Hervorming antidiscriminatiewet op de agenda

5 MAART 2007 - Morgen buigt de Kamercommissie Justitie zich over het ontwerp om de antidiscriminatiewet te hervormen. Dat was nodig na een vernietigend arrest van het Arbitragehof, dat grote delen uit de wet schrapte. Minister van Gelijke Kansen Christian Dupont (PS) diende vier nieuwe wetsontwerpen in, maar gelijke monniken krijgen nog steeds geen gelijke kappen.

BR>

Wat wil Dupont veranderen?

Eén wet ware natuurlijk beter geweest, de Raad van State vraagt dat al sinds 2002, maar net zoals vroeger blijven er drie verschillende wetten tegen discriminatie: de antiracismewet (ARW), de wet op de gelijke kansen voor mannen en vrouwen (de

genderwet

) en de antidiscriminatiewet (ADW). Vroeger hadden die drie wetten andere definities, andere straffen en andere mogelijkheden om discriminatie aan te pakken. Maar Dupont wilde ze op één leest schoeien volgens het model van ADW. Omdat de meerderheid ondertussen al allerlei amendementen indiende, is dat maar gedeeltelijk gelukt. Toch is het ontwerp-Dupont een gevoelige verbetering op de huidige toestand.

Straffen

Dupont wilde eigenlijk dezelfde dingen bestraffen in de drie wetten. Nu is dat niet zo. Vreemdelingen hebben een betere strafrechtelijke bescherming dan alle andere gediscrimineerde groepen. Disco's die Marokkanen de toegang weigeren of werkgevers die hen geen baan geven, zijn strafbaar. Maar wie diezelfde toegang of baan weigert aan een bejaarde, gehandicapte of homo is niét strafbaar. Dupont wilde gelijke kappen voor gelijke monniken. Hij wilde iedere bestraffing van discriminatie door particuliere burgers schrappen. Dupont overlegde zijn visie met de sector en aanvankelijk scheen iedereen ze te steunen. Ook de regering stond erachter. Maar dan vond MRAX, een Brusselse organisatie van allochtonen, dat de bestraffing van het racisme van particulieren niet mocht verdwijnen. En de paarse meerderheid volgde. Zij diende een amendement in om de bestraffing van discriminatie door particulieren op grond van huidskleur, nationaliteit, etnische en nationale afstamming, en zogenaamd ras te behouden "om symbolische redenen". Ze diende een amendement op Dupont's voorstellen in en Dupont aanvaardde dat. De Raad van State vond echter dat die herinvoering zeer slecht wordt gemotiveerd.

Strafbaar zullen zijn in alledrie de wetten: aanzetten tot discriminatie of haat (maximum 1 jaar en 5.500 euro); discriminatie door openbare ambtenaren (maximum 2 jaar); een discriminerend motief bij een ander misdrijf (bijvoorbeeld: een moord uit haat tegen vreemdelingen wordt zwaarder bestraft dan een 'gewone' moord). In dit laatste geval wordt de minimumstraf verdubbeld, maar in de praktijk kan de rechter nog altijd onder zo'n minimum gaan.

Alleen in de antiracismewet, komen daar nog twee andere criminele feiten bij. Wie lid is van een racistische organisatie is (nu al) strafbaar, wie lid is van een organisatie die oproept tot vrouwen- of homohaat niét. Dat verschil blijft bestaan. Het verspreiden van denkbeelden over rassensuperioriteit wordt nu voor het eerst ook strafbaar. Wie zegt dat het zwarte ras dommer is dan het blanke, wordt dus strafbaar. Maar wie zegt dat vrouwen dommer zijn dan mannen, niét.

Tijdens de hoorzittingen over dit wetsontwerp was veel kritiek op dit onderdeel van de wet.

* De strafbaarstellingen worden niet geharmoniseerd, want in feite blijft het voorrangsstatuut van de vreemdelingen bestaan. Het wordt zelfs nog versterkt: er komen voor hen nieuwe strafbepalingen bij, die voor alle andere groepen niét in het leven worden geroepen.

