Naar een Vlaams antidiscriminatiecentrum?

Print
7 MEI 2012 - Moet Vlaanderen een eigen instelling krijgen om discriminatie te bestrijden? Of moet Vlaanderen daarvoor het federale Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR) bevoegd maken? Deze vraag stond vorige week ter discussie in het Vlaams Parlement. Vele argumenten pleiten voor een apart Vlaams orgaan: het strookt met de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat en de gemeenschappen en gewesten; het staat dichter bij de burger; het is makkelijker controleerbaar; het zal een ruimer draagvlak hebben omdat de mensenrechtencultuur in Vlaanderen anders is dan die in Wallonië. Maar er zijn ook nadelen: de kostprijs, de versnippering, het verloren gaan van expertise en dubbel werk. Een overzicht van de discussie.

1. WAT IS HET PROBLEEM?

Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) is bevoegd voor de handhaving van de antidiscriminatiewet en de antiracismewet. Het kan processen opstarten tegen overtreders. Maar het is een federale organisatie en dus is het alleen bevoegd voor federale materies (de vreemdelingenwet, de gevangenissen, de politie…). Niét dus voor communautaire en gewestelijke bevoegdheden. In de praktijk: niet voor discriminaties bij de Lijn, in het onderwijs, in de welzijnszorg, bij de beroepsopleiding, bij de Vlaamse ambtenarij e.d.

Er is momenteel geen onafhankelijke instelling die discriminaties bij Vlaamse bevoegdheden controleert en dat is een overtreding van een Europese richtlijn. Daarom rees dus de vraag: moet er een aparte Vlaamse instelling voor deze bevoegdheden komen? Of zullen we het federale CGKR ook bevoegd maken voor discriminaties bij communautaire en gewestelijke (Vlaamse) bevoegdheden? Deze laatste optie noemt men de "interfederalisering" van het CGKR.

De federale regering wil dit laatste. Ze schreef dit zelfs in haar regeerakkoord. Iedereen, ook de Vlaamse regering met daarin de N-VA, ging akkoord met deze visie. Het Vlaams parlement en de Vlaamse regering stelden wel een voorwaarde: die interfederalisering moest rond zijn tegen juni 2010. Die termijn werd verlengd tot juni 2011, omdat er geen federale regering was. En hij werd nog eens verlengd tot juni 2012. Als de interfederalisering tegen dan niet lukt, als er tegen dan geen geschreven akkoord is, moet de Vlaamse regering nog voor de zomer van 2012 een voorstel van decreet opstellen om een eigen Vlaamse instelling op te richten, zo wilde het Vlaams Parlement.

Het wil bovendien dat vooraf een debat wordt gevoerd over welke de kerntaken van zo'n nieuw interfederaal CGKR zou zijn. Het wil verder dat de raad van bestuur door de parlementen wordt samengesteld en niet door de regeringen.

Dat is zowat de schets van het probleem. Twee bemerkingen vooraf nog:

* In alle beleidsopties blijft het federale CGKR bestaan als antidiscriminatiecentrum voor de federale bevoegdheden. Deze discussie gaat alleen over de vraag of het CGKR er de discriminaties in Vlaamse (Waalse, Brusselse, Duitstalige) materies moet bijpakken of niet en onder welke voorwaarden.

* Vlaanderen heeft in tegenstelling tot de andere gemeenschappen en gewesten zelf ook dertien meldpunten voor discriminatie opgericht in de steden. Zij kunnen bij geschillen bemiddelen en preventieve maatregelen voorstellen, maar ze kunnen - in tegenstelling tot het CGKR - niet naar het gerecht stappen. Anderzijds zijn ze - eveneens in tegenstelling tot het CGKR - ook bevoegd voor discriminatie op grond van geslacht en taal.

In 2010 kregen ze 746 echte klachten over discriminatie binnen. Dat leidde tot 596 dossiers. 47% betrof raciale discriminatie, 15% discriminatie van gehandicapten en 6% leeftijdsdiscriminatie. 42% van deze dossiers werden opgemaakt in Antwerpen en Gent. Negen van de 12 erkende meldpunten hebben minder dan 50 dossiers per jaar, vier minder dan 20. (Een overzicht van de klachtenwerking van het federale CGKR vindt U hier, nvdr.)

