Voorwaardelijke invrijheidsstelling en de zaak-Martin

Print
16 MEI 2011 - Moet de wet op de voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) worden hervormd nu Michelle Martin dreigt vrij te komen? Een aantal politici vindt alvast van wel. In 2010 kregen 711 gedetineerden VI, of 4,5% van al wie werd vrijgelaten. Onderzoek wijst echter uit dat als VI niet zou bestaan, er iedere dag 2.200 gedetineerden meer op cel zouden zitten. Een overzicht van het probleem.

Michelle Martin, de vrouw van kindermoordenaar Marc Dutroux, kreeg VI van de strafuitvoeringsrechtbank (SURB) van Bergen. Ze wilde in Frankrijk in een klooster gaan wonen, maar Frankrijk wil haar (voorlopig) niet opnemen, zodat ze nog een tijdje in de bajes van Berkendaal (Brussel) zal moeten blijven. Een aantal politici vindt dat overigens heel goed en riep minister van Justitie Stefaan De Clerck (CD&V) op om daar mee voor te zorgen. Het probleem van de VI is door deze zaak opnieuw aan de orde. We behandelen de volgende zeven punten: wat is VI; welke voordelen heeft VI; wie krijgt VI; hoe zit het met de VI van Martin; kan Frankrijk Martin weigeren; wat wil de politiek aan de VI veranderen; enkele persoonlijke bedenkingen.

1. WAT IS VI?

Wat is voorwaardelijke invrijheidsstelling?

Voorwaardelijke invrijheidsstelling (VI) betekent dat een gevangene onder bepaalde voorwaarden vroeger kan vrijkomen dan zijn strafeinde. In België is die termijn een derde van zijn straftijd, bij recidivisten twee derde. Voor levenslang gestraften is de termijn tien jaar en zestien jaar als ze recidivist zijn.

Voor straffen onder de drie jaar beslist nog altijd de minister van Justitie over de VI en is VI eigenlijk een recht. Voor straffen boven de drie jaar beslist de minister van justitie niet meer sinds 1 maart 1999. Sinds dan beslist een rechterlijk orgaan en sinds 1 februari 2007 de strafuitvoeringsrechtbank (SURB). In dit stuk gaat het over VI voor straffen van boven de drie jaar.

De gevangenisdirectie vraagt de VI aan als de gedetineerde bijna in de voorwaarden daarvoor is. De gedetineerde zelf moet daar niet eens mee akkoord gaan.

Om VI te krijgen moet de gedetineerde een reclasseringsplan kunnen voorleggen. Hij moet aantonen dat hij een woning en een bezigheid (bij voorkeur: werk) heeft. De houding tegenover zijn slachtoffers en tegenover de feiten speelt ook een rol: dreigt de gedetineerde zijn slachtoffers lastig te vallen, hoe staat hij tegenover hen, vergoedt hij de schade, is er risico op een nieuw misdrijf? Al deze elementen spelen mee bij de beslissing.

Een strafuitvoeringsrechtbank van drie rechters (een magistraat, iemand die gespecialiseerd is in gevangeniszaken én iemand die gespecialiseerd is in sociale wederaanpassing) beslissen collegiaal over de VI. Eén persoon kan de beslissing dus niet blokkeren. De beslissing wordt genomen na het advies van het parket én van de gevangenisdirectie. De SURB moet die adviezen echter niet volgen.

De slachtoffers, die dat na de veroordeling van hun dader hebben gevraagd, worden gehoord tijdens de debatten over de VI van hun dader en ze worden ingelicht over de beslissing op de manier die ze zelf wensen (fax, telefoon, via justitie-assistent). De uitspraak zelf is openbaar, de slachtoffers kunnen die dus bijwonen. Ze mogen echter alleen hun visie geven over de voorwaarden die op hen betrekking hebben, niet over de vrijlating zelf, noch over voorwaarden die niets met hen te maken hebben.