* De discriminatie in de praktische toepassing van deze strafregeling wordt ongemoeid gelaten. Paul Borghs kaartte dit probleem aan in

De Juristenkrant

. Strafbare racistische opjutterij in pamfletten wordt momenteel effectief gestraft door de correctionele rechter. Maar alle andere, eveneens strafbare, oproepen tot haat jegens vrouwen, homo's, bejaarden, gehandicapten, blijven noodgedwongen straffeloos omdat zij nog altijd voor het assisenhof moeten komen. Om dit te veranderen moet de grondwet worden gewijzigd. Want persmisdrijven gaan nog altijd naar assisen, behalve als het om racistische persmisdrijven gaat. Dit is één van de redenen waarom optreden tegen het moslimboek dat oproept om homo's van hoge gebouwen te gooien erg moeilijk is. Wie echt gelijke kappen voor gelijke monniken wil, moet dat zeker veranderen.

* De bestraffing geldt voor woorden, minder voor daden. In alle drie de wetten worden opruiende pamfletjes die aanzetten tot haat strafbaar, maar de haat zelf, de discriminerende daden dus, worden alleen maar strafbaar als ambtenaren ze plegen. Voor particulieren heb je de koddige situatie dat ze strafbaar zijn als ze aanzetten tot discriminatie, maar niet als ze feitelijk discrimineren (behalve in ARW). Zeker in de praktische toepassing van de wet richt men zich te veel op opruiende pamfletjes ("woorden") en te weinig op discriminerende daden. Deskundigen noemden dat tijdens de hoorzittingen "de goedkope oplossing". Iemand die een opruiend pamfletje schreef vervolgen, kost niets. Maar dat kan bij feitelijke discriminatie door grote bedrijven wel even anders liggen (moeilijker te bewijzen, langere procedures, duurdere advocaten!).

* Opinies straffen kan voor professor Matthias Storme nooit. Dupont doet dit toch vanuit de filosofie dat racisme en discriminatie geen opinies zijn, maar misdrijven. Storme meende dat het gevolg van deze keuze zal zijn dat racisme, vrouwenhaat, homofobie meer en meer ondergronds zullen gaan en dat mensen zich meer en meer zullen afsluiten voor elkaar. Zo bereikt men een gesloten samenleving, in plaats van een open, betoogde hij tijdens de hoorzittingen over deze hervorming. "In een

Open Society

mag de vrijheid van meningsuiting niet beperkt worden". Storme vreesde zelfs dat de voorstellen van Dupont het wetenschappelijk onderzoek drastisch aan banden leggen.

Schadevergoeding

De nieuwe wetten kiezen voor een rechtszaak bij de burgerlijke rechter. Nu al kan die rechter bevelen dat de discriminatie stopt, maar in de praktijk werkt dat niet goed. Hooguit krijgt het slachtoffer één euro symbolische schadevergoeding. Dupont wil dat veranderen en hij gaf de burgerlijke procedure tanden.

* De procedure wordt versneld, en de rechter zal onmiddellijk de discriminerende persoon kunnen veroordelen tot een forfaitaire schadevergoeding ten voordele van zijn slachtoffer, tot 1300 euro of zes maanden loon. Bijvoorbeeld: een Marokkaan die solliciteert en wegens zijn afkomst niet wordt aangenomen, zal zes maanden salaris krijgen als hij de beste was en drie maanden als hij niet aan de voorwaarden voor de job voldeed, maar toch om zijn huidskleur of nationale afkomst werd geweigerd. Het systeem van forfaitaire schadevergoedingen is uitzonderlijk (behalve in het arbeidsrecht), maar het heeft twee voordelen: de debatten kunnen veel korter worden en bovendien gaat het om een échte vergoeding. Niets belet het slachtoffer om via de gewone (veel langere) procedure een grotere schadevergoeding te eisen.

