"Sterrenkunde zou verplicht schoolvak moeten worden"

“Van sterren kan je niet leren houden. Die liefde is er of die is er niet.” Aan het woord is Genkenaar Johan Gijsenbergs (50). In 1989 stond hij mee aan de wieg van het Europlanetarium in Genk, waar hij negen jaar lang directeur was.

ksleurs

Dertig jaar later heeft hij een hand in tientallen planetaria over de hele wereld: van India tot in Amerika. “Astronomen zijn bezig met de meest complexe onderzoeken. Het is mijn taak om dat alles begrijpelijk te maken voor de man in de straat. Niet eenvoudig hoor”, zegt Gijsenbergs.

Genkenaar Johan Gijsenbergs vertoeft bijna de helft van het jaar in het buitenland waar hij zijn kennis gebruikt voor de uitbouw van planetaria. De rest van het jaar woont hij in Amsterdam. Daar staat hij aan het hoofd van het Artis Planetarium. Voor zijn 50ste verjaardag was Gijsenbergs afgelopen week nog eens in Limburg. Wij spraken met hem af in Hasselt. “Je zal me wel herkennen. Ik ben helemaal in het zwart gekleed met daarboven een spierwitte haardos”, zegt hij aan de telefoon. Zijn kruin valt me inderdaad meteen op. Als de Poolster die schittert in het heelal.

Vanwaar komt eigenlijk uw fascinatie voor sterrenkunde?

Johan Gijsenbergs: “Alle sterrenkundigen zullen op die vraag hetzelfde antwoorden. Ik ben al van kindsbeen af gefascineerd door sterren. Die liefde is er gewoon. Bij scheikundigen of biologen bijvoorbeeld ligt dat anders. Daar groeit die interesse met de jaren.” “Vanaf mijn zesde ben ik er mij ook echt in gaan verdiepen. Ik las over sterrenkunde en begon het ook in de praktijk uit te voeren: sterren tellen, ze ‘s nachts urenlang bekijken, mijn eigen sterrenkijker bouwen. Toen zat ik ook al met vragen als ‘Hoe groot is dat hierboven?’ of ‘Hoe ver kun je gaan?’ En zo is het allemaal begonnen.”

Mijnterril

Gijsenbergs was trouwens niet de enige jonge Genkenaar die een fascinatie had voor sterrenkunde. “In 1969 zijn we met een groepje vrienden gestart met de Jonge Onderzoekers voor Genk. In het begin hielden we ons bezig met allerlei populair wetenschappelijk werk. Maar uiteindelijk is alleen de sterrenkunde overgebleven. Van dat groepje Jonge Onderzoekers zijn er nu nog mensen die op het Europlanetarium werken.”

Het ultieme streefdoel van die Jonge Onderzoekers was natuurlijk een volwaardige volkssterrenwacht op te richten. “En daarvoor moesten we op zoek naar een locatie. Even is er sprake geweest om die sterrenwacht uit te bouwen op de mijnterril. Het was daar hoog en droog, maar dat is uiteindelijk toch niet doorgegaan. Op zo’n terril is het te warm en opgewarmde lucht zorgt voor trillingen op de lens en dat is niet ideaal.”

Geld

Voor de uitbouw van die sterrenwacht was natuurlijk geld nodig. “Ik herinner mij nog dat we destijds de ambassade van Saoedi- Arabië hebben aangeschreven met de vraag of we geen centen konden krijgen om hun oude wetenschap hier bij ons te populariseren. Dat geld is er natuurlijk nooit gekomen.”

“Uiteindelijk is de stad Genk tussengekomen. De stad liet in Kattevennen een gebouwtje optrekken - dat staat er nu nog - maar wel onder voorwaarde dat wij de koepel zouden bouwen en voor de sterrenkijker zouden zorgen. Toen is ook de Limburgse Volkssterrenwacht opgericht.”

