegepast.

ONGRONDWETTIG?

Vrielink stelt vast dat er een groot verschil is tussen de wijze waarop het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof de antiracismewet interpreteren. Hij verkiest, mede op basis van zijn empirische bevindingen, de visie van het Grondwettelijk Hof.

Dat Grondwettelijk Hof meent dat er bij misdrijven als “aanzetten tot haat” een aantoonbaar bijzonder opzet moet zijn. Het wil dat de strafrechter rekening houdt met de context van de gewraakte feiten en ze niet op zich beschouwt.

Het Hof van Cassatie en de meeste strafrechters doen dat niet. Zij vermoeden de kwaadwilligheid gewoon. Vrielink geeft als voorbeeld de zaak van de Makakken-dans, een racistische versie van de Kabouterdans van Studio 100. De makers van deze racistische versie werden nooit gevonden, sommige verspreiders van de dans (bv. via e-mail) werden wel vervolgd én veroordeeld. Het loutere verspreiden van deze dans was voor de strafrechters voldoende om het racisme juridisch bewezen te achten. Kwaadwilligheid werd vermoed, in plaats van aangetoond.

Ook in het beruchte Vlaams Blok-arrest van het Gentse Hof van Beroep werd een massa aan citaten opgesomd en alle citaten werden strafbaar geacht. Vrielink betoogt dat het hierdoor voor de veroordeelden achteraf wel heel makkelijk wordt om te verklaren dat ze veroordeeld zijn voor futiliteiten. Terwijl in de Vlaams Blok-zaak volgens Vrielink een aantal van de betwiste uitspraken, mits een degelijke uitleg, op zich wel tot een veroordeling had kunnen leiden.

Omdat een hoop rechters de arresten van het Grondwettelijk Hof niet toepassen, ontstaat grote rechtsonzekerheid en zelfs willekeur in de toepassing van de antiracismewet.

WELKE WETSWIJZIGINGEN?

Vrielink pleit ervoor om de wet te wijzigen zodat de visie van het Grondwettelijk Hof uitdrukkelijk in de antiracismewet komt.

* De misdrijven uit de antiracismewet moeten gepleegd worden met uitdrukkelijk kwaadwillige bedoelingen. Die bedoelingen mogen niet verondersteld worden, maar moeten worden bewezen.

* Vrielink wil voorts dat “aanzetten tot haat” in de wet verduidelijkt wordt. Niet alleen moet het bijzonder kwaadwillig opzet ook in dit misdrijf uitdrukkelijk worden vermeld, maar bovendien moet de dader - aldus het Grondwettelijk Hof - aanzetten tot haatdragend, discriminerend of gewelddadig gedrag. Niet alleen tot haatdragende attitudes of gevoelens.

* Meewerken aan een racistische vereniging mag slechts strafbaar zijn als het gaat om een vereniging die zelf vervolgd kan worden. Die vereniging moet dus rechtspersoonlijkheid hebben. Dat is volgens Vrielink de visie van het Grondwettelijk Hof.

Bovendien moet in dit geval ook het cascadebeginsel van toepassing zijn. Dat wil zeggen dat eerst de auteur van de mening of de vereniging waaraan iemand meewerkt, strafbaar is, pas daarna de verspreider of de medewerker.

De strafbare medewerking moet verder worden uitgebreid tot medewerking aan of behoren tot organisaties die discriminatie bedrijven (en niet alleen zoals nu: verkondigen).

* Artikel 21 van de racismewet wordt best geschrapt. Dit artikel bestraft de verspreiding van meningen die rassensuperioriteit preken.

* Ook de negationismewet zou als aparte wet best verdwijnen. Negationisme kan al bestraft worden via de antiracismewet, zo toont het Nederlandse voorbeeld aan. Bovendien zou bij negationisme toch moeten worden bewezen dat er een racistische component is, dat de dader dus wil aanzetten tot haat tegen de joden. Dat moet uitdrukkelijk in de wet gesteld worden. Het Kaderbesluit van de Europese Unie van 28 november 2008 laat dat overigens toe.

WELKE WETSWIJZIGINGEN NIET?

België heeft één van de meest verregaande antiracisme- en antidiscriminatiewetgevingen ter wereld. En er liggen nog een reeks voorstellen ter tafel die nog veel verder willen gaan: de uitbreiding van de negationismewet tot alle misdaden tegen de mensheid en oorlogsmisdaden; het invoeren van een preventieve controle op drukwerk dat verspreid wordt; een verbod voor racistische en extremistische groeperingen; een verbod voor elk symbool of embleem dat met de nazi’s kan worden geassocieerd; het verplicht ontzetten uit de burgerrechten voor wie op basis van de racismewet is veroordeeld.

Vrielink stelt dat het parlement de jongste jaren een volledige controle wenste te krijgen op de politieke uitingsvormen van het fenomeen racisme. Het riskeert een vlucht vooruit, waarbij de doelstellingen niet of nauwelijks worden bereikt.