* Als de persoon die discrimineert geen rekening houdt met het rechterlijk bevel om de discriminatie te stoppen, dan zwaait er voortaan 1 jaar cel en 5.500 euro boete.

* Contracten met discriminerende bepalingen zullen automatisch nietig zijn.

* In de bedrijven zullen niet alleen vermoedelijke slachtoffers van discriminatie (werknemers die menen dat ze ontslagen werden of geen promotie kregen omdat ze vreemdeling, homo of te oud zijn) beschermd worden tijdens de procedure, maar ook getuigen van die discriminatie.

* Net zoals vroeger wordt de bewijslast "gedeeld". Wanneer het slachtoffer feiten aanvoert die een discriminatie doen vermoeden, moet de persoon die van discriminatie wordt beschuldigd, bewijzen dat hij niét discrimineerde. Wat die "feiten" zijn wordt ook uitgelegd. In het ontwerp-Dupont is nog sprake van praktijktests en statistische informatie (waaruit bv. blijkt dat een verdachte werkgever véél minder allochtonen aanwerft dan alle andere werkgevers in zijn regio). De praktijktests zijn ondertussen geschrapt onder druk van de VLD, maar er is een nieuw amendement van paars op komst om dit aspect te regelen.

Voor wie geldt de wet?

Een Europese richtlijn vindt dat discriminatie minstens moet verboden zijn op zes gronden: ras, etnische afkomst, geloof of levensbeschouwing, geslacht, handicap en seksuele geaardheid. Maar het mag van Europa iets meer zijn. En Dupont deed iets meer.

Voor ras en ethnische afkomst heb je de ARW, voor geslacht de genderwet. Aan ARW voegt Dupont nog toe: de etnische en nationale afkomst, de nationaliteit, de huidskleur. En hij verandert "ras" in "zogenaamd ras" omdat rassen volgens de biologische theorie niet meer bestaan.

De genderwet, die vroeger alleen alle discriminatie op grond van geslacht verbood, krijgt er de transseksuelen bij, maar niet de homo's en de lesbiennes. Wél de problemen rond zwangerschappen en bevallingen, maar niet die rond burgerlijke staat.

Aan ADW voegt Dupont dan (naast: geloof of levensbeschouwing, handicap en seksuele geaardheid) nog toe: politieke overtuiging, taal, burgerlijke stand, geboorte, vermogen, leeftijd, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap en fysieke of genetische eigenschap en sociale afkomst. Dat is een hele resem gediscrimineerde groepen!

Deskundigen hadden tijdens de hoorzittingen en in de literatuur bij deze lijst serieuze bedenkingen:

* Hij blijft onvolledig. Zo staat het vakbondslidmaatschap er niet op, vond Filip Dorssemont (KULeuven) in

De Juristenkrant

. Maar wellicht staan ook nog heel wat andere achtergestelde groepen niet op. Andere categorieën (bv. "sociale afkomst") zijn dan weer heuse containerbegrippen, waarin je alles kan stoppen. Gevolg zal zijn: een mogelijke vernietiging door het Arbitragehof, zo vreesde professor Marc De Vos (arbeidsrecht, Ugent). Hoe langer de lijst met discriminatiegronden, hoe groter de kans op zo'n vernietiging. Beter geen lijst, zo vonden de meeste deskundigen. Maar de regering vreesde dat zonder lijst een stortvloed van rechtszaken zou volgen voor allerlei prullaria. Sociale relaties, zoals de arbeidsverhoudingen, zouden nodeloos gejuridiseerd worden.

* Door de versnippering van de discriminatiegronden over drie wetten, krijg je personen die niét beschermd zijn tegen discrimininatie (syndicalisten), personen die goed beschermd zijn (allochtonen) en personen die half beschermd zijn (vrouwen, homo's, bejaarden). Dat klaagde professor Marc De Vos tijdens de hoorzittingen aan. Zo organiseren de drie wetten eigenlijk de discriminatie in plaats van ze te verbieden.