De meldpunten hebben een officieuze samenwerking met het CGKR aan wie ze in 2010 63 dossiers doorstuurden en dat hun klachten ook registreert. Officieel is er echter geen samenwerking. Die is er wel met de Vlaamse Inspectie Werk en Sociale Economie, die 9 klachten onderzocht en die ook gerechtelijke stappen kan ondernemen.

Ondertussen vroeg Vlaams minister voor Gelijke Kansen Pascal Smet (sp.a) aan twee onderzoekers om na te gaan hoe andere federale staten de discriminatie bestrijden en wat de voor- en nadelen van beide systemen (aparte Vlaamse antidiscriminatie-instelling versus een interfederaal CGKR) zijn. Stefan Sottiaux en Jogchum Vrielink (Discriminatierecht, KULeuven) stelden hierover een rapport op. Ze nemen geen standpunt in deze politieke discussie in, ze schreven een objectief verslag, maar tussen de regels kan je een voorkeur voor een aparte Vlaamse instelling voelen. Dat bleek op een hoorzitting die de Commissie Gelijke Kansen van het Vlaams Parlement vorige donderdag organiseerde. Zij kwamen daar hun visie toelichten en samen met hen kwam ook Ides Nicaise, de voorzitter van het "interfederale" Steunpunt Armoedebestrijding, een onderdeel van het CGKR.

2. WAARTOE IS VLAANDEREN MOMENTEEL VERPLICHT?

Wat is momenteel nodig? Waartoe is Vlaanderen momenteel verplicht door internationale verdragen en richtlijnen en ook door zijn eigen decreten? Jogchum Vrielink zette het uiteen.

* Van Europa moet Vlaanderen een instelling hebben die zich bezighoudt met discriminatie op basis van geslacht. Die moet minimaal bevoegd zijn voor discriminatie bij het leveren van goederen en diensten, de arbeidsbetrekkingen en de sociale bescherming, de beroepsopleiding, het lidmaatschap van een werkgevers- en werknemersorganisatie.

* Bovendien moet Vlaanderen van Europa ook nog een instelling hebben die bevoegd is voor discriminatie op grond van ras en etnische afstamming in dezelfde sectoren plus het onderwijs.

* Verder verplicht het Vlaams Decreet Evenredige Arbeidsparticipatie (DEPA) van 2002 Vlaanderen tot de oprichting van een mensenrechteninstelling die discriminatie in arbeidsrechtelijke kwesties aanpakt. Ook het Vlaams Gelijke Kansendecreet van 2008 verplicht tot oprichting van een instelling die discriminaties bestrijdt, niet alleen in de arbeidsrelaties, maar ook bij beroepsopleiding, arbeidsbemiddeling, gezondheidszorg, onderwijs, deelname aan publieke economische en sociale sectoren e.d. Die instellingen kwamen er nooit.

* En tenslotte moet er een instelling zijn die toeziet op de discriminatie van gehandicapten.

Maar, zo zegde Vrielink, Vlaanderen is juridisch niet verplicht om een algemene mensenrechtenorganisatie op te richten.

3. WAT DOET HET BUITENLAND?

3.1. BUITENLANDSE EVOLUTIES

Hoe evolueert het buitenland? Ook dat onderzocht Vrielink. Hij zag twee tendensen als je de ons omringende landen bestudeert:

== De gelijkheidsorganen (die dus enkel discriminatie bestrijden, zoals het CGKR) evolueren van specifieke "sectorale" instellingen naar algemene organen. Terwijl vroeger gelijkheidsorganen bevoegd waren voor één specifieke discriminatie (hetzij op basis van geslacht, hetzij op basis van ras) zijn ze nu steeds meer bevoegd voor alle discriminaties. Het CGKR is in België bevoegd voor alle discriminaties, behalve voor die op basis van geslacht (daarvoor is het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen bevoegd) en die op basis van taal (daarvoor is er momenteel nog een instelling). De tendens is dus naar centra die bevoegd zijn voor àlle vormen van discriminatie.

== Merkwaardig genoeg zien we deze tendens niet bij de mensenrechtenorganisaties. Zij blijven in de meeste landen één mensenrecht of één sector behartigen en evolueren niet naar een algemene mensenrechteninstelling. Denken we in België aan het Comité P, de privacycommissie, de Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen, de Hoge Raad voor Justitie, het Kinderrechtencommissariaat e.d. Hier is geen tendens naar integratie, iedereen blijft bij zijn rechten of zijn sector.

3.2. VOOR- EN NADELEN VAN BEIDE SOORTEN INSTELLINGEN.

Wat zijn de voors en tegens van beide soorten instellingen?

