Flagrante tegenspraken op Fortiscommissie

Op de Fortiscommissie kwamen vrijdagnamiddag serieuze meningsverschillen aan het licht tussen de drie kabinetschefs die vrijdag werden gehoord.

ssimons

De Fortiscommissie moet nagaan of politici het gerecht probeerden te beïnvloeden om een gunstig Fortisarrest af te dwingen. Ze hoorde vrijdag de kabinetschefs Herman Dams (van ex-justitieminister Vandeurzen - foto boven), Hans Dhondt (van ex-premier Leterme) en Olivier Hénin (van minister van Financiën Didier Reynders).

De kabinetschefs waren het roerend eens dat zijzelf de Fortisrechtzaak niet of maar van heel ver volgden en dat alvast zijzelf helemaal niemand onder druk hadden gezet. Maar dan liepen de meningen wat uiteen tussen de christendemocratische kabinetschefs en de ene liberale.

1. Eerste aanleg.

Was er druk op magistraat Paul Dhaeyer in eerste aanleg? Vooral op dit vlak liepen de meningen totaal uiteen.

In eerste aanleg zou substituut Paul Dhaeyer namens het parket een advies schrijven. Dat zou worden bekend gemaakt om 6 november om 15 uur. Aanvankelijk was gezegd dat Dhaeyer onder druk was gezet door Pim Vanwalleghem, medewerker van het kabinet van premier Leterme.

Kabinetschef Hans Dhondt ontkende dat. Hij zegde dat zijn collega van financiën, Olivier Hénin, op de middag van 6 december, op een vergadering van de kabinetschefs van de vice-premiers had gezegd dat er een advies zou volgen dat op drie vlakken negatief was voor de regering. Beiden (Dhondt en Hénin) gingen dan naar Vanwalleghem en die zou in opdracht van Dhondt Dhaeyer bellen om hierover te informeren. Vanwalleghem kende Dhaeyer immers van op het Brusselse parket.

Dhondt zegde dat “Vanwalleghem zelf moest weten of zo’n contact geoorloofd was of niet”. Dhondt zegde verder dat hij zijn baas, premier Leterme, toen niet op de hoogte had gebracht van de démarche van Vanwalleghem omdat hij hem niet meer had gezien vooraleer het advies twee uren later was voorgelezen.

Ander verhaal

Kabinetschef Olivier Hénin had een heel ander verhaal. Hij zegde dat hij Dhondt op de vergadering van de vicepremiers had verwittigd dat in dezelfde namiddag een advies over de Fortiszaak zou worden uitgesproken. Hij had dit van de advocaten van de staat vernomen. Maar hij wist helemaal niet wat de inhoud was van dat advies, hij wist niet of het positief of negatief was, zegde hij.

Hij had wel een paar ideetjes van wat in een mogelijk negatief advies zou kunnen staan, maar dat waren louter zijn ideetjes.

Hénin zegde verder dat hij dan samen met Dhondt naar Vanwalleghem was gegaan om Vanwalleghem wat meer uitleg te verstrekken over de Fortiszaak, maar niet met de bedoeling dat Vanwalleghem naar Dhaeyer zou bellen. Hij was er ook niet bij toen dat gebeurde. Hij wist zelfs niet wie Dhaeyer was op dat moment, zo zegde hij.

Hénin

Ook verklaringen Hénin en Dams botsten op twee vlakken.

Hénin zegde dat hij Herman Dams (Justitie) op de hoogte had gebracht dat het advies in de Fortiszaak zou worden voorgelezen in de namiddag. Hij had Dams aangeraden om te bellen met de advocaat van de staat, Mr. Vanbuggenhout.

Dat verhaal botste flagrant met de verklaring van Dams, in de voormiddag. Die had nl. gezegd dat hij dacht dat het advies al was voorgelezen omdat niemand hem gezegd had dat dit niet zo was. Volgens Dams had Hénin hem gezegd dat Van Buggenhout Dams wilde bellen voor technische vragen.

Deze tegenspraken veroorzaakten nogal wat deining onder de commissarissen. Iedereen vroeg zich af waarom men twee uur voor de voorlezing van het advies nog wilde bellen met Dhaeyer, tenzij om hem onder druk te zetten. De oppositie eiste confrontaties tussen Dams, Dhondt en Hénin, minstens op dit punt.

2. Hof van Beroep

In beroep lagen de problemen anders. Daar viel het arrest, na veel perikelen, op 12 december.