“Eind 1989 is men dan uiteindelijk begonnen met de bouw van het eigenlijke Europlanetarium. In december 1991 is het officieel geopend. Door Armand Pien.”

Uiteindelijk ben je van Genk naar Amsterdam verhuisd.

“In 1998 heb ik Genk voor Amsterdam geruild om daar als programmaleider van Artis Planetarium aan de slag te gaan. Er zijn amper Nederlandstalige mensen die de kennis hebben om een planetarium op te richten en zo zijn ze bij mij uitgekomen.”

“En toen ik in Amsterdam zat, ben ik gecontacteerd door een Amerikaanse firma om een wereldwijd netwerk van planetaria uit te bouwen. Ondertussen doe ik dat al zeven jaar en heb ik een hand in tientallen planetaria over de hele wereld: van India tot in Amerika. Dankzij die buitenlandse contacten ben ik ook lid van de Internationale Planetariumvereniging geworden, een clubje liefhebbers van sterrenkunde die om de twee jaar ergens ter wereld samenkomen om over sterrenkunde te discussiëren.”

Is er nog veel interesse in planetaria in dit multimediale tijdperk?

“Je kan de planetaria van vroeger natuurlijk niet vergelijken met die van nu. Vroeger stond in een planetarium een koepel en een instrument waarmee sterretjes werden geprojecteerd. Tegenwoordig werken alle planetaria met videoprojecties met hoge resoluties. We moeten dat spektakel brengen, willen we concurreren met andere media zoals cinema en tv.” “Mijn taak bestaat er dan ook vaak uit om bestaande planetaria over de hele wereld, die in de jaren zestig en zeventig gebouwd werden om de ruimtevaart te populariseren, te renoveren. Daarnaast bouwen we vooral in Azië veel nieuwe planetaria. Daar wedijveren ze met elkaar voor het mooiste planetarium.”

“Ondertussen zijn er over de hele wereld zo’n 4.000 planetaria. En die bereiken jaarlijks zo’n 100 miljoen mensen. Dat is toch het beste bewijs dat sterrenkunde blijft boeien.”

Welk is het mooiste planetarium waar je bij betrokken bent?

“Ik heb het planetarium helpen inrichten op het schip de Queen Mary. Dat is een van de weinige schepen ter wereld die een eigen planetarium heeft.”

Jij bent geen astronoom van opleiding. Is dat geen gebrek als je een planetarium wilt leiden?

“Ik ben fotograaf van opleiding, maar zie dat niet als een gebrek. De grootste fout die een planetarium kan maken is een astronoom aan het hoofd plaatsen. Als hoofd van een planetarium moet je vooral een verhaal kunnen brengen, sterrenkunde begrijpelijk maken voor de gewone man. Een zuivere astronoom is daar niet mee bezig. Die is bezig met zijn zwart gatje, waar hij dan een 500 pagina’s dikke paper over schrijft die niemand begrijpt. Maar in een planetarium moet je juist die complexe onderzoeken van astronomen begrijpelijk maken voor volwassenen en kinderen. En om dat verhaal aan de man te brengen, moet je er al eens met de grove borstel door, moet je al eens een klein loopje nemen met de waarheid. En daar hebben astronomen het moeilijk mee. Terwijl wij er vooral naar streven dat de bezoeker de essentie begrijpt.”

Word je dan wel aanvaard door astronomen?

“Wat je meer en meer ziet in de planetaria over de hele wereld is dat astronomen uit hun ivoren toren kruipen en bij ons komen aankloppen om hun onderzoeken te laten visualiseren. En ze zijn daar ook heel tevreden over. Zo kunnen ze bijvoorbeeld ook hun sponsors overhalen. Als die geldschieters effectief kunnen zien waar hun onderzoeksgeld naartoe gaat, zijn ze sneller geneigd om te betalen.”