Matthias Storme (KULeuven) vond dan weer dat heel wat categorieën door elkaar gehusseld worden: "Als men meerdere wetten maakt, maak dan een wet tegen discriminatie van minderheden (homo's, migranten, moslims) en een wet tegen discriminatie op basis van kenmerken die iedereen heeft (geslacht en leeftijd)". Storme was niet te spreken over de verschillende behandeling van mensen die door particulieren gediscrimineerd worden op grond van hun ethnische afkomst en mensen die door diezelfde particulieren gediscrimineerd worden op grond van hun godsdienst. De eersten kunnen een beroep doen op de strafrechter, de anderen niet, "terwijl beide groepen voor 95% samenvallen". De prof, die aan de basis ligt van de vernietiging van de huidige antidiscriminatiewet door het Arbitragehof, kondigde om deze reden al een nieuwe actie bij het Arbitragehof aan.

Voor wat geldt de wet?

De wetten gelden eerst en vooral voor de directe discriminatie. Dat is niét iedere ongelijke behandeling. Het is wél een ongunstiger behandeling van iemand die in eenzelfde situatie zit als iemand anders, op grond van één van de beschermde criteria (huidskleur, geslacht, leeftijd e.d.) zonder grondige rechtvaardiging.

Ook de indirecte discriminatie valt onder de wet. Die laatste is er als iemand opzettelijk een schijnbaar neutraal criterium gebruikt om iemand anders te discrimineren. Bijvoorbeeld: een school beslist dat alle kinderen die ze opneemt een bepaalde test moeten ondergaan, wel wetend dat allochtone kinderen niet zullen slagen in deze test. Deze discriminaties kunnen gebeuren bij de levering van goederen en diensten, maar ook in de sociale zekerheid of de gezondheidszorg.

Volledig nieuw is dat ook opdracht geven om iemand te discrimineren wordt verboden, net als intimidatie. Daarom komt er een bescherming tegen represailles. Wie op de werkvloer gediscrimineerd wordt en dat aanklaagt, mag in het jaar dat daarop volgt niet meer benadeeld worden. Als die represailles buiten de werksfeer gebeuren dan kan een schadevergoeding worden opgelegd.

Voor wat geldt de wet niét?

De wetten gelden niét voor tendensbedrijven. Dat zijn organisaties die vertrekken vanuit een duidelijke religieuze of levensbeschouwelijke visie, zoals bv. de Christelijke Mutualiteiten. Zij mogen eisen dat hun werknemers loyaal zijn aan hun uitgangspunten.

De wetten gelden evenmin voor positieve acties. Dat zijn acties om de gelijkheid van kansen van gediscrimineerde groepen te bevorderen. Die acties moeten wel tijdelijk zijn en kunnen alleen door de overheid worden opgestart. Ze mogen de rechten van anderen niet onnodig beperken.

De wetten gelden ook al niet voor alle domeinen die tot de Gemeenschappen en Gewesten behoren. Dus niét in het onderwijs en op de Lijn, niét bij de beroepsopleiding en de arbeidsbemiddeling. De Gemeenschappen en Gewesten moeten daarvoor zelf decreten maken, die dan weer wel zouden worden gecontroleerd door het (federale) Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, zij het in aparte eentalige kamers.

De nieuwe wetten veranderen bovendien niets aan eerder goedgekeurde wetten en de rechtbanken mogen die ook niet toetsen aan de antidiscriminatiewet. Het gaat dan vooral om allerlei bepalingen rond leeftijd in de sociale zekerheid, de anciënniteitsregeling, het pensioenstelsel, waar heel wat ongelijke behandelingen zijn ingevoerd zonder enige motivering. In principe zouden al die wetten door de antidiscriminatiewet moeten worden gewijzigd. Maar dat hoeft dus niet. Tijdens de hoorzittingen noemde de specialist arbeidsrecht, professor Marc De Vos (UGent), dit "een gemakkelijkheidsoplossing".

