Welke aanbevelingen zou de Fortiscommissie kunnen doen?

Print

Welke aanbevelingen zou de Fortiscommissie kunnen doen?

16 MAART 2009 - Dinsdag stemt de Fortiscommissie over de besluiten van haar onderzoek. Momenteel discussieert ze nog druk over beleidsaanbevelingen. Hoewel iedereen het er nu al over eens is dat de Fortiscommissie mislukt is, kunnen op basis van de getuigenverhoren een aantal juridische hervormingen worden bedacht om de aangeklaagde wantoestanden te vermijden.

Die voorstellen kunnen gaan over volgende vragen. Welke contacten mogen politici leggen met parketmagistraten? Hoe geheim is het beraad van de rechters? Mogen rechters een afwijkende mening uiten? Kan een parlementaire onderzoekscommissie wel werken? Een analyse.

De Fortiscommissie werd opgericht om te onderzoeken of er politieke druk was om de Brusselse rechters een regeringsvriendelijk Fortisarrest te laten vellen.

De Commissie hoorde 25 getuigen, ze boog zich over het kortgeding dat door de advocaten van de aandeelhouders van Fortisbank in Brussel was aangespannen om de geplande verkoop van Fortisbank aan BNP-Parisbas te doen opschorten.

Omdat die verkoop uiterlijk op 14 december 2009 realiteit zou zijn was het belangrijk dat voor die datum een beslissing viel.

Volgens de oppositie heeft de regering mogelijk al in eerste aanleg, op 6 november 2008, substituut Paul Dhaeyer onder druk gezet om een advies uit te brengen dat de regering welgezind was. Dhaeyer deed dat evenwel niet, maar de kortgedingrechter volgde de regering wel.

In beroep moest de achttiende kamer met drie raadsheren onder leiding van Paul Blondeel een arrest vellen. Raadsheer Christine Schurmans ging niet akkoord met de werkwijze de inhoud van het arrest en verklaarde zich net voor de uitspraak ziek. Blondeel besloot om het arrest - na heel wat over en weer getelefoneer - toch uit te spreken op 12 december omdat het anders "zonder voorwerp" was geworden. De verkoop zou immers op 14 december plaatsgrijpen en een kortgedingrechter kan een verkoop niet te niet doen.

Het verhaal is bekend, de Fortiscommissie kon een aantal tegenspraken vaststellen in de verklaringen van de getuigen, maar mocht ze niet confronteren en kan hieruit dus uiteindelijk geen definitief besluit trekken.

Er waren wel nogal wat juridische knelpunten aan de orde. Een overzicht. We behandelen achtereenvolgens: artikel 29, dat ambtenaren verplicht om misdrijven te melden bij het parket; de positie van de parketten; de positie van de zetelende rechters, die vonnissen en arresten vellen; de rol van de parlementaire onderzoekscommissie zelf. Op al deze punten brengen we een overzicht van mogelijke hervormingsvoorstellen. Wat de Fortiscommissie al dan niet zelf voorstelt, wordt pas morgen bekend.

ARTIKEL 29

Artikel 29 van het wetboek van strafvordering verplicht iedere ambtenaar om een misdrijf melden bij het parket.

Het artikel stond in de Fortiscommissie ter discussie omdat de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, Ghislain Londers, aan kabinetschef Hans D'Hondt en aan premier Leterme verweet dat zij het parket niet hadden gecontacteerd toen zij vernomen hadden dat raadsheer Schurmans haar beroepsgeheim had geschonden.


Ghislain Londers

Londers' collega van het parket-generaal Jean-François Leclercq vond dit dan weer niet nodig. "Niet alle misdrijven moeten worden aangegeven door ambtenaren. Als ik op de autoweg rijd en ik zie iemand urineren langs de kant, dan bel ik ook de politie niet", zo luidde het.

De twee hoogste magistraten van het land waren het oneens over de toepassing van artikel 29. Wat te doen? Moet het afgeschaft worden, beperkt worden tot bepaalde beroepsgroepen met een gezagsfunctie of net uitgebreid tot alle burgers? En vooral: heeft dit artikel zin als er geen sanctie op staat?