Er is geen beroep mogelijk tegen de beslissing van de SURB. Alleen het parket-generaal en de gedetineerde kunnen in Cassatie gaan als de wet niet precies werd nageleefd.

2. WELKE VOORDELEN HEEFT VI?

Wat zijn de voordelen van VI?

VI heeft meerdere voordelen:

* VI geeft de gedetineerden uitzicht op een toekomst, bevordert goed gedrag in de gevangenis en houdt gevangenen als het ware "aan het lijntje". Als de gedetineerde precies weet wanneer hij vrijkomt, heeft hij in de gevangenis niets meer te verliezen en dat bevordert conflicten.

* Door VI wordt de gedetineerde meestal langer gecontroleerd dan wanneer hij zijn straf helemaal zou uitzitten. Slechts in één op de vijf gevallen is dat niet zo. Hierdoor weet de overheid wat de gedetineerde doet en kan ze recidive voorkomen. Steeds meer pedofielen zitten hun straf volledig uit, precies omdat ze na hun strafeinde volledig vrij zijn en geen therapieën of controle door psychiaters meer moeten ondergaan.

* VI is een verdere stap in de individualisering van de straf. De straf wordt op maat van ieder individu uitgevoerd. VI erkent dat mensen kunnen veranderen en verbeteren, ook in de gevangenis.

* De VI voorkomt recidive. Althans dat blijkt uit buitenlands onderzoek, want recent Belgisch onderzoek is er niet. Het laatste onderzoek stamt uit de jaren tachtig. Vandesteene en d'Ursel vergeleken de veroordeelden uit 1970 die hun straftijd volledig uitzaten met de veroordeelden die in 1970 VI kregen tien jaar na hun vrijlating. In deze laatste groep was de recidive 37%, in de eerste 46%. Ze verklaarden dit verschil echter door de selectie van de kandidaten voor VI. Recenter onderzoek is er niet. Onderzoekers zoals Eric Maes vragen zich af of dergelijk onderzoek nu nog wel zien heeft, omdat VI heel uitzonderlijk is geworden.

* VI doet de gevangenisbevolking echter toch aanzienlijk dalen. Zonder VI zou het gevangeniswezen gemiddeld per dag in 2007 liefst 2.200 gedetineerden meer hebben geteld.

* Hierdoor is VI misschien ook goedkoper dan geen VI. Die besparing was vooral in 1888 een reden om de VI in te voeren. Of ze nu - na de uitbouw van de justitiehuizen nog geldt - is maar zeer de vraag.

3. WIE KRIJGT VI?

In 2010 kregen 711 gedetineerden VI. Zij tekenen voor amper 4,1% van alle gedetineerden die vorig jaar werden vrijgelaten. Toen vader Melchior Wathelet (PSC) nog als minister van justitie over VI besliste, kregen meer dan twee keer zoveel gedetineerden VI. Onder hen overigens Dutroux. Maar de cijfers zijn niet helemaal vergelijkbaar. Door de invoering van onafhankelijke rechters is het aantal VI's op het eerste gezicht gehalveerd en daarbij stelt men vast dat de Franstalige strafuitvoeringsrechtbanken strenger zijn dan de Nederlandstalige.

Wie krijgt VI? Het meest recente onderzoek heeft betrekking op de gedetineerden die in 2007 van de SURB's VI kregen. Wetenschapper Eric Maes onderzocht deze groep. Wat blijkt? Een aantal bekende vooroordelen wordt door dit onderzoek ontkracht.

* VI-ers zijn jonge mannen. De gemiddelde leeftijd van de vrijgelatenen is 36 jaar. De jongste VI-ers heb je in Bergen en Franstalig Brussel.

* De grootste groep zijn mensen met straffen tussen drie en vijf jaar (48,8%). Assisenklanten vertegenwoordigen slechts 10% van de groep: 2,4% kregen levenslang, 8,7% een tijdelijke straf (zoals Martin dus).

