Professor Vermeulen: "Europees justitiebeleid van België is triest"

Print
9 OKTOBER 2013 - Op Europees justitievlak is het Belgisch rapport zonder meer triest. Geen enkele belangrijke EU-beslissing op strafrechtelijk domein werd immers op tijd omgezet in Belgische wetgeving. Het rapport van de EU zelf, daarin soms voortgestuwd of gesteund door België, is zo mogelijk nog problematischer. Het Europees Strafregister is een miskleun, de samenwerking tussen Europol en Eurojust draait vierkant en het nieuwe project om een Europees Openbaar Ministerie op te richten voor EU-fraude en –corruptie is dubbel werk en verspilling. Tot deze scherpe conclusie komt professor Gert Vermeulen (UGent, Europees strafrecht), die voor de Europese Commissie meerdere onderzoeken uitvoerde over deze problemen. Hij is overigens momenteel door de FOD Justitie belast met een groot onderzoek naar de hervorming van de Belgische strafprocedure. Dat moet tegen augustus 2014 klaar zijn. Een gesprek.

België scoort niet goed als het Europese regels moet omzetten in onze wetgeving?

Nee, omzeggens alle belangrijke Europese regels worden te laat in Belgische wetgeving gegoten. Het kaderbesluit waardoor veroordeelden hun straf in hun eigen land moeten gaan uitzitten, liep een vertraging op van een half jaar. Het kaderbesluit over alternatieve straffen één van anderhalf jaar, het kaderbesluit over de erkenning van verbeurdverklaringen drie jaar en dat over erkenning van geldstraffen vijf jaar. Voor twee andere kaderbesluiten is de termijn om ze in een Belgische wet te gieten al met respectievelijk drie en één jaar overschreden en is er nog zelfs geen wetsontwerp.

Justitie komt dus hopeloos te laat. Als dat zich doorzet voor nieuwe Europese regels die zijn aangenomen na het verdrag van Lissabon dreigen serieuze Europese boetes.

Waarom duurt het zolang?

Dat is de vraag. Er was in ieder geval geen wezenlijke discussie over de omzetting van deze kaderbesluiten en het parlement keurde ze bliksemsnel goed. Het is de minister van Justitie die uiteindelijk verantwoordelijk is voor het gros van die jarenlange vertragingen. En dat is onbegrijpelijk, want doorgaans werd er weinig veranderd aan de basisopties zoals die in de kaderbesluiten stonden. Er was dus niet veel bedenktijd nodig.

Bijvoorbeeld?

Neem nu het kaderbesluit over de veroordeelden die hun straf in eigen land moeten komen uitzitten. Dat werd gewoon omgezet zonder veel reflectie.

Daardoor moet België nu Belgen die in een ander EU-land veroordeeld zijn voor feiten die hier niet eens een misdrijf zijn in zijn Belgische gevangenissen opsluiten.

Komt zoiets veel voor?

Toch wel, er is immers geen eengemaakt strafrecht. En dan hebben we het niet eens over abortus en euthanasie. De definities van wat terrorisme en mensenhandel is, verschillen overal. Wat mensenhandel is in lidstaat A is dat niet noodzakelijk in lidstaat B. Ook de leeftijdsgrenzen voor toegelaten seksueel contact zijn overal verschillend, zodat een aanranding in lidstaat A niet noodzakelijk een misdrijf is in lidstaat B. Dat is dus een groot probleem.

Er is er nog een tweede probleem met dit kaderbesluit. Er is helemaal geen beroepsprocedure voor EU-buitenlanders die in België veroordeeld zijn en die naar hun herkomstland moéten worden gestuurd. Want dat moet dus voortaan. Die buitenlanders mogen wel hun zegje doen over hun verwijzing naar hun herkomstland, maar dat is een formaliteit, men moet er geen rekening mee houden. Ze krijgen ook geen bijstand van een advocaat.

Deden andere EU-landen het dan beter?

Ja. Nederland bijvoorbeeld paste het Kaderbesluit aan met twee wijzigingen: een veroordeling van een Nederlander voor feiten die in Nederland geen misdrijf zijn, zal in Nederland niet uitgevoerd worden. En bovendien heeft een EU-buitenlander die vanuit Nederland naar zijn herkomstland wordt gestuurd, wél recht op beroep en op een advocaat.