HET PARKET

1. Parket als hoeder van de wet

Het parket vordert niet alleen in een strafzaak namens het openbaar belang, het geeft in sommige burgerlijke zaken niet alleen adviezen in het openbaar belang, het is ook de hoeder van de wet in de hoven en rechtbanken. Het moet er volgens artikel 140 van het Gerechtelijk Wetboek voor zorgen dat de wetten correct worden toegepast.

Volgens sommigen kan deze dubbele hoedanigheid problemen geven. Zij pleiten ervoor om van het parket gewoon een partij in de rechtszaak te maken. Dat geldt dan voornamelijk voor strafzaken.

Deze visie vindt men terug in voorstellen van Renaat Landuyt om de procureur een plaats te geven op dezelfde banken naast de advocaat en niet meer "naast de rechter op een verhoog".

Het parket zou ook in andere gebouwen moeten zetelen (in Brussel is dat al zo voor de eerste aanleg, maar niet voor het Hof, nvdr) en het zou niet in dezelfde kamer koffie mogen drinken als de rechters die vonnissen.

Het lijkt een spannende hervorming, maar er rijzen toch ook vragen:

* Als het parket alleen nog maar een partij in het geding is, wie zal dan de goede rechtsgang in de hoven en rechtbanken bewaken? Zal men dit uitsluitend aan de partijen in een zaak overlaten (ook bij arme beklaagden met pro Deo-advocaten) of zal men daarvoor een nieuwe instantie creëren, die desnoods afhankelijk is van het parlement? Zal men de Hoge Raad voor de Justitie die functie geven?

* Als het parket alleen nog partij is, dan mag het ook 'partijdig' onderzoeken en niet - zoals nu nog steeds het geval is - objectief en niet alleen ten laste maar ook ter ontlasting van een verdachte. Dat laatste wordt in het Angelsaksische systeem overgelaten aan de advocaten van de verdediging. Met alle asociale ongelijkheden tot gevolg.

Merkwaardig genoeg dreigt een voorstel, dat bedoeld is om meer gelijkheid tussen de procespartijen te scheppen, die gelijkheid te verstoren.

2. Het parket onder het parlement of onder de minister?

Het vorige debat verbergt een ander. Zo stelt grondwetsspecialist Matthias Storme dat de positie van het parket momenteel de regels van de scheiding der machten niet respecteert.


Matthias Storme

"Voor het openbaar ministerie gelden noch de regels en garanties van de rechterlijke macht, noch die van de uitvoerende macht. Parketmagistraten zijn geen rechters omdat ze niet onafhankelijk zijn, maar hiërarchisch georganiseerd. Onder leiding van de minister van Justitie beslissen zij welke misdrijven vervolgd worden en welke niet", zo meent de prof.

Storme verwijst terzake naar Hongarije waar het openbaar ministerie door het parlement wordt benoemd en niet door de regering. Het OM moet ook verantwoording afleggen aan het parlement. De prof wil dat ook in België het parket onder de verantwoordelijkheid van het parlement komt en hij bepleit de afschaffing van artikel 140.

Kamerlid Renaat Landuyt (sp.a) vindt eveneens dat de plaats van het parket momenteel het beginsel van de scheiding der machten schendt. Hij wil het probleem echter anders oplossen door het Openbaar ministerie helemaal onder de minister van Justitie, onder de uitvoerende macht, onder te brengen.

Dit is een algemeen thema waarover nog veel inkt zal vloeien. Welk standpunt men terzake ook inneemt, niets zal de Kamercommissie Justitie beletten om de hervormingsplannen van justitieminister De Clerck actief op te volgen en te begeleiden.

In principe zou zelfs de Fortiscommissie zich kunnen omvormen tot zo'n permanente begeleidingscommissie. Dat stelt o.a. oud-justitieminister Jo Vandeurzen voor.

3. Contacten met justitie

Over de contacten van de minister van justitie met het parket was in de Fortiscommissie veel te doen.

Die contacten waren volgens alle betrokken kabinetsmedewerkers en volgens justitieminister Jo Vandeurzen, gewoon "vragen om informatie", in toepassing van artikel 140 van het gerechtelijk wetboek (waardoor de parketten moeten waken over het goede verloop van de rechtsgang). Het ging dus gewoon om de toepassing van de wet.