Sectorale gelijkheidsinstellingen (zoals dus in België bv. het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen) hebben als voordeel dat ze meer gericht zijn op specifieke doelgroepen en voor die groepen ook zichtbaarder zijn. Bovendien hebben ze een gespecialiseerdere kennis van de problematieken. Nadelen zijn hier: mogelijk dubbel werk en inefficiëntie en versplintering van het "gelijkheidslandschap" en vooral de onmogelijkheid om vormen van discriminatie aan te pakken die zich niet beperken tot één discriminatiegrond.

Geïntegreerde gelijkheidsinstellingen (zoals in België in zekere zin het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding) hebben als belangrijkste voordelen: de middelen en de kennis worden efficiënter benut; er is kruisbestuiving van goede ideeën uit de verschillende sectoren; er is een grotere bekendheid bij het algemene publiek en er is een groter maatschappelijk draagvlak. Nadeel hier is vooral dat sommige vormen van discriminatiebestrijding weggedrukt worden ten voordele van andere (bij het CGKR worden leeftijdsdiscriminatie en tot voor kort homodiscriminatie ondergewaardeerd ten voordele van discriminatie van allochtonen, nvdr). Er is ook een gevaar van interne tegenstellingen (rechten van moslims en homo's kunnen al eens flink botsen, zie: hier), van concurrentie met het middenveld (tientallen andere organisaties dan het CGKR houden zich al met vreemdelingendiscriminatie bezig en het CGKR dreigt zo een super-ngo te worden, nvdr).

3.3. HOE LOSSEN FEDERALE STATEN HET PROBLEEM OP?

Wat doet het buitenland? Hoe doen andere federale staten het? Hebben zij één nationaal "interfederaal" centrum voor gelijke kansen, of heeft iedere deelstaat zijn eigen antidiscriminatiecentrum?

Sottiaux en Vrielink onderzochten 7 federale staten, meestal uit de EU, maar ook Canada, de VS, Australië omdat zijn pionierden inzake mensenrechten. Tegelijkertijd werd één niet federale staat onderzocht, nl. Nederland om dezelfde reden.

* Het onderzoek wijst uit dat àlle federale staten nationale én regionale instellingen voor de strijd tegen discriminatie naast elkaar hebben. Vaak zijn er zelfs ook provinciale en gemeentelijke discriminatiecentra. In Nederland was er één centrale instelling (de Commissie Gelijke Behandeling), maar in 2009 besloot de regering dat iedere gemeente daarnaast ook nog een apart centrum moest hebben. Sottiaux: "De Belgische discussie over de "interfederalisering" van het CGKR bestaat in andere landen niet".

Sottiaux vindt meerdere redenen van het naast elkaar bestaan van een federaal orgaan naast meerdere regionale organen: "De deelstaten vinden dat dit logisch voortvloeit uit de bevoegdheidsverdeling in een federale staat. Ze willen bovendien niet dat federale organen bevoegdheden en regels van hun eigen staat zouden controleren. Ze vinden voorts dat ze dichter bij de burger staan".

4. EEN APART VLAAMS ANTIDISCRIMINATIECENTRUM?

Sottiaux bracht ook de voor- en nadelen van aparte deelstatelijke organen in kaart.

4.1. VOORDELEN VAN EEN APART VLAAMS CENTRUM

Wat zijn de voordelen van een apart Vlaams antidiscriminatiecentrum?

* Er is meer innovatie. Soms wenst een bepaalde regio te experimenteren met nieuwe technieken om discriminatie te bestrijden. Zo kunnen ze kiezen voor andere sancties, voor quota of voor een meer preventief gericht beleid. Andere regio's doen het anders. Het is makkelijker als iedere deelstaat zijn eigen controle-orgaan op de wet heeft.

Sottiaux zegde dat Vlaanderen nu al experimenteert met lokale meldpunten (Wallonië niet) en dat het een meer Angelsaksisch gerichte aanpak heeft: het Vlaams antidiscriminatiedecreet wil eerder daden aanpakken dan woorden (bv. racistische meningsuitingen) bestraffen, terwijl de federale wet zeker tot voor kort meer de Franse visie volgt waarin strafrecht en repressie centraal staan. "Naarmate wetten en decreten van elkaar verschillen en naarmate hun toepassing verschilt, is een apart centrum interessanter. Momenteel lopen wetten en decreten echter nog grotendeels gelijk."