Nu moet gezegd worden dat het Kaderbesluit beide veranderingen niet expliciet eiste van de lidstaten, en ook de Europese Commissie aanvankelijk liet betijen. Maar nu is de Europese Commissie van idee veranderd. Ze overweegt om België in gebreke te stellen omdat een EU-buitenlander die in België is veroordeeld, maar die zijn straf in zijn herkomstland moet gaan uitzitten, tegen die beslissing niet in beroep kan gaan en geen advocaat krijgt. Ik vind die wending van de Europese Commissie goed, want het bewuste Kaderbesluit houdt zelfs geen rekening met de Europese gevangenisregels en met het onderzoek dat hierover is gevoerd (zie: hier, nvdr). En dat leidt ertoe dat de straffen van sommige buitenlanders worden verzwaard als ze worden teruggestuurd, omdat de gevangenisvoorwaarden in hun herkomstland veel slechter zijn dan hier of omdat ze minder snel voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen krijgen.

Maar door de klakkeloze omzetting van dit kaderbesluit in het Belgische recht, met een half jaar vertraging dan nog, dreigt nu dus een ingebrekestelling van de Europese Commissie.

Een ander punt van kritiek gaat over de Fourniretregeling en het Europees strafregister?

Inderdaad. Als de Europese Unie één justitiële ruimte wil worden, dan is het belangrijk dat ieder land de vonnissen en arresten van andere landen erkent en die niet voortdurend begint te betwisten. Ik geef toe dat dit serieuze problemen kan veroorzaken als wij vonnissen uit Bulgarije of Roemenië moeten erkennen, maar dat is een ander verhaal.

Het erkennen van elkaars vonnissen is een eerste stap naar eenheid. Al in 2002 deden wij daarover een onderzoek en de Europese Commissie volgde ons. Wij pleitten toen voor een centraal systeem, waarin heel beknopt alle gegevens over wie in de EU was veroordeeld zouden zitten. Bijvoorbeeld: de Spanjaard Mario Sanchez, geboren in Madrid op 18 maart 1978, is in Spanje veroordeeld tot drie jaar op 20 december 1998 voor autokraak en in Thessaloniki voor autodiefstal tot zes maanden op 21 april 2001. Iedere rechter zou dan kunnen weten of de verdachte die hij voor zich heeft ooit al elders in de Europese Unie is veroordeeld. Hij zou daarmee rekening kunnen houden om te beslissen of die verdachte een recidivist is. Nu kan de rechter alleen maar rekening houden met veroordelingen in het eigen land. Iemand kan dus al voor tientallen inbraken in Duitsland veroordeeld zijn en hier toch nog een blanco strafregister hebben en dus hier een lichte straf krijgen.

Wij pleitten daarom voor zo’n centraal Europees indexsysteem met beknopte informatie. Als de rechter meer wil weten, dan kan hij zich nog altijd wenden tot de politiediensten van de landen waar zijn verdachte eerder werd veroordeeld.

Wat was het effect van de zaak-Fourniret?

Maar dan kwam de zaak-Fourniret. Deze Fransman werd hier verdacht van ontvoering en moord op meerdere meisjes en hij had een blanco strafregister in België. Toen bleek echter dat hij in Frankrijk ook al meerdere veroordelingen voor dergelijke feiten had gekregen. Maar België wist van niets. In 2004 besloten België, Frankrijk, Duitsland en Spanje om hun strafregisters aan elkaar te koppelen. Er kwam een proefproject van dat later tot elf landen werd uitgebreid.

Maar helaas koppelde men alleen de nationale strafregisters aan elkaar, er kwam geen Europees centraal indexsysteem. De filofosie was: Frankrijk zou alle veroordelingen van Fransen, waar ook in de EU, centraliseren, België zou dit voor alle Belgen doen, Duitsland voor alle Duitsers. Als in België dan een Duitser moet terechtstaan voor pedofilie, dan kan de Belgische strafrechter zich tot Duitsland wenden en dan weet hij of die Duitser ooit al eens elders in Europa is veroordeeld. Zo redeneerde men. En de Europese Commissie ging overstag en volgde de landen die het proefproject hadden opgezet.