Zal de Fortiscommissie kunnen bewijzen dat het anders was? Uit àlle 73 vastgestelde contacten tussen de politici (niet alleen Vandeurzen, maar ook Leterme en Reynders) en kabinetsmedewerkers enerzijds en de magistratuur (zetelende rechters in begrepen) anderzijds, zijn er volgens haar 25 verdacht. Maar welke bewijzen zal de Fortiscommissie leveren?

Het is bovendien wat naïef om zich blind te staren op dit soort contacten vanuit het kabinet. Parketmagistraten en politici kunnen elkaar immers overal ontmoeten: op familiefeestjes, in de kerk, in de loge, op café. Beïnvloeding kan op al die plaatsen gebeuren. Dat geldt trouwens ook voor zetelende magistraten.

De fundamentele vraag die rijst is, of de politiek terug wil naar magistraten die volledig losstaan van de maatschappij, geen lid meer mogen zijn van een groepering of een partij. Dat zou dan een pleidooi voor de ivoren toren-magistratuur zijn, die zo weinig mogelijk weet wat leeft onder de bevolking.

Of wil wil men - in een poging om de contacten tussen gerecht en politiek zo correct mogelijk te laten verlopen - alle lidmaatschappen van magistraten bij verenigingen bekend maken?

In Groot-Brittannië worden zo alle leden van de loge publiek bekend gemaakt. Maar als dit gebeurt, komt de schijn van onpartijdigheid net bij de maatschappelijk heel actieve en meest realistische rechters, in het gedrang.

Het zal dus niet makkelijk zijn om te bepalen wat precies mag en wat niet mag in de contacten tussen gerecht en politiek.

4. Geen detachteringen meer?

Om het kabinet van Justitie en de magistratuur helemaal uit elkaar te halen, stelt Bert Schoofs (VB) voor dat parketmagistraten niet meer gedetacheerd kunnen worden naar politieke kabinetten.


Bert Schoofs

"Na hun politieke functie, keren ze terug naar hun vroegere job, maar daar hebben ze een duidelijke politieke stempel. Ze kunnen niet meer neutraal en onafhankelijk schijnen. En voor de politici bij wie ze werkten, blijven deze magistraten altijd "ons mannetje of vrouwtje bij het gerecht". Dat moet veranderen", aldus Schoofs, die meent dat de detachering het beginsel van de scheiding er machten schendt.

Schoofs vindt dat parketmagistraten ook niet meer gedetacheerd mogen worden naar federale overheidsdiensten, regeringscommissies, de antiwitwascel of het OCAD (het centraal antiterreurorgaan).

Het voordeel van dit voorstel is de duidelijkheid, het nadeel dat de ministeriële kabinetten op den duur helemaal vol zullen zitten met pas afgestudeerden zonder praktijkervaring of met advocaten, een eenzijdigheid die ook niet bevorderlijk is voor de goede wetgeving.

Voor functies zoals OCAD e.d. dreigt men op den duur geen kandidaten meer te vinden.

Het voorstel-Schoofs staat ook haaks op de ideeën van Renaat Landuyt, die het parket integraal onder de minister van Justitie wil onderbrengen.

5. Rechtszaken tegen de staat

In de Commissie rees ook de vraag hoe de controle van het parket via artikel 140 GW kan verzekerd worden bij rechtszaken tegen de staat.

Volgens sommige commissarissen heeft de minister van Justitie dan immers twee petjes op: enerzijds moet hij ervoor zorgen dat zijn parketten waken over het goede verloop van de gerechtelijke procedures, maar anderzijds behoort hij tot de staat en is hij partij in het geding.

Jo Vandeurzen verdedigde zich: "Ik laat de parketten ook waken over de goede rechtsgang als dat in het belang is van andere partijen dan de staat, zoals bv. in de Gellingenzaak."

In die zaak deed Vandeurzen voorstellen om de schadevergoedingen sneller te laten innen, hoewel de Belgische staat, als partij in het geding, daar geen belang bij heeft.

