Voorwaardelijke invrijheidsstelling in zes vraagjes

Voorwaardelijke invrijheidsstelling in zes vraagjes

Voorwaardelijke invrijheidsstelling in zes vraagjes

Print
De voorwaardelijke invrijheidsstelling van Michelle Martin roept vele vragen op. Hierbij de belangrijkste.

1. Wat is voorwaardelijke invrijheidsstelling?

Voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) betekent dat een gevangene onder bepaalde voorwaarden vroeger kan vrijkomen dan zijn strafeinde. In België is die termijn een derde van zijn straftijd, bij recidivisten twee derde. Voor levenslang gestraften is de termijn tien jaar en zestien jaar als ze recidivist zijn.

2. Wie beslist over VI?

Sinds 1 maart 1999 beslist een strafuitvoeringsrechtbank (SURB) van drie rechters over VI voor veroordeelden die meer dan 3 jaar moeten zitten. Tegen hun beslissing is geen beroep mogelijk. Wel kunnen de veroordeelde én het parket-generaal naar Cassatie gaan als de procedure uit de wet niet correct is gevolgd. In dat geval moet Cassatie binnen de dertig dagen beslissen en zolang blijft de betrokkene (Martin dus) in de cel.

Voor straffen onder de drie jaar beslist de minister van Justitie zeker nog tot 1 september 2O13. Straffen onder de drie jaar worden bijna automatisch herleid tot een derde van de straftijd en daarna omgezet in elektronisch toezicht.

3. Hoe krijg je VI?

De gevangenisdirectie vraagt de VI aan als de gedetineerde bijna in de voorwaarden daarvoor is. De gedetineerde zelf moet daar niet eens mee akkoord gaan.

De gevangene moet wel een reclasseringsplan kunnen voorleggen. Hij moet aantonen dat hij een woning en een bezigheid (bij voorkeur: werk) heeft. De houding tegenover zijn slachtoffers en tegenover de feiten speelt ook een rol: dreigt de gedetineerde zijn slachtoffers lastig te vallen, hoe staat hij tegenover hen, vergoedt hij de schade, is er risico op een nieuw misdrijf? Al deze elementen spelen mee bij de beslissing. Je krijgt dus niet zomaar VI, het is geen recht.

4. Hebben de slachtoffers iets te zeggen aan VI?

De slachtoffers, die dat hebben gevraagd, worden gehoord tijdens de debatten over de VI van hun dader en ze worden ingelicht over de beslissing. De uitspraak zelf is openbaar, de slachtoffers kunnen die dus bijwonen. Ze mogen echter alleen hun visie geven over de voorwaarden die op hen betrekking hebben, niet over de vrijlating zelf, noch over voorwaarden die niets met hen te maken hebben. Ze kunnen ook niét in cassatie gaan tegen het vonnis van de SURB.

5. Wat zijn de voordelen van VI?

* VI geeft de gedetineerden uitzicht op een toekomst, bevordert goed gedrag in de gevangenis en houdt gevangenen als het ware "aan het lijntje".

* Door VI wordt de gedetineerde meestal langer gecontroleerd dan wanneer hij zijn straf helemaal zou uitzitten. Slechts in één op de vijf gevallen is dat niet zo.

* VI erkent dat mensen kunnen veranderen en verbeteren, ook in de gevangenis.

* De VI voorkomt recidive. Amper 5,5% van de vrijgelatenen pleegt een nieuw misdrijf, zo stellen de Justitiehuizen vast.

* VI doet de gevangenisbevolking aanzienlijk dalen. Zonder VI zou het gevangeniswezen gemiddeld per dag in 2007 2.200 gedetineerden meer hebben geteld.

6. Wie krijgt VI?

Criminoloog Eric Maes onderzocht het.

* In 2010 kregen 711 gedetineerden VI. Dat is 4,1% van alle gedetineerden die werden vrijgelaten.

* VI-ers zijn jonge mannen. De gemiddelde leeftijd van de vrijgelatenen is 36 jaar.

* De grootste groep zijn mensen met straffen tussen drie en vijf jaar (48,8%). Assisenklanten vertegenwoordigen slechts 10% van de groep: 2,4% kregen levenslang, 8,7% een tijdelijke straf (zoals Martin dus).

* Gemiddeld zouden de VI-ers nog 6,5 jaar moeten zitten, als ze niet waren vrijgelaten. Gemiddeld komt de VI-er vrij na 3,5 jaar opsluiting. De levenslanggestraften kwamen vrij na iets meer dan 11 jaar.

* Gedetineerden krijgen zeker geen VI op het moment dat ze die zouden kunnen krijgen. Gemiddeld zo'n 14,5 maanden later en in meer dan de helft van de gevallen meer dan een jaar later. Hoe hoger de straf was waarvoor iemand is veroordeeld, hoe langer het "surplus".

* Zes op de tien VI-ers heeft een proeftijd van vijf jaar of meer. In bijna één op de vijf gevallen duurt de proeftijd net zolang als de gedetineerde nog zou moeten zitten (het zgn. "strafrestant"). In de meeste gevallen (44,5%) duurt de proeftijd langer, maar niet meer dan het dubbele van het strafrestant.

Meer weten over VI én de zaak-Martin? Ga naar de expertenpagina van John De Wit.

JDW

Foto: Michelle Martin

Foto Belga

Nu in het nieuws