Wat is het probleem daarbij?

Er zijn natuurlijk ook derdelanders! Marokkanen, Congolezen en Iraniërs plegen ook misdrijven. Als een Iranese pedofiel in België moet terechtstaan, dan weet de strafrechter hier nog altijd niét of die pedofiel niet eerder in Duitsland en Frankrijk is veroordeeld voor zedenzaken met minderjarigen. Want tot welk land moet hij zich wenden? In de praktijk dus tot alle andere EU-lidstaten, want Iran is geen lid van de EU en doet niet mee aan het systeem. Toen men dit opwierp, besloot men om toch nog maar een centraal Europees “index-systeem” uit te bouwen. Zoals wij het hadden bepleit. Maar… alleen voor derdelanders. Dat is dus volkomen irrationeel en ook geldverslindend. En verder: men besloot het wel, maar er gebeurde verder niets. Over criminele derdelanders weten we dus nog altijd niéts via het Europees strafregister.

Zijn er nog gebreken aan het Europees strafregister?

Dit register kan alleen bevraagd worden op naam, niet op misdrijftype, pleegplaats of pleegperiode. Daardoor is het zo goed als onbruikbaar voor speurwerk. Want in de beginfase heeft men meestal nog geen naam en moet men kunnen nagaan of soortgelijke misdrijven niet elders of in dezelfde periode zijn gepleegd. Dat kan dus niet.

Verder kan alleen het gerecht dit Europees strafregister inzien. De politiediensten kunnen dit niet. Europol (de Europese politiedienst) en Eurojust (het Europese coördinatieorgaan voor strafvervolging en justitiesamenwerking) kunnen het Europees strafregister dus niét inzien voor de misdrijven waarvoor zij bevoegd zijn. Beide organen werden aanvankelijk zelfs niet uitgenodigd op de vergaderingen die tot het Europees strafregister moesten leiden. Pas na lang aandringen mochten ze erbij zijn, maar inzage kregen ze niet. Ook Eurojust niet. Voor een organisatie die een sleutelrol moet spelen bij het coördineren van de strafvervolging tussen de lidstaten, is het toch wel nodig om te weten of het ne bis in idem-beginsel niet is geschonden, dus of de verdachte al niet elders voor hetzelfde misdrijf is veroordeeld.

Wij hadden ervoor gepleit om ze als achtentwintigste (nu: negenentwintigste) land toegang te geven tot het Europees strafregister, maar dat lukte niet. Ze krijgen hun informatie nu alleen van de politiediensten en die interpreteren zelf de misdrijven die ze doorspelen.

Overigens kan de Belgische politie in België ook niet rechtstreeks het Belgisch strafregister inzien. Men zegt al tien jaar lang dat dit mogelijk moet worden gemaakt, maar het is nog altijd niet gerealiseerd. De Belgische politie kent wel “daders”, maar weet niet of die veroordeeld zijn of niet.

Verder heeft het Europees strafregister evenmin betrekking op veroordeelde rechtspersonen (bedrijven, vzw’s e.d.).

En ook de ontzettingen uit de rechten en de diskwalificaties staan er niet allemaal in. Het gaat dan om beroepsverboden, een verbod om een bedrijf te leiden, om les te geven aan minderjarigen of hen te begeleiden, om mee te dingen bij een openbare aanbesteding. Bovendien is de EU volkomen in gebreke gebleven om te bepalen dat bepaalde ontzettingen doorheen de EU moeten doorwerken, of dat men geen getuigschrift van goed gedrag meer kan bekomen indien men elders in de EU reeds voor bepaalde misdrijven is veroordeeld. Nochtans hadden wij daar een gedetailleerde blauwdruk voor uitgeschreven. Dat betekent dus dat het Fourniret-probleem nog altijd niet is opgelost! De EU eist dus niet dat een leraar die wegens pedoseksuele feiten elders al een verbod heeft gekregen om met kinderen om te gaan, in alle lidstaten zo’n verbod moet krijgen. Dit Europees strafregister is dus op velerlei vlakken een gemiste kans.

U hebt ook nogal wat kritiek op het paradepaardje van het Belgisch Voorzitterschap van 2010: het Europees Onderzoeksbevel.