Wie mag rechtszaken starten?

Niet alleen het slachtoffer zelf, maar ook het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (voor zover het ARW en ADW betreft) en het Instituut voor Gelijkheid van Mannen en Vrouwen (voor de genderwet) kunnen rechtszaken starten, maar alleen met toestemming van het slachtoffer.

Daarnaast kunnen ook de werkgevers- en werknemers- en zelfstandigenorganisaties klacht indienen én een strafzaak opstarten net als iedere vereniging die drie jaar bestaat en tot doel heeft om discriminatie tegen te gaan. Tot nu toe moest een vereniging vijf jaar bestaan om klachten te kunnen indienen.

Nieuw is verder dat ook het parket bij de burgerlijke rechtbank een vordering kan indienen om een discriminatie stop te zetten.

Wat vindt het Centrum?

Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding is opgetogen met de nieuwe wet. Want momenteel zijn er maar weinig burgerlijke rechtszaken rond de antidiscriminatiewet omdat discriminatie moeilijk te bewijzen is en de rechter er ook niet veel kan aan doen. Als een verhuurder momenteel geen woning wil verhuren aan een allochtoon omdat die Marokkaan is, dan kan de huurder wel naar de burgerlijke rechtbank stappen om die discriminatie te laten stopzetten. Maar de rechter kan niet bevelen dat de verhuurder alsnog zijn pand aan de Marokkaan verhuurt en hij kan evenmin het contract dat de verhuurder sloot met een andere huurder voor hetzelfde pand, nietig verklaren. De rechter kan niet eens een schadevergoeding opleggen, want daarvoor is de procedure te snel. In feite is de antidiscriminatiewet dus vooral symbolisch. Het Centrum was tijdens de hoorzittingen zeer verheugd dat de antidiscriminatiewet nu tanden krijgt.

Maar het Centrum had toch twee bedenkingen:

* Het wil bij voorkeur niet zelf bevoegd worden voor discriminaties op grond van politieke overtuiging. Het meent dat de politieke partijen zelf hiervoor best zelf bevoegd zijn. Het Centrum is trouwens heel tevreden omdat het ontwerp-Dupont meent dat het niet bevoegd moet worden voor discriminaties op grond van taal. Dupont koos er - gezien de ingewikkelde institutionele context van ons land - voor om dit aan een andere, niet nader gespecifieerde instelling over te laten.

* Het Centrum wil dat particulieren die allochtonen discrimineren strafbaar blijven. Dat was uit het ontwerp-Dupont geschrapt, maar door een meerderheidsamendement werd het opnieuw ingevoerd. Maar ook het Centrum vindt - net als de Raad van State - de motivering van dat amendement gebrekkig. Het Centrum stelde trouwens voor om ook discriminatie door particulieren op grond van seksuele voorkeur en handicap strafbaar te maken. Het wil de gelijkschakeling van de rechten van alle groepen eerder naar boven toe dan naar beneden mogelijk maken.

Welke vragen blijven?

Buiten de bedenkingen die tijdens de hoorzittingen al werden vermeld, lees je in de literatuur nog andere dingen.

1. De Europese Unie verwacht daadwerkelijke resultaten van de antidiscriminatiewetgevingen. Het racisme en de discriminatie moeten dus verminderen. Maar zal dit zo zijn? Repressie en tussenkomsten van rechters kunnen bij de overtreders ook agressie uitlokken, die misschien niet van aard is om hun discriminerende neigingen weg te nemen. Of zulke wetten iets uithalen, is nog nooit onderzocht. Nochtans zou een studie van de evolutie van alle veroordeelden op basis van de racismewet perfect kunnen. De wet bestaat immers al sinds 1981. Zo'n onderzoek van gestrafte daders is een eerste prioriteit.

