Devlies wil geen sociale bijstand aan Oost-Europeanen tijdens eerste drie maanden

Devlies wil geen sociale bijstand aan Oost-Europeanen tijdens eerste drie maanden

Devlies wil geen sociale bijstand aan Oost-Europeanen tijdens eerste drie maanden

Print
Uittredend staatssecretaris voor de fraudebestrijding Carl Devlies wil dat de komende regering het moeilijker maakt voor Oost-Europese arbeiders om van het Belgische systeem van sociale opvang misbruik te maken. Zo pleit hij ervoor om de nieuwkomers geen steun meer te geven tijdens de eerste drie maanden aanwezigheid in ons land.

De Europese verblijfsrichtlijn van 2004, die werd omgezet in Belgisch recht met ingang op juni 2008, geeft inwoners van de Europese Unie het recht om meer dan 3 maanden in een andere lidstaat te verblijven als zij werknemer, zelfstandige of werkzoekende zijn of als ze kunnen aantonen over voldoende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering te beschikken. Wordt hun aanvraag door de gemeente aanvaard, dan worden ze hier ingeschreven in het vreemdelingenregister en verwerven ze een ‘gecontroleerd’ verblijfsrecht van 3 jaar. Als in die periode geen misbruiken aan het licht komen, verwerven ze na 3 jaar automatisch een duurzaam verblijfsrecht.

Vanaf het ogenblik dat het verblijfsrecht van meer dan 3 maanden is aanvaard, kunnen ze een beroep doen op sociale bijstand. Dit betekent dat wie bij zijn aanvraag bij de gemeente onmiddellijk alle documenten kan voorleggen, ook onmiddellijk een verblijfsrecht krijgt en in aanmerking kan komen voor sociale bijstand. Op die manier gebeurt het dat EU-burgers die minder dan 3 maanden in België verblijven, sociale bijstand krijgen. Dit leidt tot een toevloed van Oost-Europeanen, van wie er zich een groep van valse documenten bedient.

"We moeten echter niet soepeler zijn dan Europa", aldus Devlies. De Europese richtlijn bepaalt dat het gastland niet verplicht is om gedurende de eerste 3 maanden sociale bijstand te verlenen. Werkzoekenden kunnen voor Europa zelfs langer dan 3 maanden van sociale bijstand uitgesloten worden, namelijk zolang ze niet gewerkt hebben.

Devlies wil daarom dat de regels verstrengen, bijvoorbeeld door de eerste drie maanden niet langer sociale bijstand te geven. Voorts wil hij dat het verblijfrecht wordt ingetrokken bij valse verklaringen en fictieve aansluitingen.

JVG

Een belangrijke stap in die strengere aanpak heb ik al gedaan met de invoering van een nieuwe procedure tegen het oneigenlijk gebruik van het zelfstandigenstatuut. Tot 1 oktober van vorig jaar konden bepaalde categorieën van EU-burgers zich hier zonder veel problemen als zelfstandige inschrijven bij de gemeente. Het volstond dat zij zich bij een sociaalverzekeringsfonds aansloten. Met zijn aansluitingsattest kon hij meteen zijn inschrijving in het vreemdelingenregister aanvragen. Sinds 1 oktober van vorig jaar levert het gewone attest van aansluiting geen verblijfsrecht meer op en is voor inschrijving in het vreemdelingenregister een specifiek attest nodig. Dat attest is gekoppeld aan een effectieve melding van de zelfstandige activiteit van de betrokkene door het Rijksinstituut voor Sociale Verzekering van Zelfstandigen (RSVZ). Deze meldingen maken het voorwerp uit van een gerichter onderzoek door het RSVZ. In meer dan de helft van het aantal door de RSVZ onderzochte meldingen blijkt het om nepzelfstandigen te gaan die er enkel op uit zijn een verblijfsrecht en de daaraan gekoppelde sociale bijstand te verwerven zonder effectief als zelfstandige te werken. Met de effectievere controle van de zelfstandige activiteit hebben we een belangrijke achterpoort kunnen sluiten. Maar deze maatregel alleen is niet voldoende. Bijkomende maatregelen dringen zich op. -Vooreerst moet de periode van ‘gecontroleerd’ verblijfsrecht, binnen de welke het verblijfsrecht kan ingetrokken worden, van 3 op 5 jaar worden gebracht, zoals dat ook in andere lidstaten het geval is. -Ook de vreemdelingenwetgeving dient nader bekeken te worden. Sommige EU-burgers weten zich onvindbaar te maken op het ogenblik van de betekening van de beslissing tot weigering of intrekking van hun verblijf. Bij gebrek aan betekening, kan de beroepstermijn niet beginnen lopen, blijft het verblijfsrecht behouden en bijgevolg ook hun recht op OCMW-steun. Hier zou een aangetekende brief, afgehaald of niet, moeten volstaan om de beroepstermijn te laten starten. -Voorts moeten OCMW’s bewust gemaakt worden van het feit dat ze wel degelijk de bevoegdheid hebben om steun te weigeren. Sommige OCMW’s maken van die bevoegdheid vandaag daadwerkelijk gebruik, andere nauwelijks. Op basis van de ‘best practices’ bij de OCMW’s moet een algemeen toetsingskader voor alle OCMW’s uitgewerkt worden dat dwingende richtsnoeren bevat. -En dan is er uiteraard de noodzaak tot betere gegevensuitwisseling. Recent werd op het vlak van de gegevensuitwisseling al enorme vooruitgang geboekt. Zo heeft, dank zij de inspanningen van staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie Philippe Courard, de DVZ sinds juli van dit jaar toegang tot de gegevens over de leefloners in databank van de POD Maatschappelijke Integratie. Binnenkort zullen de OCMW’s bovendien verwittigd worden als de verblijfsstatus van een van hun leefloners verandert. Maar het is wenselijk en nodig dat gemeenten en DVZ ook toegang krijgen tot nog een aantal andere databanken. Dit moet hen toelaten misbruiken van het statuut waarop de EU-burger zich beroept, bijkomend te controleren. -Ten slotte, maar niet het minst, zijn er ook initiatieven op Europees vlak nodig. De Verblijfsrichtlijn mag dan wel te ruim in Belgisch recht zijn omgezet, op een aantal vlakken biedt ze de nationale wetgever toch te weinig speelruimte. Zo maakt ze het voor EU-burgers bij wie het verblijfsrecht werd geweigerd of ingetrokken, mogelijk om terug te keren naar het land dat hen het verblijfsrecht heeft geweigerd/ingetrokken. Die burgers kunnen vandaag doodleuk -in theorie tot in het oneindige- een nieuwe aanvraag tot inschrijving in het vreemdelingenregister indienen. Dit gaat duidelijk te ver. In geval van weigering/intrekking moet Europa een terugkeerverbod invoeren of minstens een beperking van het aantal keren dat een nieuwe aanvraag kan worden ingediend.
MEEST RECENT