* Een regionaal gelijkheidsorgaan kan beter focussen op de plaatselijke problemen. Het raakt makkelijker aan informatie, kan sneller samenwerkingsverbanden organiseren en heeft meer oog voor de plaatselijke problemen. Voor een "interfederaal" centrum is dat allemaal veel moeilijker.

* Een Vlaams antidiscriminatiecentrum kan door Vlaanderen makkelijker ter verantwoording worden geroepen als het de decreten niet juist toepast. De controle van Vlaanderen op een federaal centrum is altijd beperkt.

* Op de enige plaats waar dit werd onderzocht, de VS, bleek duidelijk dat de plaatselijke antidiscriminatiecentra beter en efficiënter werkten dan de federale, hoewel de situatie VS-België zeker niet op alle vlakken vergelijkbaar is. In Vlaanderen zien we momenteel al dat de lokale meldpunten tegen discriminatie plaatselijk meer klachten binnenkrijgen dan het CGKR.

4.2. NADELEN VAN EEN APART VLAAMS CENTRUM

Sottiaux gaf enkele belangrijke argumenten tegen een apart Vlaams antidiscriminatiecentrum.

* Meerdere organen leiden automatisch tot hogere kosten, omdat er altijd bepaalde vaste kosten zullen zijn (gebouwen, informatica, basispersoneel…). In België zullen - ten gevolge van de staatshervorming - dan misschien zelfs vijf instellingen moeten worden opgericht, mogelijk meer door de gecompliceerde Brusselse structuur.

* Verschillende organen concentreren zich op dezelfde praktijken en zullen mogelijk tegenstrijdige beslissingen nemen.

* De expertise wordt versnipperd.

* Lokale centra kunnen meer politiek beïnvloed worden dan een centraal CGKR. Dat geldt vooral voor gemeentelijke antidiscriminatiecentra, minder voor de andere.

Ides Nicaise voegde daar tijdens de hoorzitting nog enkele punten aan toe:

* Een interfederaal centrum is onafhankelijker, want één politieke overheid kan niet zomaar de regels wijzigen. Dat moet door een samenwerkingsakkoord gebeuren en daarbij zijn vijf regeringen betrokken.

* De burger moet één loket hebben waar hij met zijn klachten over discriminatie naartoe kan. Die "één loketfunctie" gaat verloren als er meerdere regionale centra komen. Een Vlaamse illegaal in Brussel moet dan al weten bij welk centrum hij terecht kan met zijn klachten. Dat is beter als er maar één is.

* Europa ontwikkelt meer en meer een sociaal beleid en het is eenvoudiger als de EU in iedere staat één aanpreekpunt heeft.

* Een interfederaal centrum bevordert een globale aanpak: mensenrechten zijn universeel, ze doen naleven kan niet zo enorm uiteen lopen.

5. WAT VINDT DE POLITIEK?

Wat vindt de politiek?

Tot op heden zijn alleen LDD, de N-VA en het VB voor een eigen Vlaams centrum. Zij zien in het rapport-Sottiaux-Vrielink een reeks argumenten om hun visie te ondersteunen.

Sp.a, CD&V, Open Vld en Groen zijn voor een interfederaal centrum, als dat er tenminste op 30 juni 2012 is. Groen wil alvast die deadline verder verlengen. De partij vreest dat een Vlaams Centrum de rechten van vreemdelingen niet zo goed zal behandelen als een federaal centrum.

6. BEDENKINGEN

1. Het is merkwaardig dat deze discussie nog gevoerd kan worden. Het ligt toch voor de hand dat de eigen Vlaamse decreten gecontroleerd worden door eigen Vlaamse organen. Een goede staatshervorming vereist dat homogene bevoegdheidspakketten worden overgedragen van de federale overheid aan de Gewesten en Gemeenschappen. Door bevoegdheden over te dragen, maar de controle federaal te houden maakt men de werking van de staat alleen maar ingewikkelder.

De redenering van sommige Vlaamse traditionele partijen verbaast des te meer, gezien zij zelf voor bouwvergunningen een eigen "Raad van State" hebben opgericht, wat eigenlijk op het randje van de grondwettelijkheid was. Maar wat daar kon, kan volgens die partijen blijkbaar niet in de discriminatiesector, terwijl hier geen grondwettelijk probleem is omdat geen rechtbanken worden opgericht. Een eigenaardig gebrek aan consequentie.