“Daarnaast is astronomie een van de weinige wetenschappen waar ook de amateurbeoefenaar iets te zeggen heeft. Een van de bekendste in België is de voormalige hoofdweerkundige van de luchthaven van Zaventem. Die man ging daar niet werken omdat hij van vliegmachines hield, maar wel omdat hij daar goede computers voor handen had om sterren te bekijken. En die man zijn resultaten worden wereldwijd gebruikt door vermaarde astronomen. Je kan het een beetje vergelijken met de weerkunde. Daar zijn er ook amateurs die hun zeg hebben in de grote meteorologie.”

Kan de sterrenkunde je nog dagelijks boeien?

“Wat mij nog altijd fascineert is als er bijvoorbeeld een mooi plaatje binnenkomt van de ruimtetelescoop Hubble met restanten van een ster die ontploft is. Daar zit echt iets artistiek in. Dat is net of God er daarboven met de kwast door is gegaan.”

“Maar wat ik nog altijd het mooist vind, zijn zonsverduisteringen. Binnenkort, op 22 juli, is er een in Shangai, de langste van deze eeuw. Ik ga daar zeker naartoe. Een zonsverduistering is een van de knapste natuurverschijnselen die er is. Maar je moet dat meemaken, er is geen foto of beschrijving die dat kan evenaren.”

Zijn kinderen nog geboeid door sterrenkunde?

“Absoluut. Elk jaar merk je dat een paar kinderen een heel bijzondere interesse hebben voor sterrenkunde. Je pikt die er zo uit. En soms kom je die kinderen jaren later opnieuw tegen in het planetarium waar ze komen aankloppen om er mee te komen helpen. Er zijn ook jongeren sterrenkunde gaan studeren omdat ze gebeten zijn door het virus na een bezoek aan het planetarium. Je kan geen beter compliment krijgen.”

In ons land kan je toch geen astronomie studeren?

“Bij ons niet nee. Maar in Nederland wel. In België is astronomie een keuzevak binnen wiskunde en dat schrikt toch wel heel veel mensen af. In Nederland is dat echt een faculteit. Nederland heeft qua inwonersaantal het grootst aantal astronomen. Maar niet dat die mensen daar allemaal iets mee doen in hun professioneel leven. Ik ken bijvoorbeeld een Nederlandse politieman die van opleiding astronoom is. Dat is toch vreemd, niet?”

Zou er in België ook zo’n opleiding moeten komen?

“Ja en nee. Het grote zeer in België is dat er in het lager en middelbaar onderwijs te weinig aandacht wordt besteed aan sterrenkunde. Er zijn een paar landen ter wereld, zoals India en Japan, waar sterrenkunde wel een vak in het lager onderwijs is. En waar vind je veel planetaria: in India en Japan.”

“Sterrenkunde als vak is goed omdat het allesomvattend is. Allerlei aspecten komen er in aan bod: godsdienst, mythologie, geschiedenis, fysica, aardrijkskunde,... Een meer omvattende wetenschap is er niet. En als het hier een vak wordt, kom ik terug naar België. Dan wil ik het wel doceren.”

Volg jij ook de ruimtevaart en de lancering van Frank De Winne op de voet?

“Ik ben niet zoveel met ruimtevaart bezig omdat dat heel technisch is. Al ben ik heel blij voor De Winne. Die man doet zijn werk perfect. Al moeten we de ruimtevaart een beetje relativeren, vind ik. ‘We zijn op Mars geweest’, zeggen ze daar. Maar naar Mars gaan, dat is niet meer dan de deur uit gaan en een huis verder gaan aankloppen.”

Wat is het ultieme project dat je nog zou willen tonen aan de bezoekers van een planetarium?

“Ik zou heel graag eens een show maken over het niets. Het heelal dat we kennen bestaat voor 96 procent uit niets. Maar hoe er die show moet gaan uitzien, weet ik nog niet. Ik kan toch niet twintig minuten niets tonen? (lacht)”