Het informantenbeheer van de Staatsveiligheid onder vuur

Het informantenbeheer van de Staatsveiligheid onder vuur

Het informantenbeheer van de Staatsveiligheid onder vuur

Print
3 MAART 2008 - De staatsveiligheid (SV) is alweer in opspraak. Ze had blijkbaar de Evergemse Marokkaan Abdelkader Belliraj als informant gerecruteerd. Belliraj wordt er in Marokko van verdacht leider te zijn van een terreurnetwerk en hij zou bovendien in België zes moorden hebben gepleegd. De hamvraag is nu: wist de SV van de activiteiten van Belliraj? Zo ja, waarom heeft ze dit dan niet gemeld aan het OCAD, het centrale antiterreurorgaan? Of wist ze van niets? En welke hypothese van de twee is nu het ergste? In ieder geval krijgt het Comité I, dat de inlichtingendiensten controleert, de opdracht om een en ander te onderzoeken.

De SV is de belangrijkste inlichtingendienst van ons land. Zij valt onder de minister van Justitie. Tussen 1831 en 30 november 1998 was er geen enkele wettelijke reglementering voor de manier waarop zij moest werken. Dat gold ook voor de informantenwerking.

Het is beslist niet de eerste keer dat de SV problemen kreeg met haar informanten. Toen de beruchte arbeidersrellen na 1886 voor het assisenhof kwamen, bleek dat hun aanstokers agenten van de SV waren. Ei zo na werd de dienst toen opgedoekt. Zo'n vaart zal het nu wellicht niet lopen.

In de jaren tachtig-negentig van de twintigste eeuw heerste er een opbod tussen informanten, die zich tegelijkertijd zowel tot de drie toenmalige politiediensten als tot de twee inlichtingendiensten wendden om te zien wie het meeste bood. Een wettelijke regeling was er toen nergens en dat leidde tot meerdere misbruiken en rechtszaken.

Einde 1998 kwam er een wet voor de SV. De dienst wilde toen zelf geen openbare wettelijke regeling voor de wijze waarop zij haar informanten beheerde. Dat beheer gebeurt momenteel door de mensen die werken op de buitendiensten van de SV. Zij moeten een interne richtlijn respecteren, die evenwel niet bekend wordt gemaakt. Er is dus niet geweten hoeveel informanten de SV heeft, noch wat de criteria zijn waaraan die moeten voldoen.

Veel vragen

Senator Hugo Vandenberghe (CD&V), lid van de parlementaire begeleidingscommissie van het Comité I hierover: "De lijst met informanten van de SV is absoluut geheim, omdat zij in extremistische milieus inlichtingen moeten inzamelen zonder dat van enig misdrijf sprake is. Dat is een groot verschil met de informanten van de politie, die inlichtingen verschaffen over gepleegde misdrijven of over criminele feiten die heel binnenkort gepleegd dreigen te worden. Er mag geen enkel risico zijn dat uitlekt wie informant van de SV is, zowel voor zijn eigen veiligheid als voor de mogelijke aanwerving van andere informanten in de toekomst. Wie zal nog informant willen worden als zijn naam bekend dreigt te worden?"

i>Senator Hugo Vandenberghe

"De zaak-Belliraj roept vele vragen op. Was de man vast ingeschreven als informant of speelde hij slechts occasioneel wat inlichtingen door? Wist men op centraal niveau van deze informant of niet? Hoeveel informatie heeft hij doorgegeven en wanneer? Werd hij betaald? Was hij al terrorist voor hij informant werd of is hij het later geworden? Was hij misschien een dubbelspion die foute informatie aan onze SV doorspeelde en zo ja, wanneer is dat begonnen en waarom? Dat weten we allemaal nog niet. En de samenwerking tussen België en Marokko loopt naar verluidt niet makkelijk. Daarom moeten we nu nog voorzichtig zijn met conclusies, het Comité I moet een onderzoek doen".

De reden voor zoveel geheimzinnigheid ligt gedeeltelijk in het feit dat de informatie van de SV soms ook uit het buitenland komt, bv. van een buitenlandse geheime dienst, zoals de CIA of MI5 of van een informant die zowel voor onze SV als voor die buitenlandse dienst werkt. Die buitenlandse diensten eisen dat hun informatie aan niemand anders wordt doorgespeeld. Rond deze regel was in 2006, toen het OCAD werd opgericht, veel te doen. Het OCAD is het centrale antiterreurorgaan waaraan de politiediensten, de douane, enkele ministeries en de veiligheidsdiensten alle informatie over terrorisme en extremisme moéten melden. Wie dat niet doet, kan hiervoor gestraft worden met 6 maanden cel en 2.750 euro boete. De toenmalige baas van SV, Koen Dassen, verzette zich met hand en tand tegen deze verplichting omdat hij vreesde dat de CIA en MI5 geen informatie meer zouden willen doorgeven aan de SV, als zoveel instellingen ze zouden kunnen kennen. Maar tot voor kort waren er hiermee niet veel problemen, zo wees het allereerste onderzoek van het Comité I over OCAD uit.

Bijkomend punt is dat ondertussen de werking met informanten bij de politiediensten wél wettelijk is geregeld door de BOM-wet (Wet op de Bijzondere Opsporingsmethoden, nvdr). Sinds 2003 zijn er bij de politie officiële informantenbeheerders, die verantwoording verschuldigd zijn aan het parket. Iedere informant moet minstens door twee politiemensen gekend zijn. Hij mocht tot 19 juli 2007 zelfs kleine criminele feiten plegen met toestemming van het parket. In 2004 betaalde de politie 500 informanten uit voor hun diensten. Dankzij hun klikwerk werden 961 boeven gearresteerd, 229 auto's in beslag genomen, 3 miljoen xtc-pillen en 328 kilo harddrugs onderschept.

