Deel 1: Het onvoltooide Vlaanderen

Print
Door professor Karel Rimanque, gewoon hoogleraar staatsrecht UA

Uitgangspunten

Is het niet aangewezen staatsrechtelijke problemen te formuleren in termen van een glijdende schaal van de gemeente tot de Europese Unie, met als vraag: ”Wie doet best wat voor wie?”

BR> Bevoegdheden zijn opdrachten en diensten voor een gemeenschap. Het klassieke staatsbegrip als zetel van de hoogste soevereine macht verliest veel van zijn belang. Het is niet langer het geprivilegieerde uitgangspunt,vermits het niet langer de enige of de ultieme bron van gezag is.
Concreet naar België toe betekent dit: het zoeken naar het antwoord op de vraag voor welke overheidstaken het federale niveau de optimale locatie is gebleven.

Het Belgische staatsverband hoeft geen hinderpaal te zijn voor de verdere ontwikkeling en de voltooiing van de staatshervorming, op voorwaarde dat voor alle overheidstaken de vraag kan worden gesteld naar het optimale beleidsniveau, op basis van subsidiariteit.
Dit beginsel leidt in politieke onderhandelingen tot een geesteshouding waarin op de federale overheid de bewijslast rust om aan te tonen dat het nodig is een aangelegenheid federaal te houden.

Subsidiariteit vereist ook een democratische en niet een loutere technocratische invulling. Wanneer een ruime meerderheid op een erkend territorium op een duurzame wijze andere voorkeuren of noden heeft dan de bevolking van een ander territorium, is het ons inziens een democratische noodzaak de mogelijkheid van die voorkeuren te realiseren. Dit is te verkiezen boven de halfslachtigheid van een compromis, dat wellicht niet werkzaam is, wegens de tegenstrijdigheid van de uitgangspunten.

Het probleem van de Belgische staat is niet de autonomie van de gemeenschappen en de gewesten, maar het onvermogen van de federale overheid in steeds meer aangelegenheden een bevredigende oplossing te bereiken aan een redelijke kostprijs en binnen een redelijke termijn.

De schamele institutionele autonomie van Vlaanderen

De actuele draagwijdte van de institutionele autonomie is beperkt. Vele van de voor autonome regeling toegewezen punten zijn niet constitutioneel van aard en horen veeleer thuis in een kieswetgeving of in een parlementsreglement. Het volgende parlement kan die uitbreiden. Dat kon ook tijdens de afgelopen legislatuur. Niemand heeft er iets aan gedaan.

Van de grondwettelijke beperkingen van de institutionele autonomie, is de volstrekte onmogelijkheid het Vlaams Parlement voortijdig te ontbinden de meest storende. Wanneer de federale regering door een meerderheid in het Parlement tot ontslag wordt gedwongen, terwijl ze niet in staat blijkt een alternatieve regering te kiezen, wordt de werking van de Vlaamse instellingen tot op het einde van de vijfjarige legislatuur beperkt tot de lopende zaken.

Een eigen grondwet voor Vlaanderen zal nog niet voor morgen zijn. Het ontwerp van verklaring tot herziening van de Grondwet van de regering maakt dat niet mogelijk.

De kwetsbaarheid van Vlaanderen bij de federale besluitvorming

Om een herziening van de Grondwet of van de bijzondere wetten te voorkomen die afbreuk zou doen aan de autonomie van de deelgebieden, kan best de Senaat worden hervormd in de zin van een werkelijke kamer van de gemeenschappen met beperkte, maar niet te ontwijken bevoegdheid bij de ontwikkeling van het staatsrecht.

Het ontwerp van de regering van verklaring tot herziening van de Grondwet maakt deze hervorming mogelijk. Tijdens de afgelopen legislatuur werd er niets mee gedaan. Deze hervorming kan nog een ander nuttig gevolg hebben: een drastische vereenvoudiging van de parlementaire instemming met belangrijke verdragen.




professor Karel Rimanque


De té versnipperde bevoegdheidsafbakening

Op dit ogenblik is in vele domeinen de bevoegdheid meer dan wenselijk verdeeld tussen de staat, de gemeenschappen en de gewesten. In cruciale domeinen zoals de gezondheidszorg, het werkgelegenheidsbeleid en de maatschappelijke bijstand en vele andere is die versnippering aanzienlijk en hinderlijk.

Er moet worden gestreefd naar meer homogeniteit in de bevoegdheden zodat maatschappelijk nauw verweven fenomenen ook door dezelfde macht kunnen worden geregeld. De vermijding van bevoegdheidsconflicten is daarbij niet de belangrijkste reden. Een fundamentelere verantwoording voor meer homogene bevoegdheidspakketten is de democratische vereiste, dat wanneer een niveau bevoegd is voor een bepaald domein van regelgeving, het best ook bevoegd is voor alle aspecten die wegens de maatschappelijke samenhang ermee verband houden.

De zorg om de vrijheid van beleidskeuze - een wezenlijke vereiste voor een waarlijk democratische bestuursvorm - moet er toe leiden dat het niveau dat de bevoegdheid heeft over de regelgeving ook bevoegd is voor de randvoorwaarden en voor de financiele en de bestuurlijke middelen om deze beleidskeuze te realiseren. Immers, van zodra een beleidskeuze meer vereist dan een gedragsregelende wetgeving, wanneer de inzet van zeer variabele middelen nodig is, moet de tot regelgeving bevoegde overheid ook autonoom kunnen beslissen welke instrumenten worden aangewend om het gekozen beleid te voeren.Zonder deze beleidsvrijheid blijft een betekenisvolle autonomie uit.
Dit geldt ook voor het financieringssysteem. In vergelijking met andere federale staten blijft de fiscale autonomie van de gewesten beperkt, met als democratisch deficit de vaststelling dat de gewesten en de gemeenschappen te weinig verantwoordelijkheid dragen voor hun beleid.

Gebreken in de bevoegdheidsverdeling kunnen worden ondervangen in samenwerkingsakkoorden, zo wordt beweerd. Toch moet worden gewezen op de nadelen van dit systeem. Ze vertonen een duidelijk democratisch deficit. De parlementaire inspraak wordt beperkt. Bovendien zijn deze akkoorden slechts begrensd wijzigbaar.Dit beperkt de beleidsvrijheid van de autonome contracterende machten voor de toekomst. Met het verlies van beleidsvrijheid gaat echter de zin van de autonomie teloor.

Federalisme en confederalisme: een gevoelsgeladen woordentwist

In dit artikel werd niet uitgegaan van een doctrinair concept over federalisme of confederalisme als fase of eindfase van de staatshervorming. Het hoofdzakelijk op de twee grote gemeenschappen gestoelde staatsmodel heeft niettegenstaande de uitdrukkelijke federale optie in artikel 1 van de Grondwet sedert jaren een aantal confederale kenmerken. Dit loochenen doet afbreuk aan de actuele staatsrechtelijke regels en de politieke feiten in een hoofdzakelijk tweeledig land. Een principiele discussie hieromtrent brengt dan ook weinig zoden aan de dijk.

Tot op vandaag werd de staatshervorming niet doorgevoerd op basis van een theoretisch model als optimale eindfase.Wordt dit proces voortgezet, dan blijven discussies over de kwalificatie van deze eindfase best ondergeschikt aan de reele mogelijkheden de Vlaamse autonomie te verdiepen en te verruimen in een optimaal institutioneel en financieel kader.

Morgen deel 2: prof. dr. ir. Jef Roos

Wilt u reageren, mail naar gvabinnenland@concentra.be

MEEST RECENT