Slechte buurten leiden niet tot meer misdaad

Slechte buurten leiden niet tot meer misdaad

Slechte buurten leiden niet tot meer misdaad

Print
Slechte buurten leiden niet tot meer misdaad. Jongeren uit een slechte buurt plegen niet meer misdrijven dan jongeren met dezelfde kenmerken uit een goede buurt. De Antwerpse Chicagoblokken zijn géén getto, want in België bestaat geen getto-effect. Dat blijkt uit onderzoek van de Gentse criminoloog Lieven Pauwels, dat hij vrijdag voorstelde in de Antwerpse politieschool. Hij besluit dat niet de buurt, maar de normen en waarden van de jongere bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of hij crimineel wordt of niet.
BR>
"Als klein jongetje liep ik wel eens langs de Chicagoblokken op de Antwerpse Linkeroever, en dan dacht ik: 'Dat moet toch erge gevolgen hebben, als je daar opgroeit'", zo begon Lieven Pauwels zijn uiteenzetting op een studiedag in de Antwerpse politieschool. Een algemeen bekend idee wil inderdaad dat 'slechte buurten', zoals de Chicagoblokken en de Seefhoek, de criminaliteit bevorderen, omdat een goede, hechte buurt zonder problemen, dé voorwaarde is om geen misdaad te kweken. Maar toch blijkt dat niet zo te zijn.

Lieven Pauwels onderzocht het probleem in Antwerpen, waar hij 2.486 jongeren van 14 jaar in 23 scholen bevroeg en waar hij de jeugdcriminaliteit per buurt bestudeerde op basis van politiecijfers.

Uit het onderzoek blijkt dat buurten met veel werkloosheid ook gemiddeld meer delinquente jongeren hebben, maar de buurt zelf heeft er niets mee te maken. Er is wel een samenhang tussen beide (slechte buurt en criminaliteit), maar het ene (de slechte buurt) is geen oorzaak van het andere (de criminaliteit).

Lieven Pauwels: "Verspreid al de bewoners van een slechte buurt over goede buurten in de stad en de criminaliteit zal niet dalen. De buurt op zich veroorzaakt geen misdaad, in België bestaat geen getto-effect, zoals we dat in sommige wijken in de de VS wél hebben omdat de verschillen tussen arm en rijk daar véél groter zijn, de buurten veel afgeslotener zijn en je daar geen sociale vangnetten hebt zoals werkloosheidsuitkeringen en de sociale zekerheid."

De Gentse criminoloog ging na wat de oorzaak van die jeugddelinquentie is. Om te weten of de buurt daarbij een eigen rol speelt, moet je eerst het verband onderzoeken tussen allerlei demografische kenmerken van mensen die in die buurt wonen (geslacht, etnische afkomst en inkomen) en de criminaliteit. Maar ook die kenmerken speelden nauwelijks een rol. Dan toch maar de buurt? Nee, want die verklaarde op zich ook maar 1% van de criminaliteit en dat betekent dus helemaal niets.

Wat veroorzaakt dan wel de misdaad? Voor Lieven Pauwels is het duidelijk: de normen en waarden van de jonge crimineel en het gebrek aan controle van gezin en school. "Wie uit zichzelf tolerant is voor misdaad én wie in zijn gezin niet gecontroleerd wordt en ook losse banden met de school heeft, zal eerder crimineel gedrag ontwikkelen dan iemand anders. Die jongeren zijn het meest vatbaar voor slechte vrienden, vertonen rondhanggedrag en alcohol- en drugsgebruik. En deze laatste drie elementen van hun levensstijl zijn erg gelinkt aan criminaliteit".

Lieven Pauwels beklemtoont dat onderzoekers ook in andere West-Europese landen geen verband kunnen vinden tussen de aard van de buurt en de criminaliteit, maar voor de andere staten is nog meer onderzoek nodig. Het heeft volgens hem geen zin om de criminaliteitspreventie te richten op de kwaliteit van de buurten, want dat zal de misdaad niet doen dalen.
"Misdaadpreventie moet zich richten op de socialisatie in het gezin, op het bijbrengen van normen en waarden in het gezin en op school", zo stelde hij vrijdag.