Vandeurzen zag terzake geen probleem, maar de Commissie kan terzake wel verfijningen aanbrengen aan de wet. Het is alleen niet onmiddellijk duidelijk hoe of wat.

Uiteindelijk lijkt dit vooral een probleem van de deontologie van de advocaten die de staat verdedigen. Merkwaardig genoeg bleef de advocatuur grotendeels buiten schot in deze kwestie.

6. Artikel 1088

Een ander pijnpunt was artikel 1088 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat biedt de mogelijkheid aan de minister van Justitie om bij het parket-generaal van het Hof van Cassatie te vragen om een arrest te vernietigen omdat één van de rechters of ambtenaren zijn bevoegdheid overschreden heeft.

Dat artikel kan altijd toegepast worden, zelfs als de beroepstermijnen zijn overschreden.


Marc de le Court

In de Fortiszaak werd de toepassing van dit artikel bepleit door procureur-generaal Marc de le Court. Hij betoogde dat de klachtmail van raadsheer Schurmans aantoonde dat zij mogelijk uit het beraad was gesloten door haar twee collega's. Wat zou kunnen wijzen op machtoverschrijding door voorzitter Paul Blondeel. De le Court wilde dat artikel 1088 werd toegepast.

Dat wilden ook alle leden van het kernkabinet, maar om andere redenen, nl. om het arrest van de achttiende kamer vernietigd te krijgen.

Vandeurzen wilde artikel 1088 niet toepassen omdat het volgens hem "subsidiair" is. "Het kan maar toegepast worden als alle partijen in de rechtszaak niet meer kunnen optreden en het argument waarover het gaat niet kenden of vergeten waren om het aan te klagen. En in de Fortiszaak was toen nog Cassatieberoep en derdenverzet mogelijk", zo stelde hij.

De oud-minister zegde wel dat de Brusselse procureur-generaal vond dat het artikel al onmiddellijk kon worden toegepast.

Hij gaf ook toe dat hij eerder een soortgelijke vraag kreeg van de procureur-generaal van Bergen in een andere zaak. Terzake ondervraagd zegde voormalig minister van Justitie Laurette Onkelinx (PS) dat zij nooit zo'n vraag om toepassing van artikel 1088 had gekregen. En de procureur-generaal van het Hof van Cassatie, Jean-François Leclercq, stelde dat hij in meer dan dertig jaar carrière nog nooit had meegemaakt dat het artikel werd toegepast.

Sommige politici, zoals senator Hugo Vandenberghe (CD&V), willen het artikel afschaffen omdat het indruist tegen het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het artikel kan immers onbeperkt worden toegepast, er zijn geen beroepstermijnen, wat betekent dat een zaak na tientallen jaren plots nog kan worden herzien.

Het parlement zou kunnen duidelijk maken of het artikel moet blijven bestaan, of het subsidiair is of niet en wanneer het kan worden toegepast.

(Soortgelijke vragen kunnen overigens worden gesteld bij artikel 441 van het wetboek van strafvordering, dat het Gentse parket-generaal wilde laten toepassen in de omstreden strafarresten rond de BOM-wet, waardoor uiteindelijk tien zware criminelen vrijkwamen. Maar omdat deze problematiek toch gedeeltelijk anders is, gaan we er niet verder op in, nvdr)

.

DE RECHTERS

Dan heb je ook nog de problemen met de zetelende magistratuur.

1. Samenstelling van de Kamers

* Hoe wordt de kamer die een arrest velt, aangewezen?

De wet moet zo zijn dat niemand zijn rechter kan kiezen en dat ook de rechters de zaken niet kunnen kiezen. Dat is het ideaal.

In België worden zaken toegewezen op grond van specialisatie: de kamers zijn gespecialiseerd in een bepaalde materie en zij krijgen al die zaken. Maar in Duitsland gebeurt de toewijzing door loting.

In de Fortiszaak was er een duidelijk meningsverschil: Schurmans vond dat de Fortiszaak geen zaak was voor de achttiende kamer, Delvoie vond van wel.


Guy Delvoie

Misschien moet het Belgische systeem van toewijzing eens nader worden onderzocht en vergeleken met buitenlandse systemen.

