Het beleid tegen overstromingen doorgelicht

27 APRIL 2011 - Volgende week stelt de Watercommissie van het Vlaams Parlement haar eindrapport voor om overstromingen te voorkomen. "We hebben eigenlijk niets geleerd uit de overstromingen van 1998, 2005, 2007 en 2008. Ondanks de maatregelen die Vlaanderen genomen heeft, is het risico op overstromingen in 2010 een vijfde groter dan in 1996. Er moet dringend een waterstresstest komen die aangeeft waar bijkomende ruimte voor water nodig is. Dat vindt Vlaams Parlementslid Bart Martens (sp.a), de voorzitter van de "Commissie voor het Beheer van de Wateroverlast", kortweg de Watercommissie van het Vlaams Parlement. Hij pleit verder voor minder beheersorganen voor de rivieren, meer overstromingsgebieden en een striktere toepassing van de watertoets. Een gesprek.

John De Wit

Vanwaar deze commissie?

De Watercommissie werd opgericht na de overstromingen van november 2010. Toen liepen in Vlaanderen liefst 20.000 hectaren met 4.359 gebouwen en nog eens 2.716 bijgebouwen (stallen en zo) onder water. De economische schade wordt geschat tussen de 60 (Assuralia) en 180 miljoen (Binnenlandse Zaken) euro. En wat zo raar is: deze overstromingen waren niet eens het gevolg van uitzonderlijk veel regen. Wat toen in 24 uur tijd uit de lucht viel komt ééns om de tien jaar voor. Wat er op drie maanden uitviel, eens om de drie jaar. Helemaal niet uitzonderlijk, maar toch met catastrofale gevolgen. Het was dus dringend nodig om daar iets aan te doen. Want dit gebeurt dus zeker binnen de tien jaar al opnieuw en eigenlijk mogen we rekenen op één grote overstroming van tientallen miljoenen euro's schade om de drie jaar. Onze Commissie moest eerst en vooral de oorzaken van het overstromingsprobleem bestuderen en dan voorstellen doen om toekomstige rampen te voorkomen.

Wat zijn die oorzaken dan?

Die kunnen verschillen al naargelang de overstromingen in de zomer of de winter plaatsgrijpen. En ook voor getijdenrivieren als de Schelde zijn de oorzaken deels anders. Je hebt drie soorten overstromingen: rivieroverstromingen in de winter, riooloverstromingen in de zomer én getijdenoverstromingen vooral in de winter.

Hoe zit het met de rivieroverstromingen in de winter?

Winteroverstromingen worden veroorzaakt door veel langdurige regen en een verzadigde bodem. Een eerste belangrijke oorzaak van die overstromingen is de verharding van Vlaanderen. Het regenwater kan steeds moeilijker in de grond sijpelen, de bodem werd harder door asfaltering en bebouwing. Tussen 1976 en 2000 steeg de bebouwde oppervlakte in Vlaanderen van 7,2% naar 18,3%, bijna een verdrievoudiging. En als we zo voortdoen dan zal ze in 2050 42% bedragen. Die harde bodem maakt dat het water heel snel afvloeit naar de grote rivieren en die kunnen zulke hoeveelheden water niet aan.

Bijkomende oorzaak is dat de landbouwpercelen almaar groter werden. Vroeger hadden de boeren kleine percelen met grachtjes en hagen. Dat ging allemaal weg, er kwamen grote percelen, grachten gingen dicht, hagen verdwenen. Daardoor is het voor het hemelwater moeilijker om in de bodem door te dringen. Want dat moet traag gebeuren, de bodem moet als een spons kunnen fungeren. Die sponsfunctie is nu weg, het water spoelt snel naar de rivieren.

Werd er ook niet meer gebouwd?

Tweede belangrijke oorzaak van de winteroverstromingen is dat de valleien nu ook bebouwd zijn. Vroeger waren er nog winterbedden, overstromingsgebieden die in de winter onder water konden staan. De boeren hadden daar hun hooivelden. Nu is men in die beddingen vlakbij de rivier gaan bouwen, zodat die rivier eigenlijk ingesnoerd wordt. Hij wordt steeds kleiner en het wordt dus moeilijker om het bijkomende water te slikken.

