AEL-kopstukken krijgen één jaar cel voor opjutten tot rellen

AEL-kopstukken krijgen één jaar cel voor opjutten tot rellen

AEL-kopstukken krijgen één jaar cel voor opjutten tot rellen

Print
Dyab Abou Jahjah, voormalig federaal voorzitter van de Arabisch-Europese Liga in België, Nederland en Frankrijk, en zijn Antwerpse helper, Ahmed Azzuz, voormalig voorzitter van de AEL in België, kregen op 21 december 2007 elk een jaar effectieve celstraf van de Antwerpse rechtbank omdat ze op 26 november 2002 rellen hadden uitgelokt na de moord op islamleraar Mohamed Achrak.
BR> Hoewel ze zelf - buiten het aanstoken - geen enkel ander crimineel feit pleegden, moeten ze de kosten van de vernielingen betalen.

Op 26 november 2002 braken op de Turnhoutsebaan in Borgerhout rellen uit nadat Mohamed Achrak, een islamleraar, was neergeschoten door een buurman. Een groep allochtonen dacht dat het om een racistische moord ging, terwijl de dader geestesgestoord was. Dat foute idee leidde tot rellen, waarbij winkelruiten sneuvelden, auto's werden beschadigd, politieagenten en voorbijgangers werden gemolesteerd en de Turnhoutsebaan werd bezet. Het parket vervolgde Abou Jahjah, Azzuz en ook penningmeester Youssef Rahimi van de AEL omdat ze hadden opgejut tot de rellen. De rechter sprak de laatste vrij, omdat die alleen maar Abou Jahjah had opgebeld met de boodschap dat er rellen waren. Maar de rechtbank achtte de aanstoking bewezen voor de eerste twee.

Welke bewijzen vindt de rechtbank daarvoor?

De rechtbank geeft toe dat Abou Jahjah er niet bij was toen de rellen uitbraken. Hij was toen op weg naar Brussel, maar hij werd teruggeroepen door Rahimi. Hij kwam ter plaatse en riep volgens een allochtone agent in het Arabisch tegen zestig personen rondom hem: "Allah is onze hoeder, de politie is de oorzaak van deze problemen, vecht terug". Ook was hij "verbaal agressief" tegen toenmalig politiecommissaris Luc Lamine en "dreigde hij met een onaangekondigde betoging van 10.000 man".
Op de VRT gaf hij "foute informatie over de moord en zegde hij uitdrukkelijk dat het niet zijn taak was de gemoederen te bedaren". De bodyguard van Abou Jahjah snoerde een oudere Marokkaanse man de mond, die de politie vroeg om het interview te doen stoppen met de woorden: "Die man (Abou Jahjah, nvdr) steekt Borgerhout in brand!". Lamine zelf heeft in een proces-verbaal verklaard dat Abou Jahjah de menigte ophitste.


Luc Lamine in gesprek met Abou Jahjah

Azzuz is schuldig om meerdere redenen. Onder andere omdat hij op televisie zijn ongenoegen uitte "over het gedrag van de politie en het gerecht". Hij zegde: "Ze zullen de dader geestelijk gestoord verklaren zodat hij de gerechtelijke dans ontspringt. Het conflict tussen slachtoffer en dader was al langer gekend en de politie greep niet in".


Ahmed Azzuz


De rechtbank vervolgt: "Door die ongenuanceerde uitspraken voor het grote publiek voelden de jongeren zich gesterkt om verder te gaan in hun verzet tegen de politie. Toen de politie in dialoog wilde treden met de opgehitste jongeren, trok Azzuz de jongeren weg".

"Azzuz en Jahjah hadden een groot moreel gezag, ze konden ervoor zorgen dat de gemoederen bedaarden en dat de agressie niet escaleerde, maar ze goten olie op het vuur. De rechtbank heeft begrip voor de verontwaardiging van de moslimjongeren, ze begrijpt dat ze op straat wilden komen om hun ongenoegen te uiten. Maar dit mocht niet uitmonden in een veldslag met een ware ravage tot gevolg. Abou Jahjah en Azzuz speelden een grote rol bij het keren van de gemeenschappelijke woede tegen de politie en het escaleren van agressie gevolgd door baldadigheden. Azzuz en Abou Jahjah maakten misbruik van hun leiderschap en hebben daardoor vele onschuldige burgers benadeeld".

Ze moeten alle schade (5.109 euro) vergoeden aan de verzekeringsmaatschappij Ethias. De onmiddellijke aanhouding werd niet gevraagd, zodat Azzuz en Jahjah voorlopig nog in vrijheid blijven. Er is al beroep aangetekend.

De uitspraak roept meerdere vragen op.