* Het probleem van de samenstelling van de kamer wordt nog dringender in extreme zaken, zoals de Fortiszaak, waarbij rechters die het niet eens zijn met wat de meerderheid tijdens de beraadslaging heeft beslist, klachten tegen hun collega's indienen.

In de Fortiszaak had je twee totaal verschillende voorstellen om met de klacht van de zieke Schurmans tegen haar collega's om te gaan.

Guy Delvoie vond dat Schurmans - en alleen zij - moest worden vervangen door een andere raadsheer. De eerste voorzitter betoogde dat anders (wanneer je àlle leden van de kamer zou vervangen) de minderheid in een beraadslaging gelijk krijgt door een herkansing bij een volledig anders samengestelde kamer. En zo krijgt de rechtsonderhorige uiteindelijk niet de rechters die hij normaal gezien moest hebben en zet je de wereld op zijn kop.

De Brusselse procureur-generaal, Marc de le Court, vond daarentegen dat àlle raadsheren moesten worden vervangen omdat anders een schijn van partijdigheid werd gewekt door de bewuste kamer.

Voor beide standpunten valt veel te zeggen. Hier botst duidelijk het beginsel dat niemand zijn rechtbank kan kiezen met het beginsel dat de rechtbank onpartijdig moet schijnen. Geen makkelijke keuze, maar het is dan ook een extreme situatie.

2. Vertragingstechnieken

Aan de orde waren ook de vertragingstechnieken die worden gebruikt om een arrest nutteloos te maken.

In de Fortiszaak ging het vooral om het verzoek van de advocaten van de staat om de debatten te heropenen. Door die heropening zou het arrest "zonder voorwerp" geworden zijn, want het zou vallen na 14 december, de dag waarop de verkoop werd gesloten en een kortgedingrechter kan een verkoop niet te niet doen.

De Fortiscommissie concentreerde zich uitsluitend op de (belangrijke) vraag of de advocaten van de staat op voorhand wisten van de herrie tussen de drie raadsheren, van de ziekte van raadsheer Schurmans en van de (voor hen) negatieve inhoud van het arrest. Die voorkennis zou het mogelijk maken om - via de techniek van de heropening van de debatten - het arrest over de datum van 14 december te tillen, want dezelfde drie raadsheren zouden moeten delibereren over die heropening van de debatten. En dat zou door de ziekte van Schurmans niet kunnen. De Fortiscommissie kon terzake evenwel geen sluitende bewijzen vinden.

De Fortiscommissie ging echter niet in op de vele vertragingsmanoeuvres die advocaten dagelijks (kunnen) uitvoeren om zaken eindeloos te laten slepen.

Dat kan door net voor de debatten nog extra besluiten in te dienen met "een nieuw element" dat er eigenlijk geen is. Vooral in kortgedingen is het mogelijk om de zaak zo definitief zonder voorwerp te laten verklaren.

Er zijn zo tientallen rechtsregels die vooral als vertragingsmanoeuvre door één partij worden gebruikt.

Dat is mogelijk omdat de advocaten uit het parlement zelf zoveel procedureregels hebben goedgekeurd met zoveel uitzonderingen dat het voor een sluw raadsman meestal wel mogelijk zijn om een kortgeding zolang te rekken tot onherroepelijke dingen zijn geschied. Het parlement kan hieraan veel doen door die wetten te veranderen.

3. Geen aanspreekpunt

Momenteel mag niemand met de zetelende rechters contact nemen om te informeren over een individuele zaak, ook de minister van Justitie niet.

Bij mistoestanden moet de minister van Justitie informatie opvragen bij de procureur-generaal, die dan in het kader van artikel 140 kan gaan kijken wat er aan de hand is.

Maar uit de hoorzittingen bleek dat eerste voorzitter Guy Delvoie zegde dat hij bij problemen wel belde naar het kabinet van Justitie. Volgens hem behoort dit tot zijn managementstaak.

Er is één duidelijk aanspreekpunt van de zetelende magistratuur voor de minister van justitie nodig. Nu bestaat dat niet, maar in zijn beleidsnota van 2009 vermeldt Jo Vandeurzen dat met de magistratuur is afgesproken dat ze het zullen hebben tegen einde 2009.