België lanceerde dat gewoon op eigen houtje, blijkbaar uit een zekere scoringsdrang, en ons land doorkruiste daarmee een heel hervormingsproces dat op EU-niveau al sinds 2003 aan de gang was.

Om de Europese justitiesystemen beter op elkaar af te stemmen pleitte de Europese Commissie al sinds 2003 voor een vrij verkeer van bewijs. Dat houdt in dat bewijsmateriaal dat in één lidstaat rechtmatig is verkregen als rechtmatig zou erkend worden in een andere lidstaat. In 2009 werd hierover een Groenboek voorgesteld en een parallelle studie die wij voor de Europese Commissie realiseerden, gaf de mogelijke voorwaarden aan om dit te realiseren.

België doorkruiste heel dat proces door zijn soloslimoptreden. Via een Europees Onderzoeksbevel (EOB) zouden onderzoeksrechters en procureurs in alle lidstaten alle bevelen kunnen geven die ze willen. Ze zouden een huiszoeking, opgraving, verhoor kunnen bevelen als ze dat nodig vinden. Niet vragen dus, maar wel bevelen.

België vond steun bij zes andere lidstaten (Bulgarije, Estland, Spanje, Oostenrijk, Slovenië en Zweden), maar de grote landen hadden serieuze twijfels. Als zeven landen een initiatief steunen dan komt het op de Raad van ministers van justitie en binnenlandse zaken, de zogenaamde JAI. Die bereikte einde 2011 een akkoord over een tekst en die wordt nu verder besproken tussen de Raad, de Europese Commissie en het Parlement.

Is dat initiatief niet goed dan?

Nee. Om meerdere redenen niet.

Het EOB gaat ervan uit dat alle lidstaten braafjes de bevelen van een magistraat in een ander land zullen uitvoeren. Maar dat is niet zo. Kijk maar eens hoe moeilijk het is in de Benelux. Nederland weigert nog altijd om bepaalde onderzoeksdaden uit te voeren, zelfs als die verplicht zijn door het Beneluxverdrag. De Nederlanders zeggen dan dat ze daarvoor onvoldoende personeel hebben of dat het geen prioriteit voor hen is. En dan gaat het over onderzoeksdaden die ze volgens het verdrag moéten uitvoeren. Vele onderzoeksdaden kan je vandaag wel vragen, zonder dat ze moéten worden uitgevoerd. Ik denk dan aan een confrontatie, een line-up om een verdachte te herkennen, een plaatsbezoek, een opgraving, een undercoveractie. Het EOB bepaalt nu dat al wat gevraagd wordt, moét worden uitgevoerd. Dat is duidelijk onrealistisch, men moet immers rekening houden met capaciteitsproblemen en verschillen in prioriteiten of recherchecultuur. Er moeten duidelijke grenzen worden gesteld aan wat lidstaten kunnen eisen van andere lidstaten, zeker op het vlak van capaciteit. Het moet duidelijk zijn dat België niet de helft van de Bulgaarse politie aan het werk kan zetten met zijn eisen om bepaalde onderzoeksdaden uit te voeren.

Die regeling leidt bovendien tot overconsumptie. Dat was bij het Europees Aanhoudingsbevel ook al het geval. Sommige EU-lidstaten (bv. Portugal) vaardigen nu EAB’s uit louter om iemands verblijfplaats vast te stellen. Maar als zelfs tussen België en Nederland problemen rijzen over de onderzoeksdaden die nu verdragsrechtelijk moéten worden uitgevoerd, hoe zal men dit dan in de hele Europese Unie kunnen organiseren, zelfs voor die onderzoeksdaden waarvan de uitvoering vandaag op goodwill is gesteund? De tekst van het EOB bepaalt nu wel dat een bevel om een onderzoeksdaad uit te voeren “niet disproportioneel” mag zijn. Maar de vragende staat beslist zelf of het bevel tot die onderzoeksdaad “disproportioneel” zal zijn. Dat zal niet werken. Het EOB zal dus crashen op capaciteitskwesties: de staat die het bevel krijgt zal misschien niet genoeg personeel hebben om het bevel uit te voeren, of zich minstens achter die theorie verschuilen.