* Gemiddeld zouden de VI-ers nog 6,5 jaar moeten zitten, als ze niet waren vrijgelaten. Gemiddeld komt de VI-er vrij na 3,5 jaar opsluiting. De levenslanggestraften kwamen vrij na iets meer dan 11 jaar. Als al deze VI-ers hun straftijd helemaal hadden moeten uitzitten, dan zou de gemiddelde dagelijkse gevangenisbevolking nog 2.200 gedetineerden meer tellen!

* Gedetineerden krijgen zeker geen VI op het moment dat ze die zouden kunnen krijgen. Gemiddeld zo'n 14,5 maanden later en in meer dan de helft van de gevallen meer dan een jaar later. Hoe hoger de straf was waarvoor iemand is veroordeeld, hoe langer het "surplus". Als VI een recht zou zijn, als dus iedereen zou vrijkomen op het moment dat hij vrij kan komen, dan zouden er dagelijks 750 mensen minder in de gevangenis zitten.

* Vier op de tien VI-ers waren voor hun VI eigenlijk al "vrij": een kwart stond onder elektronisch toezicht en bijna twee op de tien genoten van "beperkte detentie" (alleen 's nachts en in het weekeinde binnen). 57,1% zat nog in de gewone bajes.

* Zes op de tien VI-ers heeft een proeftijd van vijf jaar of meer. In bijna één op de vijf gevallen duurt de proeftijd net zolang als de gedetineerde nog zou moeten zitten (het zgn. "strafrestant"). In de meeste gevallen (44,5%) duurt de proeftijd langer, maar niet meer dan het dubbele van het strafrestant. In enkele gevallen duurt de proeftijd tien keer of meer langer dan het strafrestant.

4. HOE ZIT HET MET MARTIN?

Michelle Martin (nu: 51), de echtgenote van Marc Dutroux, kreeg op 23 juni 2004 dertig jaar cel voor de ontvoering van Ann, Eefje, Sabine, Laetitia, Julie en Mélissa met de dood van sommigen tot gevolg. Dat is de maximumstraf. Ze zit sinds 16 augustus 1996 in de bajes en verblijft momenteel in de vrouwengevangenis van Berkendaal. In 1986 was ze al eens samen met haar man aangehouden voor medeplichtigheid aan verkrachting van vijf meisjes. Ze kreeg hiervoor toen vijf jaar cel van de correctionele rechtbank, ze zat net niet de helft van die straf uit.

Martin kon op één derde van haar straftijd vrijkomen, omdat ze juridisch gezien géén recidivist is. Wettelijk gezien ben je immers geen recidivist als je een criminele straf (een straf van het assisenhof) krijgt nadat je eerder al een correctionele straf (een straf van de correctionele rechtbank) had gekregen. Andersom is het wel zo: wie een criminele straf had gekregen en na vrijlating opnieuw wordt veroordeeld tot een correctionele straf, is wel recidivist.

Martin zat al bijna de helft van haar straf uit. Het was de vierde keer dat een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidsstelling van haar werd behandeld.

5. MOET FRANKRIJK MARTIN NEMEN?

Aan Martin werd een reeks voorwaarden opgelegd. Zo mag ze niet in de buurt van de slachtoffers komen en op heel wat plaatsen niet gaan wonen (niet in Luik, niet in Hasselt, niet aan de kust). Ze koos ervoor om zich terug te trekken in een Frans klooster en de nonnetjes hebben haar aanvaard. Maar Frankrijk moet dan wel de voorwaarden van het VI controleren. Nog voor dat hij een verzoek kreeg om dat te doen en zonder het dossier te kunnen inzien, zegde de Franse minister van Justitie Michel Mercier al dat "wat hem betreft Martin niet moest komen". Vader Paul Marchal had de Franse media én het bewuste klooster overigens opgeroepen om Martin niet op te nemen.

De vraag rijst of Frankrijk Martin mag weigeren. Kort gezegd: momenteel kan Frankrijk dat nog omdat Martin een gevaar voor de openbare orde kan zijn, maar na het Kaderbesluit van de Europese Raad dat in december 2011 wellicht van kracht wordt, niet meer.