Hij weerlegde daarmee de kritiek dat de socialisatie in de moderne maatschappij vooral gebeurt door de media, de reclame, de computerspelletjes en het internet, zoals progressieve sociologen zoals bijvoorbeeld Mark Elchardus suggereren. "Het contact met die media komt later, als het gezin zijn invloed al gehad heeft".

Maar als de aard van de buurt de misdaad niet bevordert, waarom wonen er dan zoveel delinquente jongeren in 'slechte' buurten? De onderzoeker is daarover duidelijk: "Dat ligt onder meer aan de huisvestingsmarkt. Armere mensen moeten nu eenmaal meer een beroep doen op goedkopere woningen, en die vind je meer in armere buurten. In arme gezinnen heb je bovendien een beetje minder controle op de kinderen dan in rijke gezinnen. Als de huisvestingsmarkt die armeren allemaal bijeenbrengt in één wijk, wordt dat effect van de mindere controle enorm uitvergroot en lijkt het of de buurt criminaliteit veroorzaakt. Maar dat is schijn. De interne controle in het gezin en op school zijn wel degelijk de doorslaggevende factoren."


Antwerpse Chicagoblokken


Nederlands onderzoek

Gus Weijters van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC, de studiedienst van het Nederlandse Ministerie van Justitie) pleitte vrijdag voor meer controle op en hulp aan eenoudergezinnen. Hij verrichtte soortgelijk onderzoek als dat van Lieven Pauwels in diverse Nederlandse steden. Ook hij stelde vast dat de buurt waarin iemand woont geen criminaliteitsveroorzakende factor is, maar de stad is dat wel. Hij ging na waarin steden dan verschillen.

Gus Weijters constateerde dat het gemiddelde inkomen van een stad en het percentage allochtonen in die stad, géén verband hebben met de misdaad daar. De veel gehoorde stelling 'hoe meer allochtonen in een stad of wijk, hoe meer criminaliteit' is volgens zijn onderzoek fout.

Wat veroorzaakt dan wel het verschil tussen de steden? Het aantal eenoudergezinnen. Hoe meer eenoudergezinnen, hoe meer delinquente jongeren. Ook daar is het gebrek aan controle op die jongeren belangrijk.

De Nederlandse onderzoeker vond in zijn studies bovendien toch wél een beperkt, maar onrechtstreeks verband tussen criminaliteit en buurt. "In betere buurten remmen een goede relatie tussen de jongere en zijn ouders én goede schoolprestaties, de misdaad meer af dan in slechtere buurten. En in de minder goede buurten is de interne controle van de jongere (door het geweten en de morele waarden van de jongere zelf, red.) belangrijker om niet in de misdaad terecht te komen dan in betere buurten. Maar over het algemeen heeft de buurt geen bepalend effect op de jeugddelinquentie."

Weijters gaf de beleidsmakers vrijdag als belangrijkste advies mee: "Doe iets aan die eenoudergezinnen." Hij suggereerde dat de wijkpolitie daarop best een oogje in het zeil houdt. Die moet nagaan of de kinderen uit die gezinnen nog wel voldoende gecontroleerd worden en schoollopen.

Diane Reynders, de grote baas van de (Belgische) Dienst voor Strafrechtelijk Beleid, trok onmiddellijk de beleidsconclusies: "We moeten dus meer kinderopvang voor eenoudergezinnen uitbouwen en deze ouders meer ondersteunen in hun opvoedingsproces." Diane Reynders beklemtoonde dat de school een veel belangrijker doelwit van een beleid dat misdaad wil voorkomen, zou moeten zijn dan de buurt.

PAUWELS, L., Buurtinvloeden en jeugddelinquentie, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag, 2007, 247 p.

26 JUNI 2007

.

Nu in het nieuws