Bovendien ligt hét probleem van de internationale samenwerking op gerechtelijk gebied niet daar. Hét probleem ligt bij het vrij verkeer van bewijs. Onder welke voorwaarden kan bewijsmateriaal dat in een lidstaat (bv. Bulgarije) is vergaard in iedere andere lidstaat als per definitie toelaatbaar worden erkend? Dat is het probleem. Daarover was een studie klaar. Die pleitte o.a. voor een minimale gelijkschakeling van bepaalde onderzoeksdaden, voor een maximalisatie van de procedurerechten in internationale strafzaken en zelfs voor een wederzijdse erkenning van die procedurele rechten. Maar die discussie ligt nu helemaal stil en is misschien wel voor tien jaar geblokkeerd. En nochtans is dat het belangrijkste probleem in de gerechtelijke samenwerking momenteel.

Ondertussen maakt het Europees Parlement de aanvankelijke tekst nog slechter door overal rechten en actiemogelijkheden voor de verdediging in te bouwen. Zo werkt speurwerk echter niet. Tenzij men vindt dat iedere huiszoeking, telefoontap of schaduwoperatie op voorhand aan de verdachte moet worden gemeld. En verder maakt het Europees Parlement de tekst nog slechter door te eisen dat ieder bevel tot een onderzoeksmaatregel door een procureur of rechter wordt gegeven. En niet bv. door de douane of de politie, zoals dat vandaag voor sommige onderzoeksdaden mogelijk is. Dat is een serieuze beperking van de flexibiliteit die de rechtshulp vandaag biedt.

Het EOB is een versimpeling, het giet een aantal nu bestaande regelingen in één richtlijn. En dat is goed. Maar ondertussen blijven nog allerlei rechtshulpinstrumenten naast het EOB bestaan: het Prüm-Verdrag, het Prüm-Besluit, de Napels II-overeenkomst over douanerecht, het zogenaamde Zweeds Kaderbesluit. Het EOB integreert dus geenszins alle bestaande regelingen in één enkel, geconsolideerd instrument.

Ook de samenwerking tussen Europol en Eurojust kan niet Uw goedkeuring wegdragen?

Europol en Eurojust zijn bevoegd voor een aantal prioritaire misdrijven die overal in de EU vertakkingen kunnen hebben: mensenhandel, terrorisme, drugshandel, BTW-carrousels, kinderporno… Maar het grote probleem is dat de lidstaten nog altijd zelf deze misdrijven definiëren. In België is de definitie van mensenhandel veel ruimer dan elders en dan de overeengekomen EU-minimumdefinitie. Alles kan hier mensenhandel zijn, er is geen dwang vereist (zie: hier, nvdr). België geeft dus een reeks misdrijven door aan Europol, die andere landen niét doorgeven. Daardoor wordt de situatie onvergelijkbaar. Iedere lidstaat kan ook zelf definiëren wanneer er sprake is van terrorisme of van kinderporno, ondanks het bestaan van op EU-niveau overeengekomen gemeenschappelijke minimumdefinities ervan. Dat is eigenlijk onwerkbaar. Europol en Eurojust zouden een sterk mandaat moeten krijgen voor de betreffende misdrijven op basis van die gemeenschappelijke definities, en de lidstaten een absolute samenwerkingsverplichting ter zake.

Je moet het vergelijken met het Internationaal Strafhof. Hoe zou dat nog kunnen werken als alle landen zelf een definitie zouden mogen geven aan oorlogsmisdaden: de ene stopt verkrachtingen eronder, de andere niet. Kan dus niet he.

Zeker zo opmerkelijk is dat Eurojust – ook in de recente hervormingsvoorstellen van de Europese Commissie - geen toegang heeft tot de databank van Europol en dat hun gegevenssystemen niet op elkaar afgestemd zijn. Als Eurojust, dat de vervolging van misdrijven die voor de EU prioritair zijn moet aansturen, wil weten of Europol ook gegevens heeft over een bepaald feit, dan moet het dat eerst beleefd vragen. Eurojust kan immers nu wel nagaan of Europol hierover bepaalde gegevens heeft, maar niet welke. Om die gegevens te krijgen, kan Eurojust dat dan vragen, en Europol gaat dan eens nadenken of ze worden gegeven, want het moet niet. Volkomen onwerkbaar is dat. Stel je voor dat de Belgische federale procureur Johan Delmulle aan de federale politie zou moeten gaan vragen of zij ook iets weten over crimineel feit X. En dat die politie dat dan niet zou willen geven. Ongelofelijk. Zo’n situatie heb je dus tussen Europol en Eurojust. Een situatie van absoluut wantrouwen en institutioneel territoriumgedrag, die leidt tot veel dubbel werk.

