Letterlijk: Open brief van ombudsman Raad voor de Journalistiek

Letterlijk: Open brief van ombudsman Raad voor de Journalistiek

Letterlijk: Open brief van ombudsman Raad voor de Journalistiek

Print
"De dubbele moord in Halen heeft opnieuw het debat geopend over de vraag hoeveel informatie er door de pers kan en mag worden naar buiten gebracht", stelt Flip Voets, ombudsman van de Raad voor de Journalistiek, in een open brief.

Is het nodig om over een verdachte allerlei persoonlijke gegevens bekend te maken, zoals de naam of een foto, of blijven journalisten daar beter discreet over? En was het wel nodig om aan die dramatische gebeurtenissen zoveel aandacht te besteden? Waren de media niet beter wat voorzichtiger geweest, zeker toen nog niet zeker was dat de buurman van de twee vermoorde jongeren ook de dader was en dat hij ook de moord op Annick Van Uytsel heeft gepleegd?

Bij de berichtgeving over rechtszaken bevinden journalisten zich steeds opnieuw in een spanningsveld. Enerzijds heeft het publiek recht op betrouwbare informatie, anderzijds heeft een verdachte ook recht op privacy en geniet hij het vermoeden van onschuld. Soms weegt de balans door in de ene richting, soms in de andere. Bepaalde reacties van de laatste dagen blijken daar geen rekening mee te houden.

Men doet het uitschijnen alsof de pers geen regeling zou kennen en er wordt gepleit voor een wetgevend initiatief. Welnu, een regeling bestaat wel degelijk, en doorgaans wordt ze ook nageleefd. Alleen in crisissituaties zoals we er vorige week een hebben meegemaakt, lopen de gemoederen op en worden wel eens grenzen afgetast.

Wie de problematiek op enige afstand bekijkt, stelt vast dat zeker de geschreven media meestal terughoudender zijn dan vroeger. In het verleden werd met privacyoverwegingen minder rekening gehouden, en werd ook bij lichte misdrijven vaak naam en toenaam genoemd, zeker in de zogenaamde populaire pers.

Tegenwoordig wordt er bij kleinere misdrijven zonder maatschappelijke impact hoogstens een initiaal gegeven. Bij belangwekkende misdrijven daarentegen - en zal iemand ontkennen dat hiervan de afgelopen week sprake was? - of wanneer er publieke personen bij betrokken zijn, wordt de overweging gemaakt dat het recht op informatie zwaarder weegt dan het privébelang en kan wel de naam en eventueel een foto openbaar worden gemaakt.

De raad voor de journalistiek, waarin naast journalisten en uitgevers ook experts en vertegenwoordigers van het publiek zitten, is al van bij zijn oprichting in 2002 geconfronteerd met vragen en klachten over mogelijke privacyschendingen. Meer dan eens zijn dergelijke klachten gegrond bevonden en heeft de raad geoordeeld dat een krant op een onverantwoorde manier persoonsinformatie had vrijgegeven. Maar in andere gevallen vond de raad het publieke belang doorslaggevend, zoals bij de berichtgeving over het proces Dutroux.

Op grond van die ervaringen, en na raadpleging van de redacties, heeft de raad in december 2008 een 'aanbeveling over identificatie in een gerechtelijke context' uitgevaardigd. Bedoeling is om eenvormigheid te krijgen in de journalistieke praktijk, maar ook om de redacties eraan te herinneren dat een beslissing tot identificatie nooit lichtzinnig mag genomen worden.

Druk van de concurrentie of drang om als eerste te scoren met het nieuws, kan nooit een argument zijn om privégegevens bekend te maken. Integendeel, voordat hij zijn beslissing neemt, zal een journalist steeds een afweging moeten maken tussen alle belangen die op het spel staan. Zo zal er in de regel terughoudend worden omgegaan met het geven van de volledige identiteit van verdachten - zeker als hun schuld niet vaststaat -, van minderjarigen en van slachtoffers. Bovendien moet een journalist zich steeds afvragen of bepaalde identiteitsgegevens veel toevoegen aan de informatie, en of ze daarom vaak ook niet overbodig zijn.

Maar er zijn ook situaties waarbij volledige identificatie aangewezen kan zijn. Ook deze situaties worden in de aanbeveling vermeld: de ernst van de feiten, een bekentenis of andere elementen waaruit kan afgeleid worden dat de schuld vaststaat, het feit dat de verdachte een publieke figuur is.

Of deze beginselen bij de berichtgeving over de dubbele moord in Halen steeds in acht zijn genomen, is nog de vraag. Bovendien betreft de kritiek niet alleen het mogelijk onterecht vermelden van privégegevens, maar ook de indringende wijze waarop er in woord en beeld verslag is uitgebracht. Hebben media bijvoorbeeld voldoende rekening gehouden met het leed van de slachtoffers?

De raad voor de journalistiek neemt zich alleszins voor om, naast de behandeling van mogelijke klachten, na te gaan of de huidige regeling eventueel niet aangescherpt moet worden. Een dialoog met de politieke wereld en het gerecht hierover willen we evenmin uit de weg gaan.

Nu halsoverkop allerlei buitenlandse regelingen gaan kopiëren, biedt geen oplossing. Zo wordt door sommigen bijvoorbeeld de strenge Britse perswetgeving als voorbeeld aangehaald. Toch stel je vast dat die niet verhindert dat bepaalde tabloids oneindig veel verder gaan dan wat er bij ons zou worden aanvaard. En de initialenregel van onze Noorderburen, waarbij ook bij zware criminaliteit enkel het initiaal van de dader wordt vrijgegeven, berust er niet op een wet maar wel op een afspraak tussen pers en justitie, waar de Nederlandse justitie een zeer open communicatiebeleid tegenover stelt.

De Nederlandse initialenregel is de laatste tijd trouwens zwaar onder druk komen te staan. Niet alleen kunnen initialen voor verwarring zorgen en mensen in opspraak brengen die helemaal niets met de zaak te maken hebben, de media kregen vanuit het publiek ook de kritiek te horen dat ze teveel informatie achterhouden, zeker in een tijd waarin op het internet wel alle gegevens vlot te vinden zijn.

Gemakkelijke oplossingen zijn er dus niet. We doen daarom een oproep aan eenieder om het hoofd koel te houden en het systeem van zelfregulering, in overleg met allen betrokkenen, zijn werk te laten doen.

Flip VOETS
Ombudsman Raad voor de Journalistiek

.

Nu in het nieuws