Door deze twee oorzaken is de bodem geen spons meer en spoelt het water veel te snel weg. Paradoxaal genoeg verdroogt de bodem daardoor ook. Het grondwaterniveau zakt almaar dieper. Gemiddeld heeft de Vlaming jaarlijks tussen de 1.000 en de 1.700 m³ water ter beschikking. Slechts enkele westerse landen (Italië en Tunesië) hebben nog minder water per inwoner. Zelfs dorre landen als Portugal, Spanje en Griekenland hebben meer water per inwoner. Omdat door de opwarming van de aarde de regenval in de zomer misschien wel met een vijfde zal verminderen tegen 2100, kunnen we dus echt in de problemen komen. En dat terwijl er steeds meer zoet water nodig is: de elektriciteitscentrales vragen koelwater, de binnenvaart wil grotere sluizen zodat zoetwater sneller wegvloeit. De vraag rijst zelfs of er wel voldoende zoetwater beschikbaar is om nieuwe kanalen zoals het Schipdonkkanaal nog aan te leggen.

De overstromingen en de verdroging van de grond zijn dus de twee zijden van dezelfde medaille.

Dan zijn er nog de zomeroverstromingen?

Zomeroverstromingen worden veroorzaakt door plotse hevige onweders met zoveel regen dat de riolen het water niet kunnen slikken. Dat komt omdat wij nog steeds hemelwater en vervuild afvalwater in één en dezelfde riool afvoeren. Het rioleringsbeleid moet dus ook herbekeken worden.

En de getijdenoverstromingen?

Voor de Schelde ligt de situatie nog anders, omdat overstromingen hier ook kunnen worden veroorzaakt door het binnenkomende zeewater bij vloed. Dat leidde in 1953 tot de grote ramp die grote delen van Zeeland en Vlaanderen onder water zette. Als reactie daarop ontwikkelden onze noorderburen het Deltaplan. In België kan een springtij tot in Gent overstromingen veroorzaken. Wij hebben daarom een Sigmaplan. In tegenstelling tot de Nederlanders in de Oosterschelde kozen wij niet voor een waterkering (stalen deuren die je kan neerlaten of ophalen om het water tegen te houden), maar wel voor verhoging van de dijken en creatie van bijkomende overstromingsgebieden in potpolders.

Is dat plan een succes?

Gedeeltelijk. We hebben nu 12 overstromingsgebieden en men is begonnen aan de dertiende. Het gaat om de potpolder van Kruibeke-Bazel-Rupelmonde. Door voortdurend burgerverzet heeft het wel dertig jaar geduurd om die te creëren. De dijken zijn verhoogd, maar nog niet overal. We merken dat in Antwerpen waar te kaaimuren te laag zijn en moeten worden heraangelegd. Vlaanderen is in de huidige stand van uitvoering van het Sigmaplan beveiligd tegen een watergolf die eens om de 70 jaar voorkomt. Dat wil zeggen dat de Zeeschelde een keer per mensenleven overstroomt. Na de aanleg van het overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde, wordt dat eens om de 350 jaar. Maar Nederland is veel veiliger. Onze noorderburen zijn beveiligd tegen een watergolf die - in het Scheldebekken - eens om de 4.000 jaar voorkomt. In de Randstad zelfs maar eens om de 10.000 jaar. Da's een heel verschil he. Een storm als die in 1953 kan vandaag in Vlaanderen nog steeds niet gekeerd worden, terwijl de kans op voorkomen van een dergelijk getij ondertussen 4,5 maal groter is geworden.

Waarom is het Sigmaplan dan toch een succes?

Het Sigmaplan werd recent up to date gemaakt. En dat gebeurde heel goed. Men heeft daarbij de plannen voor de bouw van een stormvloedkering ter hoogte van Oosterweel laten varen. In de plaats komen er in eerste instantie 1.100 hectare overstromingsgebied extra: aan de Durme, de Zenne, de Nete's, de Dijle, de Rupel, aan de Kalkense Meersen, aan de Hedwige Prosperpolder… Bovendien heeft het Sigmaplan een deugdelijke regeling uitgewerkt om boeren van wie de grond in overstromingsgebied ligt andere gronden daarbuiten aan te bieden of tegen een billijke vergoeding te onteigenen. En dat is essentieel als je efficiënt wil werken. Niet alleen worden bepaalde gronden onteigend, maar op andere plaatsen mogen de boeren hun teelten blijven verbouwen en krijgen ze een vergoeding als hun land eens om ze zoveel jaren overstroomt. Het Antwerpse Sigmaplan zou dus zelfs een model voor de andere rivieren kunnen worden genoemd. Maar… de financiering hinkt achter.