4. Ruim of beperkt management?

De managementstaken van een korpschef kunnen op gespannen voet staan met de bepalingen in het gerechtelijk wetboek.

In de Fortiscommissie kwam duidelijk naar voren dat de invulling van die managementstaak nogal eens kan verschillen.

Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, Ghislain Londers, had een modernere visie op het "toezicht op de magistratuur"dan zijn collega, procureur-generaal Leclercq. Die laatste had tijdens zijn verhoor gezegd dat Londers nooit vooraleer het Fortisarrest geveld werd, had mogen overleggen met Guy Delvoie, de grote baas van het Brusselse Hof van Beroep, omdat dit als "inmenging" in de kamer die het arrest moest vellen, kon worden gezien.


Jean-François Leclerq

Londers zegde dat voor hem toezicht niet alleen achteraf gebeurt, maar ook vooraf. "We moeten wantoestanden kunnen voorkomen. Het was mijn plicht om een oplossing te zoeken".

Londers stelde dat hij in zijn sollicitatie bij de Hoge Raad voor de Justitie al zijn visie op controle op de magistratuur had toegelicht.

In de toekomst zal het parlement zeker nader moeten toezien hoe de managementstaak van de korpschef samenloopt met alle wetten die bestaan.

5. Het beraad

Het beraad is geheim. Maar ook daar rijzen problemen.

Hoever gaat dit geheim? Hierover was nogal wat onenigheid. Zo vond Jan De Groof, de echtgenote van Christine Schurmans, dat zijn vrouw het geheim van het beraad niet had geschonden door hem mee te delen hoe was gestemd. Ze had immers niets over de inhoud van de stemming gezegd.

De meeste juristen, o.a. Fortiscommissie-expert en voormalig procureur-generaal bij Cassatie Jean du Jardin, gingen daarmee niet akkoord. Maar ook de experten bleken verdeeld. Misschien kan de Commissie daarin duidelijkheid brengen.

6. Dissenting opinions?

Een bijkomende vraag is of men rechters met een afwijkende mening kan toelaten om die mening als bijlage bij het arrest te uiten. Zo zou men problemen als die van de achttiende kamer kunnen vermijden.

Het recht op een afwijkende mening zou immers aan een magistraat die als lid van een politieke partij getrouw de visie van zijn partij wil volgen, duidelijk kunnen maken dat hij dat heeft gedaan, zelfs als het arrest uiteindelijk toch slecht uitvalt voor die partij.

Nu worden deze magistraten achteraf geconfronteerd worden met kritiek op 'hun' arrest: ze mogen er niet op antwoorden, maar ze gaan eigenlijk wel akkoord met de kritiek omdat ze dezelfde visie als die van de criticus hebben verdedigd in de beraadslaging.

Waarover gaat het?

Momenteel spreekt justitie recht "uit één mond". Ook als één van de drie rechters niet akkoord gaat met de beslissing, dan nog mag hij dat niet zeggen. Hij moet de beslissing waarmee hij niet akkoord gaat loyaal toepassen, zo dat later nodig is.

Professoren zoals Matthias Storme pleiten er daarom voor dat alle meningen worden bekend gemaakt.

Een rechter die niet akkoord gaat met de meerderheid, zou dat in een bijlage bij het arrest, een dissenting opinion, kunnen zeggen. Een rechter die wél akkoord gaat met de meerderheid maar om andere redenen, moet dat kunnen zeggen in een concurring opinion.

Storme: "Dat zien we in omzeggens alle rechtbanken van de "common law" landen: Engeland, de Verenigde Staten en andere landen van de Anglo-Amerikaanse traditie. En verder in de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mens in Straatsburg en in Griekenland en Israël. In Scandinavië is er zelfs een zekere traditie dat de rechters in het openbaar beraadslagen."

