Inlichtingendiensten kunnen moslimextremisme nog altijd niet opvolgen

Print
De inlichtingendiensten hebben nog altijd geen kwantitatieve analyse gemaakt van de islamistische radicalisering in ons land: ze weten dus niet hoe groot die is. Er is - ondanks herhaalde pleidooien - ook nog altijd geen onderzoek naar de oorzaken en de evolutie van dit extremisme. De veiligheidsdiensten hebben er geen tijd en personeel voor. Dat is de belangrijkste conclusie uit een omvangrijk rapport van het Comité I, dat de inlichtingendiensten controleert, over het moslimextremisme. Het rapport werd vrijdag voorgesteld in de Senaat.
BR>
Het nieuwe rapport is een opvolging van een eerder verslag dat in 2002 werd uitgebracht door het Comité I, dat toen anders was samengesteld. Het rapport moest toen absoluut geheim blijven, maar in het nieuwe rapport worden grote delen van de theoretische analyse uit het eerste "geheime" rapport overgenomen. Wat zijn de belangrijkste punten uit dit nieuwe rapport?

* Het rapport stelt vast dat de twee inlichtingendiensten (staatsveiligheid en de militaire veiligheidsdienst, ADIV) nu - in tegenstelling tot in 2002 - "heel goed samenwerken en dat ze een goede theoretische kennis hebben van het islamisme (moslims die een islamitische-staat-met-sharia willen vestigen, nvdr)". Maar omdat het communautarisme (het zich terugplooien in een eigen klein clubje, nvdr) groeit, is het moeilijk om broeihaarden van extremisme op te sporen. De opjutterij gebeurt niet meer hoofdzakelijk in moskeeën of scholen, maar vooral in besloten garages, kelders, appartementen of via het internet en dat kan moeilijk gecontroleerd worden.

* De staatsveiligheid schat het aantal moslimextremisten op hooguit 2% (8.000 personen) van de moslimbevolking (403.000 personen). Deze schatting is een extrapolatie op basis van het aantal veroordelingen voor terrorisme in België.

Dat cijfer is laag voor wie weet dat in Groot-Brittannië vier op de tien Britse moslims de sharia willen invoeren en dat één op de vijf zegt te sympathiseren met de zelfmoordaanslagen in Londen. Nederlands onderzoek wijst evenwel uit dat bij onze noorderburen “slechts” 2% zich "achter de gevaarlijkste vormen van het radicalisme schaart".

Het cijfer van 2% is des te lager, wanneer je het - zoals het Comité I met een verwijzing naar Maly en El Shiar, twee professoren van de Universiteit van Amsterdam, doet - vergelijkt met het succes van het Vlaams Belang, dat met een derde van de stemmen in Antwerpen volgens de staatsveiligheid ook “extremistisch” is.

Het weze gezegd dat het Comité I, dat in zijn rapport bij herhaling waarschuwt voor amalgamen en voor stigmatisering van moslims, in het cijfermatige onderdeel van zijn verslag ook niet steeds nauwkeurig is met zijn begrippen. "Extremisme", "radicalisme", "de gevaarlijkste vormen van radicalisme", "cijfers over extremisme geëxtrapoleerd op basis van veroordelingen voor terrorisme", "radicale middelen (welke?, nvdr) gebruiken": het staat allemaal door elkaar in enkele paragrafen. Dat bevordert de duidelijkheid zeker niet en evenmin de vergelijkbaarheid van het verschijnsel in de verschillende Europese landen.

Merkwaardig is voorts dat het Comité I, dat een groot stuk van zijn rapport steunt op krantenartikels, geen kennis heeft genomen van het eerste grote representatieve onderzoek onder de moslimbevolking in Antwerpen, nl. het onderzoek van Gazet van Antwerpen. Daarin werden ook vragen gesteld over extremistische standpunten op bepaalde domeinen. Dit is toch wel een heel merkwaardige lacune.

Uiteindelijk blijft het percentage een schatting, want een degelijk kwantitatief onderzoek over de grootte van het moslimextremisme in België en van de evolutie daarvan is er niet. Dat laatste klaagt het Comité I ook aan.

* De staatsveiligheid mag van de minister van Justitie Laurette Onkelinx (PS) geen lijst van imams opstellen, ook niet van de niet-erkende imams. Dat zou "fundamenteel discriminerend zijn tegenover de andere erediensten en in strijd met de grondwet". De staatsveiligheid komt rond imams alleen tussen als die haar aandacht trekken door extremistische activiteiten. Maar ze heeft wel bijzondere aandacht voor buitenlandse predikers. Het Comité I betreurt dat de Dienst Vreemdelingenzaken (van Binnenlandse Zaken) de staatsveiligheid zelden om advies vraagt over extremistische vreemdelingen die België binnen willen. Dat zou wettelijk geregeld moeten worden, meent het Comité I.