Professor Gert Vermeulen (internationaal strafrecht, Universiteit Gent) legt uit: "Momenteel geldt het Europees Verdrag van 30 november 1964 betreffende het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of in vrijheid gestelde personen. Volgens artikel 7.1.a kan Frankrijk de controle op de voorwaarden van Martin weigeren omdat dit afbreuk kan doen aan "zijn soevereiniteit, zijn veiligheid, aan de grondbeginselen van zijn rechtsbestel of aan andere wezenlijke belangen". Maar er is ook het Kaderbesluit van de Europese Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (sic). Dat moet in december 2011 het verdrag van 1964 buiten werking stellen. Daarvoor moeten alle lidstaten van de EU het wel nog omzetten in hun eigen recht en dat heeft België nog niet gedaan. Maar als dat wel gebeurd is verandert alles. Dan kan Frankrijk niet meer weigeren op die gronden. Het zal Martin dan moeten controleren."

En Vermeulen gaat verder: "Als Frankrijk nu weigert, kan de strafuitvoeringsrechtbank gewoon wachten tot het Kaderbesluit van kracht is en het dan opnieuw aan Frankrijk voorleggen. Dan moét Frankrijk er op in gaan, het land kan dan niet meer weigeren om redenen van openbare orde".

Een andere vraag is: moest de SURB van Bergen niet vooraf nagaan of Frankrijk die voorwaarden wel zou controleren? Het antwoord hierop is: nee. Karen Verpoest (Universiteit Gent, strafrecht): "De SURB zegt alleen onder welke voorwaarden Martin vrij mag. Als die voorwaarden niet vervuld zijn, mag Martin gewoon niet vrij".

6. WAT WIL DE POLITIEK VERANDEREN?

De zaak-Martin deed allerlei mediatieke en politieke discussies ontstaan. Daarbij viel het volgende op:

* In het Kamerdebat riepen Renaat Landuyt (sp.a), Stefaan Van Hecke (Groen!) en Carina Van Cauter (Open Vld) justitieminister De Clerck aanvankelijk op om de Franse minister van Justitie ervan te overtuigen om Michelle Martin niét in Frankrijk op te vangen. "Werk niet mee aan haar vrijlating, overtuig Uw Franse collega om haar niet op te vangen", zo zegde Van Cauter. De Clerck ging hier niet op in en stelde dat hij "de hoeder van de wet" is. Daarna werd iedereen wat kalmer. Toen heette het dat "De Clerck het dossier-Martin aan zijn collega moest bezorgen zonder verder iets hierover te zeggen". In de wandelgangen had Renaat Landuyt er echter geen geheim van gemaakt dat hij De Clerck had aangeraden om zijn Franse collega te bellen met het verzoek om Martin te weigeren. Het is onwaarschijnlijk dat dit ook gebeurd is. Opmerkelijk aan het parlementaire debat was voorts dat de twee grootste partijen, N-VA en PS, niet tussenbeide kwamen en geen vragen stelden. Ze hebben - voorlopig - ook geen hervormingsvoorstelln over de VI.

* De discussie over de herziening van de VI laaide opnieuw op. De standpunten over deze wet zijn al jarenlang bekend. Het VB wil de VI afschaffen en pleit verder - net als MR en sp.a - voor "onsamendrukbare straffen", waarbij de strafrechter zelf beslist hoeveel tijd de veroordeelde zeker moet uitzitten. De sp.a wil het huidige systeem gewoon omdraaien: de strafrechter legt een termijn op die moet uitgezeten worden en daarna nog een termijn die kàn uitgezeten worden. Open Vld wil vooral de termijn van een derde op twee derde brengen, CD&V wil de wet in grote lijnen behouden. Toch kwamen de enige twee hervormingsvoorstellen tijdens de voorbije week uit christendemocratische hoek: van CD&V en cdH.