De SV dringt al jaren aan op een soortgelijke wet als de BOM-wet (maar dan niet voor de informantenwerking!), zodat zij net als de politie telefoons kan afluisteren en in huizen van burgers kan binnendringen. Want nu kan ze dat niet en daardoor is de Belgische staatsveiligheid ernstig gehandicapt in de strijd tegen het terrorisme in vergelijking met haar buitenlandse collega's. Vooral de PS lag jaren dwars, maar ging begin 2007 toch akkoord. Er kwam net voor de ontbinding van het parlement een ontwerp van BIM-wet (Wet op de Bijzondere Inlichtingenmethodes, nvdr), maar die wet is er nog altijd niet. Vandenberghe: "Minister van Justitie Jo Vandeurzen werkt ze nu opnieuw uit. In het ontwerp van paars werd over informanten niets gezegd. Misschien moeten we hun statuut tijdens de debatten over de BIM-wet mee bekijken".


Jo Vandeurzen, minister van justitie

Wat is de staatsveiligheid?

De SV is België's bekendste inlichtingendienst. Ze valt grotendeels onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. Ze zamelt inlichtingen in over al wat de veiligheid van de staat bedreigt: moslimfundamentalisten, antiglobalisten, extremisten van rechts en links. Ze speurt naar sekten en criminele organisaties en naar de mogelijke verspreiding van gevaarlijke wapens die aanslagen kunnen veroorzaken. Ze onderzoekt ook de economische spionage (zoals die bij Lernout & Hauspie) en voert veiligheidsonderzoeken uit voor mensen die bv. bij de Navo of andere gevoelige instellingen willen gaan werken: in 2004 werden zo 60.000 mensen gescreend. Ze beschermt - in opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken - hooggeplaatste personen (staats- en regeringsleiders en hun familie). Maar van die taak wilde paars haar ontlasten, na de problemen in de zaak-Erdal. De SV vindt zelf ook dat deze bescherming meer een echte politietaak is. Maar tot een wetswijziging kwam het voorlopig niet.

Hoe werkt de SV? Ze maakt financiële analyses, bestudeert pamfletten en boeken, volgt vergaderingen van extremistische groepen en gaat na hoe groot hun actiekracht is. Ze kan daarvoor een beroep doen op alle openbare bronnen en ook op informanten. De SV is géén politiedienst, ze doet geen gerechtelijke onderzoeken en verricht geen aanhoudingen. Ze mag geen telefoons afluisteren. Naar schatting 500 mensen werken op de SV.

Een beetje geschiedenis

Op 15 oktober 1830 werd Isidore Plaisant (sic) de eerste administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, die toen nog Openbare Veiligheid heette. Ze moest vooral orangisten opsporen, Belgen die aansluiting bij Nederland zochten.

Naarmate de negentiende eeuw vorderde, ging de Openbare Veiligheid alle buitenlanders in kaart brengen. De politie moest vanaf 1840 dagelijks een lijst van gegevens over iedere buitenlander op het grondgebied bezorgen (biografie, financiën, activiteiten). In die periode stroomden vele vluchtelingen België binnen, onder hen Karl Marx. De arbeidersbeweging en de Vlaamse beweging waren twee andere interessepunten van de Openbare Veiligheid. Omdat ze sinds haar ontstaan een personeels- en geldtekort had, deed ze veel een beroep op informanten. Maar die namen het niet zo nauw met de deontologie. Toen de beruchte arbeidersrellen na 1886 voor het assisenhof kwamen, bleek dat hun aanstokers agenten van de Staatsveiligheid waren. Ei zo na werd de dienst opgedoekt.

In 1929 kreeg de dienst zijn nieuwe naam, maar hij bleef op dezelfde schimmige wijze werken als voorheen. Er was nog altijd geen wettelijke regeling, hoewel die al in 1830 als 'hoogst dringend' was aangekondigd. Op het einde van de vorige eeuw kwam die er toch: in 1991 ontstond het Comité I, dat de Staatsveiligheid parlementair zou controleren, in 1998 - na 167 jaar - kwam er een wet op de Staatsveiligheid. De dienst kreeg meerdere officiële taken: inlichtingen inzamelen en analyseren over subversieve en extremistische groepen, maar ook de organisatie van de beveiliging van staatshoofden en regeringsleiders, de strijd tegen de economische spionage.

De Staatsveiligheid werd recentelijk geconfronteerd met nieuwe uitdagingen: de sekten en de bescherming van onze economische en wetenschappelijke instellingen. Dit laatste werd erg actueel naar aanleiding van het wereldwijd afluistersysteem Echelon dat ook bij ons economische geheimen kwam lospeuteren en naar aanleiding van Lernout en Hauspie, waar de VS wel bijzonder veel interesse betoonden voor de nieuwe spraaktechnologie.

Maar de Staatsveiligheid kwam pas echt in beeld na de terreuraanslagen van september 2001. De dienst werd toen door het Comité I verweten dat hij uit overdreven politieke correctheid het moslimfundamentalisme niet voldoende ernstig nam. Dat standpunt werd in 2006 nog bevestigd in een analyse die het Comité I maakte van de opvolging van het Putse koppel Sayadi-Vinck, dat van hulp aan Al-Qaida werd verdacht. Niet alleen kwam toen pijnlijk de strijd tussen de Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst naar buiten, ook werd nog maar eens duidelijk gesteld dat de Staatsveiligheid toch wel wat te laks was inzake moslimfundamentalisme. Wat in Antwerpen nog eens werd onderstreept toen de dienst aan het OCMW moest gaan vragen welke Pakistaanse steuntrekkers precies afreisden naar hun thuisland, de bakermat van fundamentalisme: de Staatsveiligheid wist dat niet.

.

Nu in het nieuws