* Het Actieplan Radicalisme van de regering, dat nooit mocht worden bekendgemaakt ondanks herhaaldelijk aandringen van parlementsleden, voorziet niet in een toezicht op radicale indoctrinatie in bepaalde religieuze scholen. De staatsveiligheid is nochtans ongerust over het extremistische profiel van sommige godsdienstleraars. De Dienst Vreemdelingenzaken zou ook hierover contact moeten nemen met de staatsveiligheid vooraleer buitenlandse extremistische leraars in België toe te laten.

* Een studie van mei 2005 in de twee Brusselse gevangenissen wijst uit dat de radicalisering van moslims in de gevangenissen "geen grote omvang aanneemt". In het buitenland is dat net omgekeerd. De auteur van de Belgische studie, een stagiair van Justitie, pleit voor een opleiding van de bewaarders in de Arabische cultuur, de islam en het radicalisme. Zo kunnen die cipiers religieuze geschillen matigen. De auteur stelt bovendien vast dat meer moslimconsulenten de religieuze radicalisering zouden afremmen. Ze zijn er dus niet de oorzaak van. Die oorzaak ligt bij sommige gedetineerden. Er moeten dus dringend meer moslimconsulenten komen. De auteur pleit ook "voor een grootschalig wetenschappelijk onderzoek" en in december 2005 kreeg professor Simon Peterman van het departement politieke (!) wetenschappen van de Universiteit van Luik die opdracht. Uit de eerste resultaten blijkt volgens minister van Justitie Onkelinx dat de radicalisering betrekking heeft op "een heel kleine groep". De studie zou moeten klaar zijn tegen einde april 2007 (!), maar pas sinds vrijdag weten we dat ze in de maak is.

* Het Comité I waarschuwt voor de radicalisering van een honderdtal jonge Belgisch-Marokkaanse gedetineerden in de Marokkaanse gevangenissen. Zij zouden er het mikpunt zijn van radicale predikers en kunnen volgens een rapport van het Ministerie van Buitenlandse Zaken "echte tijdbommen worden, eens ze bekeerd zijn tot de hardste islam en worden losgelaten in de natuur". Ze kunnen binnen 24 uur in België staan. Het Comité I wil dat die situatie serieus gevolgd wordt.

* Terwijl België vroeger geen doelwit van internationaal moslimterrorisme was, maar "slechts" de logistieke uitvalsbasis waar men voorbereidingen trof, is dat sinds enkele jaren veranderd. Tot op vandaag zijn drie islamistisch geïnspireerde pogingen tot terreuraanslagen in België ontdekt: Nizar Trabelzi bereidde een aanslag tegen de Navo-basis van Kleine Brogel voor en werd daarvoor ook veroordeeld. En in april 2004 werden twee plannen voor aanslagen in Antwerpen verijdeld: één aanslag moest een joodse school treffen, de andere zou gebeuren op de openingsceremonie van de HST-tunnel.

De ADIV stelde dan weer in februari 2006 vast dat ze over geen enkel element beschikte dat onze militaire belangen in België bedreigd zijn.

In januari 2006 verklaarde Justitieminister Onkelinx (PS) dat ze "geen enkele informatie bezat over bedreigingen tegen personen die de islam hadden becritiseerd". Het Comité I stelt dit vast, maar becritiseert het niet. Mimount Bousakla, Philippe Moureaux en Filip Dewinter worden blijkbaar vergeten door Justitieminister Onkelinx (en door het Comité I), die zelf overigens ook bedreigd werd voor haar beleid rond de islam.

* Tot op heden pleegden vier Belgische moslimextremisten zelfmoordaanslagen in het buitenland. De staatsveiligheid wist indertijd niet of radicale elementen vanuit Antwerpen naar Pakistan afreizen voor fundamentalistische trainingen in koranscholen, ze moest het aan het Antwerps OCMW vragen. Maar dat beeld is niet meer juist. De staatsveiligheid maakte voor het gerecht ondertussen wel rapporten over moslimfundamentalisten die naar Pakistan reisden voor religieus onderwijs, maar er feitelijk een militaire opleiding volgden. Ze heeft ook oog voor de Iraakse filières: steeds meer reizen extremisten af naar Irak (terwijl vroeger vooral Afghanistan de eindbestemming was), via verschillende landen en met meerdere valse paspoorten.

De ADIV zegt dat ze door personeelsgebrek geen aandacht aan dit fenomeen kan besteden, maar ze ontvangt van buitenlandse bronnen soms wel informatie erover.

* De ADIV verdenkt bepaalde niet-gouvernementele organisaties van banden met Al Qaida, maar ze zegt dat ze deze ngo's niet grondig kan volgen door personeelstekort.

