Over toeter(test)s en bellen

Over toeter(test)s en bellen

Over toeter(test)s en bellen

Print

Februari is in vele Vlaamse kleuterscholen de maand van de toetertest, de test die meet of een kind rijp is om naar het eerste leerjaar te gaan. Wie een zoon of dochter in de derde kleuterklas heeft, kent wellicht dat gevoel van lichte nervositeit als de test eraan komt.

Maar is dat wel nodig? We vroegen het aan Pieter Goossens, directeur van het CLB van Haacht en een van de makers van de test. Vijf vragen en vijf misverstanden over de toeters...

Vijf vragen

1. Wat zijn toeters?

Toeters staat voor TOEtsboekje voor Taal- En Rekenvoorwaarden, Schrijfmotoriek en observatie van de werkhouding. De test is begin jaren negentig ontwikkeld, maar werd in 2003 vernieuwd na onderzoek door de Lessius Hogeschool in Antwerpen en het CLB in Haacht.

2. Wat doen ze?

Toeters gaan na in welke mate de voorbereidende vaardigheden om te leren lezen, schrijven en rekenen bij een kind aanwezig zijn. Ze zijn een middel om tijdig te signaleren - een belletje te laten rinkelen - welke kinderen mogelijk een risico lopen op leermoeilijkheden bij de aanvang van het lager onderwijs. Bijvoorbeeld: als de fijne motoriek weinig vloeiend is, zal het schrijven extra aandacht vragen.

3. Hoe zijn ze opgebouwd?

Het toetsboekje bevat elf subtests die worden ondergebracht in vier schalen: visueel, auditief, rekenen en visuomotoriek. De kleuterjuf of zorgcoördinator die de test afneemt, verzamelt ook observatiegegevens zoals de pengreep, de werkhouding, het tempo...

Bij de visuele oefeningen moet het kind verschillen en overeenkomsten tussen afbeeldingen zien en prentjes leren onthouden.

De auditieve opdrachten bestaan uit het splitsen van een woord in lettergrepen, rijmen, luisteren naar een kort verhaal en klankgroepen samenvoegen tot een woord.

Het hoofdstuk rekenen omvat tellen, rekentermen zoals 'hoogste' en 'minder dan' en het inzicht dat een bepaalde hoeveelheid behouden blijft ondanks de uiterlijke vorm (tien grote blokken is evenveel als tien kleine blokken).

Voor visuomotoriek moeten de kinderen tien figuren zo correct mogelijk natekenen.

4. Wat meten toeters niet?

Toeters meten wel het cognitieve, maar niet de gevoelens van een kind, zijn sociaal functioneren, enzovoort. Daarom zijn toeters maar één instrument. Zeker even belangrijk is de dagelijkse observatie door de kleuterjuf.

5. Wat als de uitslag slecht is?

De totaalscore van een kind wordt vergeleken met de prestaties van de normgroep. Daarvoor wordt gewerkt met een percentielscore. Dat is het percentage kinderen uit de normgroep dat hetzelfde of slechter dan het kind scoort. Is dat lager dan 15, dan zit het kind in risicozone II en is er een duidelijke aanwijzing voor moeilijkheden. Verder diepgaand onderzoek is dan nodig. Zit de percentielscore tussen 15 en 24, dan is er sprake van risicozone I en is verdere opvolging nodig. De kinderen die zwak presteren, krijgen eind mei nog een soort herkansing via de zogenaamde contrabastest.

Vijf misverstanden

1. Sommige ouders zijn op het internet hopeloos op zoek naar de inhoud van de toetertests om hun kind te kunnen voorbereiden op die eerste grote test uit de schoolcarrière.

Pieter Goossens: Wij krijgen op het CLB soms ook vragen in die zin binnen. Maar het kan nooit de bedoeling zijn om de inhoud van dit wetenschappelijk onderbouwd meetinstrument openbaar te maken. Want als je de toetertest openbaar maakt, kan je helemaal niets meer meten. Je kan het vergelijken met een examen waarbij je op voorhand de vragen geeft.

2. Een kind dat in december verjaart en dus nog maar pas vijf is, is benadeeld tegenover een kind dat in januari al zes geworden is.

Er wordt wel degelijk rekening gehouden met de maand waarin het kind geboren is. Er zijn drie leeftijdscategorieën: januari-april, mei-augustus en september-december. Voor elke leeftijdscategorie worden andere normen gehanteerd. Want er bestaat inderdaad een verband tussen de geboortemaand en de gemiddelde totaalscore. De oudste leeftijdsgroep doet het beter dan de tweede, en die doet het op haar beurt beter dan de jongste leeftijdscategorie.

3. De toetertest duurt heel lang en is heel moeilijk.

De test wordt afgenomen in februari en duurt ongeveer 90 minuten, maar het kan ook in twee stukken.

Het is niet de bedoeling om te testen of kleuters heel goed, redelijk goed of goed zijn. Wel om na te gaan voor welke kleuters er dingen in de gaten moeten worden gehouden. Omdat dus ook de zwakpresterende kinderen alle oefeningen moeten kunnen maken, is de toets relatief gemakkelijk. Dat is ook te zien ook aan de resultaten. 62 procent heeft een score boven de gemiddelde totaalscore.

4. Aan de resultaten kan je zien waarin je kind in het eerste leerjaar goed zal zijn.

Aan de hand van toeters worden geen uitspraken gedaan over de afzonderlijke deelvaardigheden.

We kunnen met toeters een beter zicht krijgen op mogelijke problemen in het eerste leerjaar, maar ze voorspellen slechts een beperkt deel van het leerproces. Er zijn nog heel wat andere factoren die ook een invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van leervaardigheden, zoals gezinsfactoren, de socio-emotionele ontwikkeling van het kind... Sowieso kunnen niet alle leerproblemen in het lager onderwijs voorspeld worden.

5. De resultaten worden uitgebreid met de ouders besproken.

Ouders krijgen geen inzage in de toetertesten. De totaalscore van hun kind wordt hen ook niet meegedeeld. Alleen wanneer het kind in de risicozone zit, wordt daarover met hen gepraat. Het is wel belangrijk dat ze zich niet ongerust gaan maken. In mei komt er een herkansing via de contrabastest en in drie maanden kan een kind een enorme evolutie doormaken.

MEEST RECENT