Heeft men nog andere maatregelen genomen na de eerdere overstromingen?

Er kwam al in 2003 een Decreet Integraal Waterbeleid. Dat voerde de watertoets in. Bij iedere bouwvergunning moet nu worden nagegaan wat de gevolgen zijn voor de waterhuishouding en hoe ze te voorkomen zijn. Bovendien moeten in elke waterbekken, bekkenbeheersplannen worden opgemaakt met maatregelen om overstromingen tegen te gaan. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door meer overstromingsgebieden voor de rivieren te creëren. De rivier zou dan in een ruimer jasje gestoken worden en zou vooral in de winter plaats genoeg hebben om te overstromen. Er kwam weliswaar een inflatie van plannen op alle niveaus, maar in de eerste bekkenbeheersplannen die in 2009 werden goedgekeurd, zijn er slechts 13 overstromingsgebieden aangeduid met een totale oppervlakte van 616 hectare. Veel te weinig. Bovendien sleept de overheid met de voeten in de realisatie daarvan.

Hoe komt dat?

Het duurt nu gemiddeld tien jaar tussen de beslissing om een overstromingsgebied aan te leggen en de realisatie ervan, alleen al door de lange administratieve procedures en de kritiek van burgers.

Zo heb je twee geplande overstromingsgebieden in het Netebekken, maar die worden allebei gecontesteerd. Boeren uit Grobbendonk zijn bij het provinciehuis komen betogen tegen zo'n gebied omdat ze hun grond wilden behouden. En een project in Herentals komt dan weer in de problemen omdat het afgegraven zand zou gestort worden in een plas in Mol waarop een zeilclub zit die dwarsligt. Zo is er altijd wat.

Ook de watertoets boekt enkel maar resultaat als hij ook goed wordt toegepast.

Gebeurt dat dan niet?

Er zijn met die watertoets vele problemen. Hij moet alleen worden gevraagd voor bouwwerken waarvoor een vergunning nodig is. Daardoor moet het niet voor de aanleg van opritten naar gebouwen, optrekken van vrijstaande bijgebouwen in de achtertuin, drainage van landbouwgronden. Deze lijst is te ruim.

De adviezen die bij de waterbeheerders moeten gevraagd worden, worden niet altijd ingewonnen. Ze zijn ook niet steeds van hoge kwaliteit. Omdat de bevoegdheden erg versnipperd zijn, wordt de watertoets soms erg verschillend geïnterpreteerd. Er zijn voorbeelden van adviezen die in dezelfde straat bij de ene vergunning zus en bij de andere zo adviseren.

Verder worden de adviezen van de watertoets nogal wel eens genegeerd door diegene die de vergunning moet afleveren.

Maar vooral, ze zijn reactief. Ze voorkomen niet altijd overstromingen, maar verplaatsen ze vaak. Zo geven ze dan een positief advies voor een bouw- of verkavelingsvergunning als men in het bewuste gebied de gronden ophoogt of dijken plaatst. Maar daardoor verplaats je het probleem stroomafwaarts. Er worden in sommige streken amper bouwvergunningen geweigerd. In 90% van de recent overstroomde gebieden in Vlaams-Brabant mochten de mensen ondanks adviezen van de watertoets toch nog bouwen! Dan moeten we ons vragen stellen over de efficiëntie van dit systeem. Voor een echt waterbeleid zijn politici met een rechte rug nodig.

Waarom niet gewoon een bouwverbod in overstromingsgebieden?

Dat ligt ingewikkelder dan je denkt. In Vlaanderen alleen heb je 11.000 hectaren overstromingsgebied waar volgens de gewestplannen mag gebouwd worden. Het gaat om 23.700 percelen. We kunnen die niet van bestemming veranderen, want die percelen hebben een waarde van meer dan tien miljard. De planschade die Vlaanderen zou moeten betalen als daar nergens meer mocht gebouwd worden, is…onbetaalbaar. (Planschade heb je als de regering de bestemming van een grond wijzigt, waardoor die veel minder waard wordt. Als een bouwgrond plots landbouwgrond zou worden is dat het geval. Dan moet een schadevergoeding worden uitbetaald, nvdr).