Andere federale staten ontwikkelen allemaal eigen lokale antidiscriminatiecentra. Alleen België zou dat niet doen.

2. Alle argumenten tegen een eigen Vlaams centrum, zijn in wezen argumenten tegen de federalisering van het land.

2.1. "Men moet dan minstens vijf centra oprichten", zo zeggen de tegenstanders. Inderdaad: er zijn vijf regeringen in het land omdat de staatshervorming erg complex is (en de Brusselse situatie met haar Gemeenschapscommissies maakt het eigenlijk nog iets ingewikkelder dan we hier schrijven, nvdr), mede doordat de beloofde fusie van gemeenschap en gewest er aan Franstalige kant nooit is gekomen. Gezien deze complexiteit is er geen reden om de structuur van de staat nog verder te compliceren. En dat doe je natuurlijk wel door bevoegdheden over te dragen, maar de controle federaal te houden.

2.2. "Dit zal veel geld kosten en we moeten al bezuinigen", zeggen de tegenstanders. Inderdaad, maar het is een eigenaardig argument, dat niét gebruikt werd om het gemeenschapsonderwijs of de beroepsopleiding "interfederaal" te houden. In beide gevallen werden wél volledig aparte Vlaamse organisaties in het leven geroepen. En dat is ook normaal als het om eigen Vlaamse bevoegdheden gaat.

Men kan het argument zelfs omkeren. Wat zou een interfederaal centrum dan wel kosten? In 2007 raamde de Vlaamse regering de kosten voor Vlaanderen op 650.000 euro jaarlijks. (Einde 2011 raamde Vlaams minister Pascal Smet de kosten voor een eigen Vlaams antidiscriminatiecentrum op 1 miljoen euro jaarlijks).

CGKR-directeur Jozef De Witte schatte de bijkomende kosten van een interfederaal centrum aan de Vlaamse belastingbetaler op "slechts de helft tot één derde dan wanneer én Vlaanderen én Brussel een eigen 'Centrum' zouden oprichten." De Witte denkt dat "er niet zo heel veel extra kosten zullen bijkomen, omdat nu al veel gebeurt: Vlaanderen financiert nu al de meldpunten tegen discriminatie én hun samenwerking met het CGKR. (In totaal voor ongeveer een half miljoen euro, nvdr). Ik geloof bovendien nooit dat het aantal meldingen zal verdubbelen als het CGKR interfederaal zou worden".

Het blijft moeilijk om uitspraken over de kosten te doen, want de wetenschappelijke onderbouw van de ramingen die men voorstel, is niet duidelijk en zelfs niet mogelijk omdat men niet weet hoe het "kerntakendebat" over het CGKR zal aflopen.

2.3. "Een interfederaal centrum is onafhankelijker, een bepaalde deelregering kan het niet zomaar onder druk zetten omdat zijn werking met samenwerkingsakkoorden is geregeld", zo zeggen de tegenstanders van een Vlaams centrum.

Hierbij twee bedenkingen:

* Onafhankelijkheid is niet hetzelfde als oncontroleerbaarheid. Het huidige CGKR is de facto bijna oncontroleerbaar: de Raad van Bestuur benoemt de directeur niet en kan hem ook niet ontslaan, want dat doet de regering. Maar uiteindelijk is geen enkele minister, noch het parlement echt aansprakelijk voor het beleid van het CGKR, dat "onafhankelijk" is. Deze situatie zou natuurlijk nog verergeren als er vijf regeringen betrokken zijn bij het interfederale centrum. In een democratie mag geen enkele organisatie als een staat in de staat boven de wet kunnen staan. Voor ieder orgaan van de overheid moet een minister of een raad van bestuur politiek aansprakelijk zijn.

* Onafhankelijkheid is niet alleen nodig tegenover de regering en de beleidsmakers, maar ook tegenover de ngo's en tegenover diverse lobbygroepen in de mensenrechtensector. Want "mensenrechten" kunnen wel degelijk verschillend worden ingevuld en ze kunnen ook botsen. De invloed van sommige lobbygroepen, vooral uit de vreemdelingensector, op het CGKR is sterk, die van andere lobbygroepen (patiënten, bejaarden, homo's) is veel zwakker. Onafhankelijkheid van een antidiscriminatiecentrum vereist ook een onafhankelijkheid van deze lobby's, van de manier waarop zij mensenrechten invullen en van de prioriteiten die zij aanleggen bij het bestrijden van schendingen van het discriminatieverbod.