2. De antidiscriminatiewetten gaan niet in op de verhouding van al de minderheden die zij beschermen tot elkaar. Men veronderstelt blijkbaar dat zij solidair zijn met elkaar, of minstens elkaar niet voor het hoofd willen stoten. Maar dat is niet altijd waar. De rechten van sommige minderheden staan haaks op die van anderen, terwijl beide groepen net zo goed beschermd worden en hun belangen meestal door hetzelfde instituut verdedigd moeten worden. Wat als de rechten van homo's en die van moslims botsen, zoals bij gaybashing? Wat als de rechten van Joden en Marokkanen botsen? Waar en hoe moet de grens dan worden getrokken? Wiens recht is in welk geval belangrijker dan dat van welke andere?

Een antidiscriminatiewet zou hiervoor richtlijnen kunnen uitstippelen, maar de politici discussiëren er niet eens over. Ze verwijzen de geschilpunten liever door naar (niet-verkozen) rechters. Zonder duidelijke richtlijnen van het parlement, dreigen die rechterlijke uitspraken tegenstrijdig te zijn of contradictorisch over te komen en zo dreigt de agressie tussen minderheden-in-conflict eerder toe- dan af te nemen. Het is dus belangrijk dat het parlement ook standpunt inneemt met betrekking tot de geschillen die tussen minderheden zelf kunnen ontstaan.

Dat probleem kan verergeren als het "vervolgingsbeleid" van organisaties als het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, dat voor bijna alle minderheden bevoegd is, onduidelijk blijft. Wanneer stuurt het Centrum een zaak naar de strafrechter, wanneer naar de burgerrechter, wanneer blijft het bij bemiddeling? Het wordt tijd dat het Centrum zijn criteria klaar en duidelijk bekend maakt voor alle betrokken groepen, want nu wordt de indruk van een ad hoc-beleid gewekt. En dat wekt vroeg of laat de indruk van willekeur.

3. Daarbij rijst de vraag of het nog nodig is dat het Centrum (en allerlei andere organisaties) het recht behouden om een strafzaak op te starten. Het Centrum en de antidiscriminatieverenigingen kregen al in 1981 dat recht omdat werd gevreesd dat de slachtoffers onvoldoende mondig waren om klachten in te dienen. Men vreesde ook dat de parketten te laks zouden zijn bij het vervolgen van racisme. Die vrees was toen ongetwijfeld terecht. Een tijd lang bleef dat ook zo, maar ondertussen is veel ten goede veranderd. Allochtonen zijn mondiger geworden dan vroeger. Uit de statistieken van procureur-generaal Visart de Bocarmé, die het nationale racismebeleid in zijn portefeuille heeft, blijkt dat liefst 39% van de racismeklachten van 2003 tot einde 2005 volledig ongegrond is. Zo'n hoog percentage kan erop wijzen dat de slachtoffers zeker niet te terughoudend zijn om klacht in te dienen.

De parketten zijn ook heel wat alerter geworden voor het discriminatieprobleem. Zo hebben ze nu allemaal een referentiemagistraat voor discriminatiemisdrijven. Die moet zich speciaal met die feiten bezighouden en dat stimuleert de vervolging ervan. Dit soort referentiemagistraten bestaat maar voor weinig misdrijven (milieudelicten, mensenhandel, echtelijk geweld), niét voor het gros van de zaken.

Als je deze twee evoluties bekijkt, dan rijst de vraag of het nog wel nodig blijft dat het Centrum en al die antidiscrimininatie-organisaties ook zelf strafzaken kunnen opstarten. Ze komen uiteindelijk náást het parket te staan, terwijl ze toch een fundamenteel andere rol hebben. Zij ondersteunen de slachtoffers, terwijl het parket het openbaar belang verdedigt en objectief hoort te zijn. Het huidige systeem werkt bovendien discriminerend voor alle slachtoffers van gewone misdrijven, zoals diefstal en inbraak. Voor hen heb je géén referentiemagistraten en bovendien worden veel meer van dit soort zaken geseponeerd dan in racismedossiers. Er is momenteel geen duidelijke reden waarom organisaties als Unizo of de Vereniging van Banken ook geen strafzaken mogen opstarten voor misdrijven die hen betreffen, zoals diefstallen, overvallen en inbraken. Het is gewoon wachten op de eerste zaak bij het Arbitragehof die op hun initiatief door een correctionele rechter wordt ingeleid.

