Verwee onderzoekt motieven van inbrekers

Verwee onderzoekt motieven van inbrekers

Verwee onderzoekt motieven van inbrekers

Print
De gelegenheid maakt de inbreker. Maar hij laat zich wel afschrikken door woningen met alarmsystemen of meerpuntsloten. Dat blijkt uit een kwalitatief onderzoek van Isabel Verwee (Vrije Universiteit Brussel), dat vrijdag 22 juni werd voorgesteld op de Antwerpse politieschool. Zo'n onderzoek is heel uitzonderlijk.
BR>



Verwee ging praten met 56 inbrekers in vier gevangenissen (Gent, Oudenaarde, Doornik en Lantin) en vroeg hen naar hun opvattingen. Meestal gaat het om recidivisten, 80% is Belg, maar er wordt niet geregistreerd op ethnische afstamming. 43% was tussen de 26 en de 30 jaar.

Waarom doen ze het?

Verwee ging eerst en vooral het motief van inbrekers na. Dat leverde een aantal fraaie verhalen op, waarbij de inbreker zelf zelden schuld heeft aan de feiten. 45% wijt de inbraken aan zijn verleden: ze hadden geen job, ze werden na een celstraf op straat gezet zonder geld, hun relatie was stuk gelopen... 42% zegt het geld nodig te hebben om drugs te kopen en 38% is "meegesleept door de groepsdruk van anderen" of deed het uit "altruïstische motieven" ("om mijn broer uit de problemen te helpen"). Toch nog een derde wilde vooral "een luxeleventje leiden".

Waar leren ze het?

Een op de vier daders vindt inbreken "een beroep". Ze starten als minderjarige, ze leren het op straat, in opvoedingsinstellingen en in de bajes. 37% werkt in kleine groepjes van twee tot drie personen, meestal familie of vrienden. Maar later werkt de inbreker steeds meer alleen, omdat de buit dan niet verdeeld moet worden. Volgens de daders is het spotgemakkelijk om in te breken omdat vele mensen heel nonchalant zijn: ze laten hun vliegenraam op de eerste verdieping instaan, ze doen hun achterdeur niet op slot, ze verstoppen de sleutel onder een bloempot.

De inbrekers kunnen ook heel moeilijk stoppen met hun 'vak' omdat het geld uit de inbraken snel en simpel verdiend is en omdat de kans op slagen van een inbraak erg groot is en de pakkans erg gering.

Deontologische code

De inbrekers beweren dat ze een deontologische code hanteren. Zo zeggen ze niet in te breken bij familie en vrienden, maar wél bij de rijken (notarissen, advocaten, dokters), niet bij arbeiders of werklozen (omdat ze vinden dat ze bij die groep thuishoren), niet bij bejaarden (omdat de kans dat die thuis zijn en er geweld van komt te groot is en bij geweld verzwaart de straf). Ze beweren ook dat ze niet inbreken als de mensen thuis zijn. Dit is volledig in tegenspraak met de praktijk.

Waar breken ze in?

49% doet het in de eigen buurt omdat ze die het best kennen, omdat ze weten waar de politie zit en wat de vluchtwegen zijn en omdat het transport van de goederen niet lang duurt. Ze kiezen hun huis in functie van de moeilijkheidsgraad. Daders zeggen dat ze willen inbreken bij mensen die afwezig zijn en 75% zegt geweld te willen vermijden, maar toch breekt 68% 's nachts in (als iedereen thuis is) en toch is bijna iedereen van de ondervraagden veroordeeld voor inbraak met geweld.

Een alarm schrikt 47% af, net als glurende buren en meerpuntsloten: het duurt te lang om ze allemaal open te krijgen.

De meerderheid van de inbrekers komt via de achterdeur binnen, maar bijna 30% zegt dat hij al via openstaande deuren en venster binnengeraakte. De inbraak duurt meestal amper een kwartiertje en de dader gaat doorgaans rechtstreeks naar de slaapkamer (31%) en snuffelt verder in de salon (26%) en het bureau (14%).

De buit is geld, goud en juwelen. Die buit bedraagt maximum 5.000 euro en de boeven zeggen dat ze haar ten hoogste vijf dagen in huis houden, tenzij ze voor eigen gebruik is. In die tijd moet de buit verpatst zijn, in België of naar onze buurlanden.

Kritiek

De studie werd vrijdag flink becritiseerd.

Eerst en vooral door ander onderzoek van Edward Kleemans (WODC, de studiedienst van het Nederlandse ministerie van Justitie). "De Belgische daders zeggen dat ze vooral inbreken bij notarissen, advocaten en in rijke villa's, ze zouden dat niet doen bij arbeiders en werklozen omdat ze zich daarmee identificeren. Zoiets zeggen ze allicht tegen een mooi jong meisje, maar het is niet juist. Daders blijven zeer dicht bij huis, ze zijn lui en de buit is overal te halen. Geld vind je overal en gsm's en plasmaschermen eveneens. Vooral arme mensen zijn het slachtoffer van inbrekers. Mensen die dicht bij de daders wonen - en inbrekers wonen in arme buurten: dat stelt de criminologie al 150 jaar lang vast - lopen de meeste kans op een inbraak. En uitgerekend deze slachtoffers hebben het minste geld om hun woning te beveiligen. Opmerkelijk is daarbij dat slachtoffers van een inbraak liefst veertien keer meer kans lopen op een nieuwe inbraak dan andere personen. Het klinkt gek, maar de dader kent de weg en hij komt terug."

Omdat de inbrekers vaak via tips weten waar er geld te rapen valt, is het belangrijk om wat minder over je huis te zeggen tegen anderen. Want het zijn bekenden die de inbreker inlichten.

Bedekte kritiek was er ook van één van de medeauteurs, professor Paul Ponsaers. Die stelde dat de studie slechts een heel beperkt staal van inbrekers bevat, nl. zij die gevat zijn. Een deel van de inbraken wordt niet aangegeven en minstens de helft van de inbrekers wordt niet gevat. En van die laatste groep komt naar schatting slechts 2 tot 3% in de bajes terecht. Het onderzoek gaat slechts over die heel beperkte groep. Het belicht bovendien vooral de groep van de ouderwetse, individuele inbrekers, niet de rondtrekkende daderbendes, die afkomstig zijn uit het Oostblok.

Ponsaers hekelde een beleid dat zo weinig aandacht schenkt aan het ophelderen van inbraken. "De politie vindt iedere inbraak de zoveelste op rij, maar ze zou er minstens evenveel aandacht aan moeten besteden als het slachtoffer zelf. Ook de gewone inbraken moeten een prioriteit van het beleid worden".

Diane Reynders, de grote baas van de Dienst voor het Strafrechtelijk beleid, gaf Ponsaers gelijk, maar wees erop dat niet alles een prioriteit kan zijn. "Men moet het prioriteitenschema herdenken en niet na ieder media-incident uitbreiden", zo stelde zij.

VERWEE, I., Inbreken is mijn vak, Boom Juridische Uitgevers, Den Haag, 2007, 207 pagina's

26 JUNI 2007

.

Nu in het nieuws