"In andere landen bestaat er een beperktere mogelijkheid voor de rechters om een minderheidsopinie te publiceren, bv. enkel in de procedure in hoger beroep of voor het hoogste gerecht. Of enkel in het laatste geval: in Duitsland bij het Grondwettelijk Hof en bij de hoogste rechtscolleges in een reeks "Latijnse" landen, zoals onder meer Spanje, Portugal, Argentinië, Chili en andere Latijns-Amerikaanse landen, in Midden-Europese landen zoals Hongarije, Kroatië, Slovenië".

Storme bepleit deze regeling zeker bij het Hof van Cassatie en de Raad van State, waar arresten soms ondoorzichtig zijn omdat ze gesteund zijn op compromissen. "Het is belangrijk dat alle arresten zo goed mogelijk gemotiveerd zijn, en de regel dat elke rechter individueel zijn mening bekendmaakt verplicht alle rechters om hun mening zo goed mogelijk te argumenteren."

Deze visie is zeker niet algemeen.

Zo vindt professor Rik Swennen (handelsrecht, UA) dit beslist geen goed idee.

"Dissenting opinions zijn een traditie in het Angelsaksische systeem, maar niet in het onze. Het Angelsaksische systeem werkt met precedenten: de rechter beslist op basis van een precedent (een vroegere beslissing van een rechter), waar hij zich tegen afzet. Het Angelsaksische systeem heeft ook geen openbar ministerie, dat adviezen geeft in burgerlijke zaken en vordert in strafzaken. In zo'n systeem is het belangrijk om verschillende meningen en redenering te horen. Maar niet in het onze", zo zegt hij.

"In ons continentaal systeem past de rechter wetten toe. Bij discussie over de interpretatie gaat hij na hoe de verkozenen van het volk daar over dachten. Er zijn al drie meningen: de toelichting van de regering, het advies van de Raad van State en de debatten in het parlement. Daarnaast heb je in burgerlijke zaken nog het advies van het openbaar ministerie. Bij ons is het debat met voor en tegen dus georganiseerd".

"En in het Angelsaksische systeem worden de individuele opinies van rechters uitgeplozen als ze benoemd willen worden in een hoger rechtscollege. Ik denk niet dat we dat hier willen", aldus Swennen.

Daarbij rijst de vraag of het systeem van dissenting opinions wel zinvol is als een kamer maar uit drie rechters bestaat.

Het systeem zal sowieso een hiërarchie in de arresten tot gevolg hebben: heel belangrijke arresten, die unaniem geveld zijn, en minder belangrijke, waar je afwijkende meningen hebt

.

De vraag is of dat zo zinvol is. In ieder geval zijn er commissarissen die de invoering van dissenting opions overwegen.

DE PARLEMENTAIRE COMMISSIE ZELF

Een onderdeel waarover de Fortiscommissie het allicht niet zal hebben, is de werking van de parlementaire onderzoekscommissies.

Als de Fortiscommissie één ding heeft aangetoond, dan is het wel dat de huidige wetgeving niet werkt.

Er waren de specifieke beperkingen van de Fortiscommissie:

* ze heeft maar een beperkte tijd om te werken waardoor ze onmogelijk haar werk grondig kan doen;

* ze kon volgens haar eigen experten helemaal niet werken omdat ze bij haar vraagstelling aan de getuigen automatisch zou tussenkomen in strafrechtelijke of tuchtrechtelijke onderzoeken met mogelijke nietigheid van die onderzoeken tot gevolg.

Ondanks het advies van haar experts (voor dat advies, zie hier, nvdr) startte de Fortiscommissie toch en ondanks plechtige verklaringen dat de commissie "geen individuele verantwoordelijkheden zou vaststellen, maar alleen beleidsaanbevelingen zou formuleren", werden de getuigen uitsluitend ondervraagd vanuit het oogpunt van de individuele verantwoordelijkheden en werden bijna geen vragen naar beleidsmaatregelen gesteld.

Wat merkwaardig is, want vooraleer je grote hervormingen voorstelt, lijkt het toch nuttig te weten hoe de praktijk hierop zou reageren.

* Verder is de Commissie gehandicapt omdat ze de getuigen niet met elkaar kon confronteren.

* Ze is per definitie partijdig omdat ze grotendeels uit advocaten bestaat, een duidelijke partij als het gaat om de scheiding der machten.