Deze aanpak zou wel eens precies kunnen ondermijnen wat men beoogt. Sommige van de hoger genoemde voorstellen (de preventieve maatregelen, de uitbreiding van de negationismewet, de verplichte ontzetting uit de burgerlijke en politieke rechten, het voorgestelde verenigingsverbod), zullen wellicht sneuvelen bij het Grondwettelijk Hof, als ze wet zouden worden. Vrielink raadt dus af om met deze voorstellen voort te doen.

WAT MET HET CGKR?

Vrielink stelt vast dat het CGKR in sommige zaken de beperkende interpretatie van het Grondwettelijk Hof volgt, in andere dan weer de ruime interpretatie van Cassatie. Soms vindt het CGKR dat er een bijzondere kwaadwillige bedoeling moet zijn om van strafbaar racisme te gewagen, soms vindt het CGKR dat dit niet moet. Het beleid van het CGKR kan daardoor als willekeurig overkomen, te meer daar het CGKR niet wenst bekend te maken in welke zaken het zich burgerlijke partij stelt en in welke niet.

Deze inconsistentie is volgens Vrielink niet wenselijk, zeker niet voor een overheidsinstelling als het CGKR. “Het Centrum draagt hierdoor zelfs bij tot het ondergraven van het maatschappelijk draagvlak voor de discriminatiewetgeving en tast de geloofwaardigheid van de antiracismewet aan”. Vrielink pleit ervoor dat het CGKR nog alleen de visie van het Grondwettelijk Hof volgt en telkens duidelijk maakt waarom het wil vervolgen en waarom niet.

Het CGKR zou best slechts een symbolische schadevergoeding vragen als het zich burgerlijke partij stelt. Nu vraagt het meestal vrij hoge sommen, die door vele rechters worden afgewezen. Juridisch gezien rijst de vraag of deze hoge sommen geen nieuwe straf invoeren zonder dat dit wettelijk is bepaald. Het CGKR lijdt immers zelf geen schade in de rechtszaak en zou normaal gezien dus niet meer dan een symbolische vergoeding mogen krijgen. Maar bovendien leiden deze hoge schadeclaims tot een afkeer tegen het CGKR en ondermijnen ze de effectiviteit van de wetgeving.

Beter nog zou zijn om geen prioriteit meer te geven aan uitingsmisdrijven, maar alleen nog aan discriminerende daden. Waarom?

* De slachtoffers die daadwerkelijk te maken kregen met geweld of discriminatie vinden dat belangrijker. Daden zijn belangrijker dan woorden.

* De aangeklaagden van allochtone origine noemen het CGKR een excuusinstelling: “Onze racistische uitlatingen worden aangeklaagd, maar aan de feitelijke discriminaties op de arbeidsvloer doet het CGKR niets”, zo luidt het.

* Tenslotte heb je nu heel veel rechtspraak over uitingsdelicten, maar bijna geen over discriminatie in arbeidsbetrekkingen. Terwijl dat eigenlijk belangrijker is.

Vrielink vindt het positief dat het CGKR is geëvolueerd. Als het zich burgerlijke partij stelt is dat nu steeds meer bij hate crimes (gewone misdaden met een racistisch motief). Het richt het zich dus meer op racistische daden. Bovendien kiest het ook meer voor een burgerrechtelijke aanpak.

Maar Vrielink meent toch dat het CGKR zijn beleid meer zou moeten verduidelijken en in zijn jaarverslagen zou moeten uitleggen hoeveel burgerlijke partijstellingen het is opgestart, waarvoor en met welk resultaat. Nu blijft dit onduidelijk en dat leidt tot heel wat negatieve beeldvorming.

Vrielink vraagt zich ook af of het CGKR uberhaupt de bevoegdheid moet behouden om rechtszaken op te starten. Dit moet z.i. beter door het middenveld gebeuren, door actiegroepen en verenigingen zoals de Liga voor Mensenrechten en Kif-Kif, niet door een apart overheidsorgaan, buiten het Openbaar Ministerie.

Het CGKR zou er veel bij winnen als het geen burgerlijke partijstellingen meer deed, want dan zouden zijn andere activiteiten meer bekend worden. Nu focust de pers zich uitsluitend op de rechtszaken en dat is een verkeerd beeld. Ook staan de huidige bevoegdheden die het Centrum heeft – adviesverlening, vorming van politie en rechters, evaluatie, bemiddeling en optreden in rechte – onderling te zeer op gespannen voet met die burgerlijke partijstelling. Het CGKR zou zich volgens Vrielink beter toeleggen op zijn ondersteunende rol.


*****************************


VRIELINK, J., Van Haat Gesproken? Een rechtsantropologisch onderzoek naar de bestrijding van rasgerelateerde uitingsdelicten in België, 2010, 770 p., Maklu, Antwerpen


*****************************


Lees ook:

Het racismerapport van het CGKR voor 2008

Centrum Racismebestrijding: jaarverslag 2007

Wordt verspreiding van Plato, Voltaire en Koran strafbaar?

CD&V tegen wet die racisten verplicht politieke rechten afneemt

Wat doet het parlement tegen Blood and Honour?

Storme betwist antidiscriminatiewet bij Grondwettelijk Hof

Storme pleit voor een recht op discriminatie


MEEST RECENT