* Terwijl het in 2002 nog heette dat "de staatsveiligheid uit misbegrepen politieke correctheid het moslimextremisme onderschatte", luidt het nu dat "de veiligheidsdiensten, het gevaar niet minimaliseren of opkloppen, maar vooral geen bevolkingsgroepen stigmatiseren".

* Het rapport baseert zich nogal veel op krantenartikels en parlementaire discussies en blijft op onbekende, maar cruciale, punten erg vaag. Aan de reacties van de Belgische moslimwereld op de rel rond de Deense Mohammedcartoons besteedt het rapport van 79 pagina's met 50 regels per pagina, welgeteld 18 regels. En wat voor regels! Het Comité I stelt samengevat vast "dat in België sommige moslims radicaliseren en met elkaar contacten leggen via het internet".

* Aan de extremistische websites besteedt het rapport slechts 6 regels. Ook de vele interpellaties van volksvertegenwoordiger Claude Marinower (Open Vld) over opruiende radiostations in het Brusselse, zijn blijkbaar overtrokken.
"Niets wijst erop dat de bewuste radio's voor radicale doeleinden worden gebruikt", zo stelt het Comité I. Maar... de veiligheidsdiensten hebben onvoldoende tijd en personeel om die radio's te volgen. Er moeten contractuelen komen die al die talen en de islamitische cultuur grondig kennen. Er is ook veel meer technische apparatuur nodig om die sites en media te volgen.

* De ADIV deed een onderzoek naar de gevolgen in België van het geweld in de Franse steden. De dienst stelde vast dat de enkele gewelddadige gebeurtenissen in Belgische steden, niét werden uitgevoerd door radicale islamistische elementen. De ADIV denkt dat de kaïds die de parallelle economie van drugshandel leiden, van dergelijke feiten gebruik maken om "wetteloze zones" te creëren. De ADIV denkt echter ook dat een incident ook in Brussel en Antwerpen het vuur aan de lont kan steken.

* Het Comité I klaagt erover dat het zelf geen inzage krijgt in de richtlijnen van het Ministerieel Comité voor Inlichtingen en Veiligheid. Daardoor kan het natuurlijk onvoldoende controle uitoefenen op het werk van de inlichtingendiensten, het weet niet precies wat ze moeten doen.

Het Comité I meent verder dat er veel te weinig personeel is met grondige kennis van de taal en de cultuur van de islamisten. Er moeten bovendien mensen komen die de sociologische evoluties op dit gebied kunnen volgen. Het Comité I gaat terzake niet akkoord met de visie van de staatsveiligheid. Die is niet te vinden voor dieptestudies die de politieke, culturele, sociale en sociologische oorzaken van de gewelddadige radicalisering onderzoeken. De staatsveiligheid meent dat dit soort onderzoeken niet tot haar werk behoort, maar het Comité I vindt van wel. Heel anders is het bij de ADIV. Die interesseert zich wel voor dit soort sociologische studies en maakte er zelf naar aanleiding van de problematiek van de hoofddoek en die van de gewelddaden in de Franse voorsteden. Het Comité I juicht deze belangstelling van de ADIV toe, maar stelt wel vast dat de bevoegdheid van de ADIV eigenlijk de bedreiging van de strijdkrachten is. Het Comité wil dat dergelijke lange termijn-studies er komen.

* Het Comité I pleit verder voor een protocolakkoord tussen Binnenlandse Zaken en Justitie om informatie te kunnen uitwisselen tussen de lokale politie en de inlichtingendiensten over kleine groepjes die zich op zichzelf terugtrekken en radicaliseren. Het Comité wil ook een bijzonder regime om de anonimiteit van de agenten van de veiligheidsdiensten te garanderen als zij moeten gaan getuigen.

Het rapport toont aan dat de inlichtingendiensten nog te weinig communiceren over hun werk. Sommige onderzoeken die zij deden (over de hoofddoek, over het geweld in Belgische steden), sommige maatregelen (zoals het Actieplan Radicalisme) worden angstvallig geheim gehouden. In Nederland zouden al deze documenten publiek worden gemaakt en kunnen worden bediscussieerd. Hier mag dat niet, omdat de veiligheid dan in gevaar komt. Dat is in bepaalde gevallen beslist zo, maar in België interpreteren de veiligheidsdiensten én hun bevoegde ministers én hun bevoegde controle-organen dit gevaar voor de veiligheid toch echt te ruim. Hier heerst te vaak een cultuur van geheimzinnigheid, die het democratische debat hindert, omdat ze één bepaald standpunt onbesproken laat. Het is bovendien naïef om te denken dat de echte harde islamistische kernen de informatie die zij moeten hebben, niet zouden kunnen vastkrijgen. De inlichtingendiensten zouden aan democratische legitimiteit winnen door meer openheid over hun onderzoeken en standpunten.

28 APRIL 2007

.

Nu in het nieuws