Nu komt er toch één Europees Openbaar Ministerie?

Ja, dat komt naast Eurojust, voor één bepaalde categorie misdrijven: in essentie corruptie en fraude ten nadele van de EU-begroting. De “EPPO” (European Public Prosecutor’s Office) is het prestigeproject van Eurocommissaris Reding. Alvast Engeland en Denemarken doen niet mee en ook Ierland moet niet meedoen. Om de EPPO te veralgemenen moeten de overige lidstaten unaniem akkoord gaan om het in te voeren. Als dat niet lukt, dan moeten er minstens 9 zijn die het willen doen. Zij mogen het dan op eigen houtje doen. De Europese Commissie gaat er officieel nog even vanuit dat alle andere lidstaten dan de hiervoor genoemde zullen instappen, maar dat is volkomen onrealistisch. Ik gok op 15 van de 28 lidstaten. Een pak grote landen, waaronder Frankrijk en Duitsland, hebben alvast fundamentele problemen met de impact die het huidige voorstel op de interne strafprocedure zou hebben.

Wat is er mis met dit project?

Het geldt niet voor alle misdrijven die in de Europese Unie prioritair zijn, maar alleen voor corruptie en fraude tegen de EU-begroting. Voor mensenhandel, terrorisme, drugs, kinderporno, deelneming aan een criminele organisatie geldt het dus niet. Maar het geldt wel voor elke corruptie of fraude ten nadele van de EU-begroting, ook de allerkleinste. Bijvoorbeeld een Europese ambtenaar die 200.000 euro heeft verduisterd in één bepaalde lidstaat. Daarvoor is toch geen Europees Openbaar Ministerie nodig! Dat moet dienen voor heel grote zaken die zich vertakken over meerdere lidstaten.

En verder. Momenteel doet OLAF, het antifraudebureau van de Europese Unie, de administratieve onderzoeken naar fraude tegen de EU. Als een administratief onderzoek rond is, dan gaat OLAF naar het parket van de lidstaat van de dader tegen wie het onderzoek was gevoerd en dat vervolgt. Eurojust coördineert die vervolging en kan de staten wat aanporren als ze niet voortdoen. Maar Eurojust kan momenteel geen vervolging bevelen. De EPPO zal dat in de toekomst voor corruptie en fraude tegen de EU-begroting wel kunnen.

Als de EPPO er komt, dan wordt dit administratief onderzoek van Olaf afgeschaft. Olaf zou zich alleen nog bezighouden met kleinere normvervaging (een ambtenaar aanvaardt een fles wijn e.d.). Maar dat is dus niet realistisch, want wie zal die onderzoeken dan wel doen? En verder: voor de lidstaten die niét met de EPPO meedoen, zal OLAF uiteraard wel de bevoegdheid moeten behouden om een administratief onderzoek te doen. Net zoals Eurojust bevoegd zal moeten blijven om de vervolging te coördineren voor lidstaten die niét meedoen met de EPPO en natuurlijk ook voor alle andere prioritaire misdrijven zoals bv. mensenhandel, terrorisme en drugs, genocide, deelneming aan een criminele organisatie. Er komt dus vooral overlapping en een kostenbesparing is de EPPO helemaal niet. Ik vrees voor een “instellingenstrijd” tussen de EPPO en Eurojust.

Wat had er dan moeten gebeuren?

Eurojust had de bevoegdheid moeten krijgen om zo nodig vervolging in alle lidstaten te bevelen, als lidstaten zelf in gebreke blijven dat te doen. En dit voor àlle misdrijven die voor de EU prioritair zijn, niet alleen voor corruptie en fraude tegen het EU-budget. En dit opnieuw op basis van gemeenschappelijke minimumdefinities van al die misdrijven. De EPPO had er niet moeten komen.