Hans Dhondt gaf toe dat hij op 11 december van de (christendemocratische) Jan De Groof, regeringscommissaris bij de universiteiten van Antwerpen en Hasselt en echtgenote van Christine Schurmans, één van de drie raadsheren die het Fortisarrest moesten vellen, een telefoontje had gekregen.

Dhondt

“Dat verliep opgewonden en onsamenhangend”. Dhondt begreep eruit dat er “proceduriële problemen waren bij de kamer die het Fortisarrest moest vellen”. Meer bepaald zou er een “dramatische wending in het stemgedrag” gekomen zijn: eerst waren alle raadsheren het eens en nu niet meer, waarbij Christine Schurmans, de echtgenote van De Groof, dan een afwijkende mening had. Dhondt zegde dat hij de term “dramatische wending” niet interpreteerde in de zin dat het arrest nu plots regeringsonvriendelijk was geworden.

Hij interpreteerde die “dramatische wending” als een “dramatische wending voor de echtgenote van De Groof”. De Groof had immers ook gewag gemaakt van allerlei scenes die de andere twee raadsheren voor zijn woning zouden hebben gemaakt. Dhondt zegde aan de commissarissen dat hij moeite had om dit te geloven.

"Overdreven"

Dhondt stelde dus dat hij niet zwaar tilde aan dat telefoontje van De Groof, “omdat er in het verleden al meerdere incidenten rond raadsheer Schurmans waren geweest, zowel in eerste aanleg als bij de Raad voor Mededinging”. Dhondt noemde het een “opgeschroefd en sterk overdreven verhaal”.

Hij had wel zijn collega Hénin gebeld om te vragen of die iets wist van proceduriële problemen. Maar toen stuurde De Groof een sms met het verzoek om de zaak maar zo te laten, omdat “zijn vrouw de hoogste magistraten van Cassatie had ingeschakeld”.

Op vragen of Dhondt als ambtenaar niet onmiddellijk aan het parket had moeten melden dat Schurmans haar beroepsgeheim had geschonden door met haar man over het beraad te praten, antwoordde Dhondt negatief. “De Groof vertelde mij niets over de inhoud van het beraad, ik weet zelfs niet of hij dat wel kende. Hij vertelde mij alleen maar iets over het veranderde stemgedrag. En volgens sommige rechtspraak is dat soort uitspraken geen schending van het beroepsgeheim”.

"Nooit van De Groof gehoord"

Hénin zegde daarna dat hij gebeld was door Dhondt met de melding dat er proceduriële problemen waren bij de Kamer die het Fortisarrest moest vellen, maar dat hij “de inhoud van die problemen niet kende”. Hij had nog “nooit van De Groof gehoord”. Wel informeerde hij twee keer bij advocaat-generaal Pierre Morlet (die het openbaar ministerie vertegenwoordigde in de beroepsprocedure) over die problemen. Maar Morlet zegde hem dat die opgelost waren, de zaak zou op maandag 15 december voortgaan voor een anders samengestelde kamer.

Hénin weerlegde de theorie dat zijn minister (Reynders) de advocaten van de staat had bevolen om een verzoek in te dienen om de debatten te heropenen, nadat hij op 12 december in de namiddag had vernomen van Dhondt dat er proceduriële problemen waren in die Kamer.

Als dat zo zou zijn, dan zou dit gaan om een duidelijke sabotage van de lopende rechtsgang.

Hénin zegde dat al op een vergadering van 4 december was besloten om de heropening van de debatten te vragen. De Europese Commissie had op 3 december in de Fortiszaak immers een verklaring uitgegeven waarin stond dat de maatregelen die de Belgische staat voor Fortis had uitgedokterd, mochten van de Europese Unie.

De advocaten hadden toch moeten wachten tot 12 december om die heropening van de debatten te vragen. En dat kwam volgens Hénin omdat ze moesten wachten op de officiële afgifte van dat document van de Europese Commissie en dat was pas op 11 december gebeurd. Niets aan de hand op dat vlak, aldus Hénin.

Confrontatie Leterme, Vandeurzen en Reynders belooft vuurwerk

De commissarissen vergaderen momenteel achter gesloten deuren over het verdere verloop van de zaak. In ieder geval is duidelijk dat de confrontatie van de drie ministers (Leterme, Vandeurzen en Reynders) volgende maandag vuurwerk zal opleveren.