Onmiddellijk na het Kamerdebat over de vrijlating van Martin diende het Limburgse parlementslid Raf Terwingen (CD&V) een voorstel in om de wet op de voorwaardelijke invrijheidsstelling te veranderen. Dat bevat drie elementen:

1. Er moet beroep mogelijk zijn tegen een beslissing van de SURB. Nu is geen beroep mogelijk. Wel kan het parket-generaal in Cassatie gaan, maar alleen als de wet niet correct is toegepast. De slachtoffers kunnen niets van dit alles. Terwingen: "Vader Lambrecks, de vader van Eefje, was de enige die aanwezig was bij de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank van Bergen. Hij kwam zijn standpunt toelichten en diende zelfs schriftelijke besluiten in. Maar hij kan toch achteraf niet in beroep of in Cassatie gaan. Dat kan mijns inziens niet. In de toekomst moeten slachtoffers die in de procedure gekend zijn, ook in beroep en in cassatie kunnen gaan tegen een vrijlating van hun dader." Ook Kamerlid Christian Brotcorne (cdH) diende een soortgelijk voorstel in.

2. Slachtoffers moeten automatisch worden ingelicht over de evolutie van hun dossier. Terwingen: "Als slachtoffers zich momenteel in de loop van het onderzoek melden, dan worden ze op de hoogte gehouden tot aan de veroordeling. Als ze ook door de strafuitvoeringsrechtbank willen op de hoogte gehouden worden, dan moeten ze dat nog eens gaan melden bij die rechtbank. Dat is te veel van het goede. Slachtoffers moeten na één melding automatisch van alle stappen op de hoogte worden gehouden, ook die voor de strafuitvoeringsrechtbank."

3. De recidiveregeling moet worden herzien. Terwingen: "Wie voor de eerste keer veroordeeld is, kan al na een derde van zijn straftijd vrijkomen. Een recidivist kan pas na twee derde vrijgaan. De vraag is natuurlijk: wat is een recidivist? Michelle Martin was in 1989 door de correctionele rechtbank veroordeeld voor medeplichtigheid aan ontvoering van minderjarigen. In de zaak-Dutroux werd ze voor soortgelijke feiten veroordeeld door het assisenhof. Maar toch is ze géén recidivist, waardoor ze al na een derde van haar straftijd kon vrijkomen. Ze is geen recidivist omdat een veroordeling door een correctionele rechtbank niet meetelt als je later door assisen wordt veroordeeld. Je bent echter wél recidivist als je eerst door assisen wordt veroordeeld en daarna opnieuw voor soortgelijke feiten door assisen of door een correctionele rechtbank. Maar je bent géén recidivist als de veroordeling door de correctionele rechtbank eerst komt. Terwijl het toch om dezelfde feiten gaat. Ook dat wil ik veranderen."

Eerder al, op 23 oktober 2007, diende senator Marie-Hélène Crombé-Berton (MR) een soortgelijk voorstel in, maar het werd nooit wet. Terwingen wil dit nu in de Kamer oppikken.

Justitieminister Stefaan De Clerck steunt Terwingen alvast in het eerste en derde voorstel. Het tweede - een aanbeveling van de Kamercommissie Seksueel Misbruik - wordt door deskundigen afgeraden, omdat de meeste slachtoffers toch van hun recht om na de veroordeling gehoord én ingelicht te worden geen gebruik maken en omdat ze automatisch inlichten een massa extra werk én bovendien ook een heel dure procedure is.

7. BEDENKINGEN

1. Deze zaak roept vragen op over de Europese eenheid. Wanneer de democratische lidstaten van de Europese Unie elkaars vonnissen niet willen uitvoeren, dan is die eenheid ver te zoeken. Je zou misschien nog argumenten kunnen ontdekken als Frankrijk weigert om een obscure veroordeling uit Roemenië uit te voeren, maar die gelden toch niet voor een vonnis uit België. Te meer daar België zelf - volgens justitieminister Stefaan De Clerck - al 15 dergelijke vonnissen als dit van Martin uit andere staten heeft uitgevoerd. "Daar zijn er een aantal uit Frankrijk bij", zo luidde het.