Europees Commissaris voor Justitie Reding heeft zonet de krijtlijnen uitgetekend voor zowel de EPPO als Eurojust en ze houdt Eurojust bewust in een ondersteunende en coördinerende rol. Eurojust krijgt nog minder mogelijkheden om een strafrechtelijk onderzoek in de lidstaten te initiëren dan Europol. Dat is eigenlijk gewoon misdadig. Maar toch zal de EPPO er komen als apart orgaan en dat is geen goede zaak.

Merkwaardig is verder dat bewijsmateriaal dat op bevel van de EPPO in een bepaalde lidstaat is ingezameld in de andere lidstaten zal moéten worden erkend als toelaatbaar, zonder enige noemenswaardige voorwaarde of beperking. Dat zal dus nog heel wat verder gaan dan de lakse Belgische Antigoonregels of de wet-Landuyt, die deze regels in de Belgische wet omzet. De kans dat het bewijs niet volledig werd verzameld volgens de regels die gelden in de lidstaat die moet vervolgen van de EPPO, is bijzonder groot. En de verdediging kan de keuze van het land dat moet vervolgen niet betwisten. Dat laatste strookt helemaal niet met eerder uitgebrachte adviezen.

De totale balans is voor U vrij negatief?

Inderdaad. Het enige positieve van het recente EU-justitiebeleid is dat de procedurerechten van verdachten nu overal in de EU beter geregeld zullen zijn, iedere verdachte krijgt bijstand van een advocaat, recht op vertaling en vertolking in strafzaken, en recht op informatie over de aanklacht.

Uw team moet in opdracht van de FOD justitie de hele Belgische strafprocedure herschrijven?

De Europese Salduz-regeling wil dat iedere verdachte bij ieder verhoor voor ieder misdrijf bijstand krijgt van een advocaat. Momenteel is er slechts bijstand van een advocaat bij het eerste verhoor en niet voor verkeersmisdrijven. Europa breidt die regeling enorm uit en wij zullen uiterlijk binnen de drie jaar onze wetgeving daaraan aangepast moeten hebben.

Wij kregen nu samen met professor strafprocesrecht Philip Traest (eveneens UGent) de opdracht om een onderzoek te doen over de grote keuzes die bij die hervorming gemaakt moeten worden. Wat is de positie van de verdachte en het slachtoffer, is de onderzoeksrechter nog onverkort nodig, moet de raadkamerprocedure bij de afsluiting van een gerechtelijk onderzoek worden herzien, waarheen met assisen … Wij moeten dus – binnen de contouren die Europa ons oplegt – een aantal mogelijke beleidsopties uittekenen. We schrijven dus nog geen wetboek in detail, we geven slechts beleidsopties, die we ook aftoetsen bij een groep van ruim 150 stakeholders (belanghebbenden): procureurs, (onderzoeks)rechters, advocaten, politiemensen enz. Op basis van die informatie kunnen de politici dus weloverwogen keuzes maken, inhoudelijk én rekening houdend met de haalbaarheid ervan om ze te implementeren.

We zullen in die studie ook problemen aansnijden zoals de onderzoekscultuur. Moet je alle feiten tegen een dader volledig uitpluizen of stap je naar de rechter als je voldoende hebt? Het gaat dus over de grote keuzes die gemaakt kunnen worden in functie van een meer efficiënte en tegelijk gebalanceerde strafprocedure, rekening houdend met de omzetting van Europese rechtsregels. Ons rapport moet tegen augustus 2014 worden opgeleverd.

Daarna zullen de politici keuzes kunnen maken en als dat proces achter de rug is, kan de technische uitwerking in een echt nieuw wetboek volgen.


*****************************************


Lees ook:

Professor Vermeulen vergelijkt de Europese gevangenisregimes

Professor Vermeulen bekritiseert de wet op de mensenhandel

Prostitutie is een knelpuntberoep

Vermeulen over overlast

De Belgische Salduz-wet


*****************************************


Het dagelijkse nieuws over het justitiebeleid vindt U door in de functie "zoeken" rechtsboven op deze site de letters JDW in te tikken.


*****************************************



Nu in het nieuws