1. De rechtbank ging niet in op een reeks argumenten die de verdediging had aangevoerd. Zowel Abou Jahjah als Azzuz ontkenden dat ze de gemoederen hadden opgehitst, ze beweren dat ze die net hebben gekalmeerd. Maar die visie veegt de rechtbank gewoon van tafel.

Mr. André De Becker stelde voor Abou Jahjah dat Luc Lamine zijn visie had herzien. Lamine had in een interview in het weekblad Humo verklaard dat Abou Jahjah de gemoederen precies kalmeerde. De Becker vroeg om Lamine te horen als getuige, maar de rechtbank stond dat niet toe met het argument dat een verklaring in een proces-verbaal zwaarder weegt dan een verklaring in een weekblad. Dat is ongetwijfeld juist, maar toch geen argument om Lamine niet te horen. Zou de rechtbank zo'n redenering ook handhaven als iemand diefstallen of gewelddaden ontkent in een proces-verbaal en ze later toegeeft in een interview nadat het onderzoek is afgesloten, maar vooraleer de zaak voor de strafrechter komt? De vraag stellen is ze beantwoorden. Overigens bleek uit niets op de rechtszitting of het vonnis dat getuigen zoals journalist Jef Lambrecht, die toen op de radio verklaarde dat de beklaagden de gemoederen juist wilden bedaren, werden gehoord.

Tegen het argument van de verdediging dat Abou Jahjah de jongeren in het Arabisch ophitste, voerde De Becker aan dat dit niet kon omdat de jongeren die aan de rellen deelnamen geen Arabisch verstonden, maar alleen Berbers of Nederlands. Hierop antwoordt de rechtbank niet.

De rechtbank zou een veel sterker vonnis hebben kunnen vellen als ze op deze argumenten had geantwoord.

2. De zaak wordt niet gecontextualiseerd. In de periode van de rellen heerste een ware vijandschap tussen de AEL en de politie. De AEL volgde politieploegen met fotoapparaten om vermeend racistische interventies van de agenten vast te stellen. De AEL werd er door de politie van beschuldigd een "privé-militie" te zijn. Het parket vervolgde ook voor dat misdrijf, maar kon het niet hard maken. In de bewuste periode heerste een verwrongen klimaat rond de AEL, ook in de politiek.


Rellen in Borgerhout


Op 29 november 2002 kondigde premier Verhofstadt de nakende aanhouding van Abou Jahjah zelfs aan, wat ernstige vragen deed rijzen over de scheiding der machten. Verhofstadt zei in de Kamer dat de AEL "tot doel heeft om wijken af te sluiten voor de politie zodat de criminele activiteiten in die wijken kunnen voortgaan". Een betichting die later niet hard gemaakt kon worden. Verhofstadt noemde de AEL uitdrukkelijk "een criminele organisatie", een betichting die het parket later evenmin hard kon maken.
Minister van Binnenlandse Zaken Tony Duquesne (MR) zei dan weer dat "Abou Jahjah tot drie keer toe opriep tot geweld". Duquesne achtte het misdrijf "aanzetten tot geweld" dus al bewezen, nog voor er een rechtszaak was. De vraag rijst of beide uitspraken het vermoeden van onschuld niet schenden. Op 10 februari 1995 veroordeelde dat Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg Frankrijk in de zaak-Allenet de Ribemont. Deze man was door de minister van Binnenlandse Zaken Poniatowski openlijk beschuldigd van moord op een oud-minister vlak voor de woning van Allenet. De man werd aangehouden, en daarna legde de Franse minister zijn verklaring af. Nog later werd Allenet buiten vervolging gesteld. Straatsburg veroordeelde Frankrijk want "het vermoeden van onschuld moet niet alleen gerespecteerd worden door rechters, parketmagistraten en speurders, maar ook door leden van de uitvoerende macht". In de AEL-zaak rijst minstens twijfel terzake.

Wanneer de AEL-zaak gecontextualiseerd wordt, krijgt men een ander beeld en die contextualisering is nuttig om - bij veroordeling - de strafmaat te individualiseren. De rechtbank doet niets van dit alles.

3. De AEL-kopstukken worden vervolgd op grond van artikel 66,5 van het strafwetboek. Dat straft iedereen die rechtstreeks een misdrijf heeft uitgelokt met dezelfde straffen als die van het misdrijf, zelfs als die aanzetting geen enkel gevolg had. Je moet dus zelf niéts doen, behalve opjutten. Het parket somt ook de misdrijven op waartoe de AEL-kopstukken zouden hebben aangezet (weerspannigheid aan de politie, vernielen van auto's en bushokjes, slagen, smaad, bedreigingen tegen de politie en omstanders...).