2. Deze zaak roept bovendien allerlei bedenkingen op over de houding van de politici. In de Fortiskwestie zochten ze met een vergrootglas naar schendingen van het beginsel van de scheiding der machten. Het kortste telefoontje werd suggestief geïnterpreteerd om toch maar bepaalde kabinetsleden aan de galg te kunnen praten: zij zouden de rechterlijke macht hebben beïnvloed! In deze zaak roepen diezelfde politici de minister van Justitie openlijk op om ervoor te zorgen dat een vonnis van een rechtbank niet kan worden uitgevoerd. De minister van Justitie zou dus rechtbanken moeten saboteren. Dit gaat wel heel ver. Het roept vragen op over het democratisch gehalte van deze verkozen politici.

Je zou immers het omgekeerde verwachten. Je zou verwachten dat deze politici De Clerck oproepen om zijn invloed bij zijn partijgenoot Herman Van Rompuy, de president van de EU, aan te wenden om Frankrijk tot wat een meer Europese feeling aan te sporen. Van Rompuy zou perfect kunnen verwijzen naar de geest van het Kaderbesluit dat binnenkort van kracht wordt om druk op onze zuiderburen uit te oefenen om het vonnis in de zaak-Martin uit te voeren. Maar dat deden de politici. Het populisme en de "sentimentele samenleving" van Theodore Dalrymple vieren hoogtij deze dagen (Voor Dalrymple's kritiek: zie hier, nvdr).

3. Ook de voorgestelde oplossingen van Terwingen, Brotcorne en De Clerck roepen vragen op:

Is het wenselijk om de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen vonnissen nog uit te breiden, nu de gerechtelijke achterstand al zo groot is en er al zoveel rechtsmiddelen zijn om beslissingen te betwisten? En nu men ook in gerechtelijke kring schoorvoetend begint te twijfelen aan het nut van het beroep. Deze vraag moet hier des te meer gesteld worden omdat er helemaal geen "strafuitvoeringshof" is. Dat moet nog opgericht worden. Bovendien zal dat hof net als de strafuitvoeringsrechtbank uit drie rechters bestaan, zodat er eigenlijk weinig meerwaarde is. Het voorstel zal de mediatieke belangstelling en de mediatieke druk om in bepaalde gevallen niet vrij te laten nog vergroten. Zijn dit wenselijke evoluties?

Is het bovendien wenselijk dat slachtoffers mee beslissen over de vrijlating van hun dader? De ingediende voorstellen creëren een fundamentele breuk in 180 jaar Belgische strafprocedure, tenzij ze het beroep beperken tot de voorwaarden die het slachtoffer zelf betreffen. Als ze dat niet doen, dan zal voor het eerst een slachtoffer mee zijn advies geven over de lengte van de straf. Het is maar zeer de vraag of dit zo'n positieve evolutie is, zeker als de - volkomen begrijpelijke - wraakzucht van sommige slachtoffers erg groot is. Was het niet de bedoeling van de Franse revolutie om af te stappen van private justitie, waarbij slachtoffers zelf (mee) beslisten over hun dader? Want het slachtoffer krijgt nu al bijna nergens zoveel inspraak in de strafprocedure en in de procedure over de vrijlating als in België.

Je hoort vaak zeggen: "Het moest maar eens Uw kind of ouder zijn, dan zou je wel anders piepen". Dat in ongetwijfeld zo, ongetwijfeld. Maar het is nu net om te voorkomen dat extreme, door rechtmatig verdriet ingegeven reacties bepalend zouden zijn in de bestraffing van criminelen, dat de samenleving rechtbanken heeft opgericht.


Lees ook:

Na 1 jaar nog veel kritiek op wet over strafuitvoeringsrechtbanken



MEEST RECENT