Hiermee komen we tot de kern van de discussie. In Franstalig België worden de mensenrechten en de discriminatieproblematiek anders ingevuld dan in Vlaanderen. De lobbygroepen die in Franstalig België de mensenrechten invullen kunnen in Vlaanderen niet op de steun van de meerderheid van de bevolking rekenen. Er zijn in Vlaanderen en Wallonië nu eenmaal verschillende mensenrechtenculturen. Ook daarom zijn aparte mensenrechtencentra aangewezen.

Het CGKR leunt momenteel meer aan bij de Franstalige visie. Het CGKR wordt ook maatschappelijk en politiek meer aanvaard in Franstalig België dan in Vlaanderen. Wanneer het CGKR een interfederaal centrum wordt, dan dreigt deze situatie bestendigd te worden. Mogelijk wordt het CGKR meer nog dan nu een oncontroleerbaar orgaan waaraan je als democratisch verkozen parlement nog amper iets kan wijzigen, want er moeten vier andere parlementen mee akkoord gaan.

3. En hervorming van het CGKR moet eigenlijk ook nog een aantal andere punten bevatten.

* Zo wil het Vlaams Parlement vooraf een debat over de kerntaken van het CGKR. Het huidige CGKR heeft nu al te veel taken die het niet allemaal samen kan uitoefenen. Een aantal taken is om historische redenen aan het CGKR toegewezen, maar hoort daar eigenlijk niet thuis: mensenhandel en -smokkel zou beter door de steundienst van het College van Procureurs-generaal kunnen worden opgevolgd; de studie van de migratie zou beter door de Dienst Vreemdelingenzaken gebeuren, want die is onafhankelijker van de lobbygroepen; het steunpunt armoedebestrijding hoort er sowieso al niet thuis en wordt trouwens overgeheveld naar Maggie De Block (Open Vld).

* Het CGRK slaagt er niet altijd in om belangrijke conflicten tussen groepen gediscrimineerden (moslims-homo's, moslims-joden, allochtonen onderling) op een beleidsmatige, doorzichtige en eerlijke manier te beslechten. Hier is een duidelijke regeling op haar plaats.

* Er is ook geen evenredige verdeling van het personeel over de verschillende discriminatiegronden. Vroeger was het zelfs zo dat liefst de helft van het personeel bezig was met racisme en de andere helft met alle andere vormen van discriminatie. Zoiets kan natuurlijk niet, er moet een evenredige verdeling van het personeel over alle discriminatievormen zijn.

* Ter zake rijst de vraag of er een apart instituut voor discriminatie op grond van taal moet komen, zoals het CGKR wil (dat is één van de schaarse bevoegdheden die het CGKR niét bij wil hebben, nvdr),en vooral of het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen nog als apart instituut moet blijven bestaan. Moet er één groot gelijkheidscentrum komen of mogen er kleine aparte centra voor sommige sectoren (geslacht, taal) blijven bestaan.

Als dat laatste zo is, dan zal men toch moeten motiveren waarom dat absoluut nodig is. Dat is des te meer noodzakelijk omdat de dertien Vlaamse meldpunten wél bevoegd zijn voor geslachts- en taaldiscriminatie en het CGKR niet.

De vragen die rijzen zijn dus: Waarom moet er voor vrouwendiscriminatie een apart instituut zijn en niet voor homo-, gehandicapten- of leeftijdsdiscriminatie? En waarom de problematiek van de seksuele identiteit en geaardheid dan over twee instituten moet worden verspreid: de transgenders zitten bij het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, de homo's en lesbiennes bij het CGKR. Deze problematiek zou dan misschien beter in zijn geheel bij het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen zitten.

* Wat zal er gebeuren met de meldpunten? Deze meldpunten hebben een ruimere bevoegdheid (ook voor taal en geslacht, waarvoor het CGKR niét bevoegd is), maar ze bestaan alleen in Vlaanderen. Sommige Vlaamse politieke fracties, zoals LDD, hebben nogal wat kritiek op die meldpunten. Boudewijn Bouckaert: "Als je ziet hoe weinig dossiers zij maar afhandelen per jaar - de overweldigende meerderheid heeft niet eens één dossier per week - en als je ziet wat dit kost, dan stel ik twee dingen vast: er is amper discriminatie in Vlaanderen en één dossier kost de belastingbetaler 1.000 euro en dat is voor mij te veel. Hun taak kan net zo goed door de wijkagent worden overgenomen." Of we zover moeten gaan is zeer de vraag.