Het bewuste artikel 66,5 kwam in de strafwet na de grote arbeidersstakingen van 1886. Nogal wat progressieve liberalen en anarchisten met lange baarden preekten toen in hun salons de revolutie. Justitie vond dat zij ook moesten worden aangepakt. De wet was uitdrukkelijk bedoeld als een uitzonderingswet, die na drie jaar zou worden geëvalueerd. Dat gebeurde ook, maar het artikel bleef toch in de strafwet. Volgens de AEL is het artikel uitsluitend bedoeld om de arbeidersstrijd van de opkomende Belgische Werklieden Partij en van priester Daens te beroven van hun leiders, door ze te bestraffen. Het artikel wordt - volgens de AEL - nauwelijks toegepast, maar het Antwerpse parket beweert dat het artikel vaak wordt toegepast bij de strijd tegen het voetbalhooliganisme.

Het artikel roept vragen op in het kader van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Is een dergelijke vergaande inperking van de vrijheid van meningsuiting met al haar mogelijke gevolgen voor organisatoren van betogingen die later uit de hand lopen, wel echt noodzakelijk in een democratische samenleving? Is de formulering van de strafbaarstelling in dit artikel niet te ruim en te vaag, terwijl een strafwet toch precies moet zijn?

Volgens een actie van kunstenaars en filosofen (o.a. acteur François Beuckelaers, zanger Vuile Mong, filosoof Ludo Abicht en Guillaume Bijl) tegen dit artikel begin deze eeuw had men ook 'De Stomme van Portici' in 1830 kunnen verbieden als het artikel 66,5 toen had bestaan. Ook kan men Dario Fo vervolgen voor zijn stuk 'Wij betalen niet!', als een toeschouwer de volgende dag een warenhuisdiefstal pleegt. En men zou een fundamentalistische imam of iemand die via een website oproept tot moord op alle westerlingen, voor het assisenhof levenslang kunnen geven zonder dat er verder iets gebeurt. Zou zo’n extreme maximumstraf niet buiten verhouding zijn?


Ludo Albicht


Wat er ook van zij, hier is duidelijk werk aan de winkel voor de nieuwe minister van Justitie, Jo Vandeurzen (CD&V). Bij de geplande herziening van de strafmaten mag dit artikel wel eens grondig onder de loep worden genomen.

In het AEL-vonnis rijst bovendien een probleem van motivering. Het vonnis somt wel de vele misdrijven op waartoe Abou Jahjah en Azzuz zouden hebben opgeroepen, maar levert geen bewijs per misdrijf. Alleen een algemene oproep om zich te verzetten wordt vermeld als bewijs en dat wordt voldoende geacht. Het vonnis zegt bovendien wel uitdrukkelijk dat de beklaagden "een grote rol speelden" bij het keren van de gemeenschappelijke woede tegen de politie, "bij het escaleren van agressie" en ook dat de jongeren zich gesterkt voelden door de uitspraken van de beklaagden "om hun verzet tegen de politie verder te zetten", maar verduidelijkt niet dat de criminele feiten die de jongeren pleegden echt zijn uitgelokt door de beklaagden.
Het vonnis verduidelijkt m.a.w niet dat deze criminele feiten zonder de interventie van de beklaagden niet gepleegd zouden zijn. De vraag rijst of de Antwerpse strafrechtbank het artikel 66,5 niet wat te ruim heeft geïnterpreteerd. In België volstaat natuurlijk de innerlijke overtuiging van de rechtbank om een misdrijf bewezen te achten, maar toch lijkt de motivering van die overtuiging wat gebrekkig in dit geval.

4. Hoe men het ook draait of keert: in vergelijking met andere zaken tart de straf het rechtsgevoel. Eén jaar effectief is drie keer zoveel als wat karatespecialist Redouan S. als effectieve celstraf kreeg voor de dodelijke trap die hij aan Guido Demoor gaf tijdens het fameuze busincident.


Guido Demoor


Het is juist dat je deze zaken niet met elkaar mag vergelijken en dat de ene kamer van een rechtbank wat strenger mag zijn dan de andere. Maar in de ogen van de niet-juridisch geschoolde burger is het als vloeken in een kerk dat je drie keer zoveel cel krijgt voor het aanzetten tot een misdrijf waarbij auto's werden beschadigd, dan voor het plegen van een misdrijf waarbij - zelfs ongewild - een dode viel. Het toont aan dat er werk gemaakt moet worden van straftoemetingsrichtlijnen voor de zetelende magistratuur, zoals die in Nederland al vele jaren bestaan.


7 JANUARI 2008

MEEST RECENT