Gansrijden en kroeglopen hebben veel gemeen

Print
Een gansrijder zul je in het woordenboek vergeefs zoeken, maar aan zijn activiteit besteden zowel Van Dale als Verschueren gelukkig wel aandacht. Wát ze erover zeggen, is evenwel vatbaar voor enige discussie.
BR>
Gansrijden, zegt de Dikke, is 'te paard gezeten gansknuppelen of -trekken'. Dat vraagt uiteraard om meer uitleg, maar die krijg je ook. Ganstrekken, legt Van Dale geduldig uit, is 'het volksvermaak beoefenen waarbij de spelers, hetzij te paard, in een wagen ofwel op schaatsen rijdend, hetzij lopend of varend, de met vet besmeerde kop van een aan de poten opgehangen gans proberen af te trekken'. En gansknuppelen, met als varianten gansslaan en ganssabelen, is '(te paard of te voet) de kop van een aan de poten of in een korf opgehangen gans proberen af te knuppelen (als volksspel)'. Ten overvloede verwijst het woordenboek naar de gewestelijke varianten gentrijden, genttrekken, gentsabelen enzovoort, waarin 'gent' een mannetjesgans is.

Vreemd genoeg is de Nederlandse Van Dale beter geïnformeerd dan de Vlaamse Verschueren. Dit 'Groot encyclopedisch woordenboek' ging er in zijn tiende editie (1995) al van uit dat gansknuppelen, gansrijden, ganssabelen, gansslaan, ganstrekken uitgestorven bezigheden waren. Al die werkwoorden slaan volgens Verschueren op 'oude volksvermaken waarbij de spelers te paard of te voet de (met zeep besmeerde) kop van een aan de poten opgehangen gans eraf moesten (sic!) knuppelen, slaan, trekken enz.'.

De twee woordenboeken mogen dan van mening verschillen over het vet of de zeep, ze zijn het er wel over eens dat de werkwoorden gansrijden, ganstrekken enz. alleen 'in de onbepaalde wijs' mogen worden gebruikt, waarmee ze bedoelen dat je ze niet kunt vervoegen. Gansrijden behoort dus tot dezelfde categorie werkwoorden als buikspreken (ik spreek buik?!) en, met excuus voor de vergelijking, kroeglopen (ik heb gekroeglopen?!).

Voor dergelijke werkwoorden bestaan in principe wel regels. Als de ik-vorm uit twee delen bestaat (ik draaide proef), krijgt het voltooid deelwoord de -ge- tussen de twee delen (ik heb proefgedraaid). Bestaat de ik-vorm uit één deel (ik stofzuig), dan krijgt het voltooid deelwoord de ge- vooraan (ik heb gestofzuigd). Maar zowel 'ik gansrijd, ik heb gegansreden' als 'ik rijd gans, ik heb gansgereden' wringen. En daarom gebruik je bij voorkeur een omschrijving: liever 'hij is de beste in het gansrijden' dan 'hij gansrijdt het best' of 'hij rijdt het best gans'.

Paul JONNET
MEEST RECENT