Hoe kan dit opgelost worden?

Door bouwen toch toe te staan als je adaptief bouwt. Bijvoorbeeld garages onderaan en de woning op de eerste verdieping. Of bouwen op pootjes, zoals Hamburg sinds de tweede wereldoorlog en Amsterdam sinds mensenheugenis. Een tweede mogelijkheid is gebiedsruil: de eigenaars krijgen dan een gelijkwaardig soort grond op een andere plaats zonder overstromingsgevaar. Je kan ook onteigenen, maar dat is duur. Of je kan de dijken verhogen, maar dan verschuif je het probleem. De bevoegde diensten vragen ons trouwens vooral om een ophoogverbod in overstromingsgebieden, niet om een bouwverbod. Hier is een enorme taak weggelegd voor de ruimtelijke ordening.

Wij zijn ook voor een standstill voor verharde oppervlaktes, tenminste als het water rechtstreeks in de riolen blijft lopen. Parkings worden best niet meer van asfalt of beton gemaakt, maar van waterdoorlatende tegels met in het midden een cirkelvormig gat waarin gras kan groeien. En er kan ook veel gebeuren bij bestaande harde oppervlakten. Het moet perfect mogelijk zijn om het overtollige hemelwater op de parking aan Berchem-station af te leiden naar het serieus verdroogde nabijgelegen natuurgebied Wolvenberg. In het verleden kwam de brandweer dat gebied soms natspuiten, terwijl zoveel water op de parking wegloopt…

Is een degelijk beleid wel mogelijk?

Probleem is inderdaad de versnippering van de bevoegdheden. Momenteel zijn veel te veel organen bevoegd voor de waterhuishouding. Er is een bestuurlijke verrommeling. In Nederland heb je maar twee niveaus: één nationaal (Rijkswaterstaat) en dan de 25 waterschappen lokaal.

In Vlaanderen is er een verschillende regeling voor bevaarbare en onbevaarbare waterlopen. De bevaarbare waterlopen vallen onder drie verschillende instanties: het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust; de NV Scheepvaart en de NV Waterwegen en Zeekanaal. Terloops: in deze categorie bevaarbare waterlopen heb je rivieren zoals de Demer waar al in jaren geen schip meer heeft overgevaren. Die indeling moet dus zeker herbekeken worden.

De onbevaarbare waterlopen vallen dan weer onder drie organisaties. Categorie één (de grote onbevaarbare waterlopen, zoals bv. de Neten) valt onder Vlaanderen, categorie twee (Bv. de Zwarte Beek in Kapellen, de Lisperloop in Lier of de Kleine AA in Essen) valt onder de provincies en de gemeenten doen categorie drie.

En dan heb je nog de 86 polders en wateringen in waterrijke gebieden, in ongeveer een vierde van Vlaanderen dus.

Er zijn dus te veel actoren. Als er in het midden van de provincie Antwerpen een overstroming is, dan moeten - alleen voor het waterbeleid - liefst negen instellingen tot een akkoord komen. En dan reken ik politie, brandweer en hulpdiensten nog niet mee. Of nog: de Limburgse Reppelbeek is amper 5 kilometer lang, maar wie bevoegd is voor deze beek verandert zes keer in die 5 kilometer! Onderhoud en beheer moeten dan telkens door andere beheerders gebeuren. Dat betekent: veel meer aanbestedingen, meer aannemers, meer toezichters, meer controleurs die nu soms elkaar aan het controleren zijn.

Vooral voor waterlopen van categorie drie zijn er serieuze problemen. Vele gemeenten willen die niet onderhouden, één waterloop valt onder meerdere gemeenten en komt op een bepaald moment onder een hogere categorie. En de grachten vallen hier niet eens onder.

Hoe kan dat veranderen?

De provincies zelf willen dat de drie categorieën van onbevaarbare waterlopen allemaal onder hun bevoegdheid komen. Wellicht gaat dat hun bestuurskracht te boven en blijven waterlopen waarop kritische infrastructuur staat (zoals op afstand stuurbare bufferbekkens) best onder de bevoegdheid van het Vlaams Gewest. Maar je kan wel categorie drie van de onbevaarbare waterlopen bij categorie twee voegen en onder provinciale bevoegheid brengen. De provincies leveren momenteel zeer goed werk, vooral de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Vlaams Brabant.