Maar uiteraard werd de werking van de commissie sterk bemoeilijkt doordat ze de werking van "haar eigen volk" (de politici) zelf moest onderzoeken en dat kan onmogelijk objectief. Dit onderzoek verliep via de lijnen van de partijdiscipline.


Bart Tommelein en expert Jean du Jardin

Dat alles leidde tot het imbroglio waarin de Fortiscommissie nu zit en waarvan ze potsierlijk genoeg de schuld geeft aan… de magistratuur, die haar nochtans voor alle risico's had gewaarschuwd.

Naast deze specifieke beperkingen van de Fortiscommissie zijn er een aantal algemene beperkingen.

* De Commissie heeft de bevoegdheden van een onderzoeksrechter, maar er is geen plicht tot onpartijdigheid en sereniteit.

Integendeel: alle vragen van de commissarissen vertrokken vanuit een vooropgezette visie (doofpot versus geen doofpot) en - in tegenstelling tot een gewone onderzoeksrechter - bleken nogal wat parlementsleden geen kennis te hebben van belangrijke wettelijke regelingen.

* De onderzoeksbevoegdheid wordt nog meer uitgehold door de rechtstreekse uitzendingen van de commissievergaderingen.

Zij maken het mogelijk dat de latere getuigen hun visie afstemmen op wat eerdere getuigen zegden.

En omdat de getuigen 15 dagen de tijd hebben om hun visie te ondertekenen, kunnen ook de eerdere getuigen hun visie aanpassen aan de latere, zij het in beperkter mate.

De werking van de Fortiscommissie en van een aantal recente parlementaire onderzoekscommissies in het algemeen, toont aan dat er serieuze redenen zijn om het gerechtelijk onderzoek geheim te houden. En dat is hier allerminst het geval.

* Meer algemeen is het bijna potsierlijk hoe de Fortiscommissie alle contactjes tussen de regering en het gerecht onder het vergrootglas wil leggen op zoek naar schendingen van het beginsel van de scheiding der machten, terwijl de uitvoerende macht vooral de werking van wetgevende macht, waartoe de onderzoekscommissie behoort, schendt, door bijna alle wetgevende initiatieven afhankelijk te maken van een goedkeuring door de regering.

Als het beginsel van de scheiding der machten ergens bedreigd is, dan wel in de verhoudingen tussen wetgevende en uitvoerende macht. En aan die schendingen kunnen de parlementsleden iets doen

.

In de Fortiscommissie kon geen resultaat bereikt worden, omdat alle structurele factoren voor succes afwezig zijn.

De parlementsleden sussen zich dan met de idee dat "er een oorlog is in het gerecht" en dat "de magistratuur de commissie heeft gesaboteerd".

Oorlog?

Dat is beslist overdreven: er zijn uiteraard meningsverschillen over hoe wetten moeten worden geïnterpreteerd en daarbij kan het er in uitzonderlijke gevallen zoals de Fortiszaak wel eens heftig aan toegaan.

Maar sommige meningsverschillen vloeien logisch voort uit de posities van de betrokkenen (zoals de "oorlog tussen het parket en de zetel"), weer andere uit levensbeschouwelijkelijke stellingnames die je overal elders ook terugvindt. Bijna alle ruzies gaan over interpretaties van de wetten.

Het parlement kan hier veel aan doen door duidelijke wetten te maken en de wetsdiarree te beperken. Maar de voorbije jaren deed het parlement net het omgekeerde.

Sabotage?

Hoe zou het gerecht de onderzoekscommissie gesaboteerd hebben? De experten van de Commissie hadden toch op voorhand gewaarschuwd voor de impasse waarin de commissie nu zit.

Door de onderzoekscommissie te herleiden tot een rechtstreeks volgbare soap op de televisie, heeft de Fortiscommissie niet alleen imagoschade toegebracht aan het gerecht, maar ook aan de politieke klasse in het algemeen.

Al die media-aandacht vlak voor de verkiezingen mag dan mooi meegenomen zijn, bij de bevolking blijft de idee hangen dat iets niet mag geweten zijn. En dat is zeker niet positief, ook niet voor de politieke klasse als geheel.

.

Nu in het nieuws