Want aan de andere kant stelt men vast dat een vierde van de meldingen bij de Vlaamse meldpunten tot stand komen door een bezoek bij het meldpunt zelf. Bij het CGKR gaat het slechts om 5% van de meldingen. De meldpunten staan dus zeker dichter bij de bevolking dan het CGKR. Een mogelijke interfederalisering van het CGKR zal dus noodzakelijkerwijze ook de meldpunten moeten hervormen. Ze zal ook een antwoord moeten geven op de vraag waarom men met een beroep op het lokale, gemeentelijke meldpunten opricht, maar dan toch geen Vlaams centrum wil maar een bovenlokaal CGKR. Dat wordt niet makkelijk.

* Het CGKR heeft geen helder vervolgingsbeleid. De criteria op grond waarvan een procedure wordt gestart (en welke procedure dan) zijn niet toetsbaar voor de buitenwereld en dat wekt soms een indruk van willekeur. De vraag rijst of we niet moeten terugkeren naar het aanvankelijke voorstel van toenmalig federaal minister voor Gelijke Kansen Christian Dupont (PS). Hij wilde de antiracismewet afschaffen en integreren in één antidiscriminatiewet. Het CGKR zou alleen nog burgerlijke rechtszaken kunnen starten, geen strafrechtelijke meer. Het voorstel van Dupont om het CGKR de mogelijkheid te ontnemen om naar de strafrechter te stappen, vindt ondertussen veel steun in het doctoraat van Jogchum Vrielink over de toepassing van de antiracismewet. (Voor deze studie, zie: hier, nvdr.)

* Als het CGKR een interfederaal centrum wordt, zal het personeelsbestand (nu: 101 personeelsleden) toch minstens moeten verdubbelen. We mogen niet vergeten dat alleen Vlaanderen lokale meldpunten heeft, de andere gemeenschappen en gewesten niet. Meer personeel betekent dat het CGKR nog mastodontischer wordt dan nu al het geval is. Is dat wenselijk? Of is zoveel extra personeel niet nodig?

Bij een hervorming van het CGKR moeten deze vragen zeker aan bod komen.

4. Momenteel staat de discussie over de hervorming van het CGKR tot een interfederaal centrum nog niet ver. Het kerntakendebat is nog maar amper gevoerd en men realiseert zich onvoldoende dat zo'n debat tot wijziging van allerlei wetten en decreten kan en moet leiden, met in begrip van de antidiscriminatiewet en het gelijke kansendecreet zelf! De deadline die Vlaanderen aan de federale overheid stelt (einde juni 2012) zal wellicht niet worden gehaald. Zal Vlaanderen dan maar een nieuwe deadline stellen, de vierde op rij? En wat is nog de geloofwaardigheid van al die deadlines dan? Of zal Vlaanderen kiezen voor de evidentie, een eigen Vlaams antidiscriminatiecentrum?

Het Vlaams Parlement verwacht bovendien wel heel veel van Vlaams Minister voor Gelijke Kansen Pascal Smet (sp.a) Als er geen geschreven akkoord over een interfederaal Centrum is op 30 juni, zou Smet nog voor de zomervakantie (voor 11 juli) met een eigen decreet moeten komen. Een titanenwerk is dat. Het Vlaams Parlement geeft de minister bovendien amper richtlijnen over wat een Vlaams antidiscriminatiecentrum precies zou moeten doen. Al bij al is er bij het Vlaams Parlement niet overweldigend veel interesse voor dit probleem. "De minister moet het maar doen…", zo luidt het devies blijkbaar.


*****************************************


SOTTIAUX, STEFAN en VRIELINK, JOGCHUM, Institutionalisering van gelijkheid en mensenrechten. Gelijkheidsorganen en mensenrechteninstellingen in Vlaanderen en België, 2012, Antwerpen, Intersentia, 163 p.


*****************************************


Lees ook:

Het discriminatierapport van het CGKR voor 2010

Het CGKR en de homohaat

Vrielink: "Antiracismewet wordt vaak ongrondwettig toegepast."


*****************************************


Het dagelijkse nieuws over het justitiebeleid vindt U door in de functie "zoeken" rechtsboven op deze site de letters JDW in te tikken.


*****************************************



Nu in het nieuws