De gemeenten zouden dan alleen nog maar bevoegd zijn voor de riolering en voor het beheer en uitbaggeren van de grachten. En er moeten ook meer grachten komen. Meer blauw nààst de straat kortom.

Verder vind ik dat de huidige polders en wateringen, die nu nog onafhankelijk zijn, een uitvoerend orgaan van de provincies moeten worden. Dan kunnen de belastingen die zij heffen worden afgeschaft. Want nu kost het vaak meer om ze te innen dan wat ze opbrengen.

Uiteindelijk moet er een waterstrestest komen. We hebben al een stresstest voor de banken en voor de kerncentrales. Zo moet er ook één voor de rivieren komen. We moeten nagaan waar rivieren kwetsbaar zijn: waar dreigen ze te overstromen, wanneer en hoe houden we droge voeten. Hoe zorgen we ervoor dat natuur- en landbouwgebieden overstromen en niet de kelders? Waar is nog plaats voor overstromingsgebieden en hoeveel extra verharding (asfalt en beton) kan Vlaanderen nog slikken? Business as usual - gewoon voortdoen zoals we bezig zijn dus - is geen oplossing.

Wie heeft het meest te verliezen bij een nieuw beleid?

Ongetwijfeld de landbouw omdat de meeste overstromingsgebieden nu landbouw gebieden zijn. Bovendien zullen de boeren moeten inzien dat ze niet altijd en overal hun gronden kunnen draineren en droog houden: er moeten nu eenmaal "waterzieke" gebieden blijven om water bovenstrooms op te houden. De boeren moeten niet elke hectare bebouwbaar willen maken, want dan krijgen we overstromingen. Ze zullen ook moeten leren erosie tegen te gaan. Door heuvelachtige gebieden niet verticaal (van boven naar beneden) maar horizontaal te ploegen, zodat niet al het water snel naar beneden kan spoelen. En door niet volledig tot tegen beken te ploegen maar een strook gras over te laten. En door de bodem bedekt te houden in de winter, door een wintergewas te zaaien. Als je erosie tegengaat, dan voorkom je ook overstromingen. Voor de landbouwers is dus vooral een degelijke vergoedingsregeling van groot belang.

Zullen er ook nieuwe belastingen moeten komen?

Kijk: een Nederlands gezin betaalt elk jaar 600 euro belastingen voor het waterbeleid. Zoiets is bij ons volkomen ondenkbaar. In Vlaanderen zijn ambitieuze, goedgekeurde plannen niet uitgevoerd door gebrek aan geld. De financiering van het goede Sigmaplan blijft achter en ook het Rubiconfonds, dat gemeentelijke waterprojecten moet financieren, krijgt bijna geen geld.

Er is dus meer geld nodig. Ik vind dat de belastingen op de planbaten (als een stuk grond van bv. goedkope landbouwgrond door de Vlaamse overheid wordt omgezet in dure bouwgrond, nvdr) minstens zo hoog mag zijn als de belasting op arbeid. Nu is die belasting op planbaten, waaraan je dus zelf geen enkele verdienste hebt, gemiddeld slechts 20%, terwijl het dubbele op de lonen van arbeiders wordt geheven. En terwijl de overheid bij planschade (als een stuk grond van dure bouwgrond wordt omgezet in goedkope landbouwgrond, nvdr) 80% van het verlies terugbetaalt. Dit onevenwicht moet hersteld worden. Bovendien hebben we in Engeland gezien dat heel wat watermaatschappijen een heffing opleggen aan bedrijven die grote verharde oppervlakten rechtstreeks op de riolering aansluiten. Die heffing kan aanvankelijk geld opbrengen om in extra buffering te investeren. Uiteindelijk gaan bedrijven deze heffing vermijden door het hemelwater dat ze opvangen plaatselijk te gebruiken en te infiltreren zonder dat ze het rioolsysteem verder belasten. Zo sparen we finaal heel wat kosten uit.

Lees ook:

Iedereen heeft recht op water

MEER OVER John De Wit