Als echter al die private verenigingen strafzaken kunnen starten, dan slibt het gerecht dicht onder een stortvloed van affaires en verdwijnt het vervolgingsmonopolie van het parket. De vraag rijst dus of het niet zinvol zou zijn om de bevoegdheid tot het starten van strafzaken weer af te nemen in het kader van ADW, ARW en de genderwet. Dat zou het Centrum meer in een bemiddelende, slachtoffer-ondersteunende, preventieve en beleidsvoorbereidende rol duwen en sympathieker maken. Uiteraard geldt deze opmerking alleen voor strafzaken, niet voor burgerlijke zaken, omdat daar twee partijen tegenover elkaar staan en niet de staat tegenover een crimineel.

4. Toen de discussie rond de antidiscriminatiewet in de jaren zeventig startte, waren deze wetten uitsluitend

verticaal

bedoeld. Ze zouden uitsluitend gelden voor de verhouding van de overheid tot zijn burger. De overheid moet neutraal zijn en mag niet discrimineren.

Nu gelden die wetten ook

horizontaal

: in de verhouding tussen burgers onderling. Maar daarbij rijzen dan weer andere vragen. Mag de overheid van haar burgers eisen dat zij met iedereen even gelijk willen omgaan? Mag de overheid burgers dwingen om met iedereen (huur)contracten af te sluiten? Mag de overheid werkgevers dwingen om iedereen aan te nemen?

Momenteel worden al die vragen met "ja" beantwoord. Een grondige motivering daarvoor is er niet. Meestal beperkt men zich tot de verabsolutering van de idee: "diversiteit is een meerwaarde". Die idee is onmiskenbaar juist, maar hier wordt de diversiteit louter kwantitatief benaderd. Verdere vragen stelt men zich niet, verdere nuances legt men niet. Leidt eindeloze diversiteit niet per definitie tot onmogelijkheid van communicatie? En kan de introductie van bepaalde "diverse elementen" de diversiteit zelf niet schaden op langere termijn? Men moet de diversiteit dus niet alleen kwantitatief, maar ook kwalitatief benaderen: welke diversiteit willen we, welke niet? En wat zijn de grenzen aan die diversiteit?

Men denkt ook onvoldoende na over de gevolgen op andere gebieden van de huidige denkwijze. In hoeverre mag de overheid één bepaald cultureel en zelfs relationeel patroon opleggen? Dat model dwingt iedere burger tot een rationele verrechtvaardiging van de meeste van zijn private gedragingen.

Kan de overheid dat eisen? Is dat nog wel democratisch? Maar vooral: is dat wel efficiënt? Deze vragen worden niet gesteld, ze worden soms zelfs verketterd, maar ze zijn toch wel belangrijk.

5. Franse denkers, zoals Marcel Gauchet, vrezen dat het hele mensenrechten- en gelijke kansen-discours de democratie uithollen op langere termijn. Dat discours concentreert zich namelijk voortdurend op rechten en beschermingen van minderheden en niet meer op een collectief project dat de meerderheid in de samenleving zou moeten hebben. Een democratie moet uiteraard minderheden beschermen, maar het is ook nog een collectief project van de meerderheid. En dat komt steeds meer op de tocht, naarmate antidiscriminatieregelingen almaar meer beschermde minderheden in het leven roepen. En voor hen allerlei regels creëren, die het op den duur fungeren als evenzovele grendels die het onmogelijk maken om nog fundamenteel dingen te veranderen. Want iedere fundamentele wijziging botst wel ergens met één of ander recht van een minderheid. En zo slibt de democratie dicht. Zonder dit theoretische model te verabsoluteren, is het toch de moeite van een grondigere studie waard.

Nu in het nieuws