Van Koppen over rechterlijke dwalingen en de parachutemoord

Print

22 APRIL 2011 - Volgens rechtspsycholoog Peter van Koppen is de zaak-Clottemans een schoolvoorbeeld van een rechterlijke dwaling omdat de speurders vanuit een "tunnelvisie" alleen maar naar de schuld van Clottemans hebben gezocht. Hij schrijft dat in een nieuw boek over rechterlijke dwalingen. Op basis van minimalistische schattingen zouden in de Belgische gevangenissen zo'n 152 slachtoffers van een rechterlijke dwaling verblijven. Van Koppen wil dat in alle rechtszaken meerdere "scenario's" over de feiten worden onderzocht. Hij plaatst ook grote vraagtekens bij herkenningen door getuigen, vingerafdrukken en het assisenhof.

Peter Van Koppen is professor rechtspsychologie aan de universiteiten van Maastricht en Rotterdam. Hij werd door beschuldigde Els Clottemans in Tongeren als getuige opgeroepen tijdens het proces naar de parachutemoord. Hij schreef eerder met Hans Crombag een boek over rechterlijke dwalingen, "Dubieuze Zaken". Daarin werd de basis gelegd voor de theorie die hij in zijn nieuwste boek verder uiteenzet. Rechterlijke dwalingen zijn foute beslissingen van rechters waardoor een onschuldige toch gestraft wordt. Als een schuldige vrijuit gaat, spreekt men niét van een rechterlijke dwaling omdat de vrijspraak dan ongetwijfeld betekent dat de feiten niet (voldoende) bewezen zijn. Uiteindelijk zijn de rechters verantwoordelijk voor de fouten, maar omdat zij vaak voortborduren op fouten in de onderzoeken wordt de dwaling meestal door het hele gerecht veroorzaakt.

Aan de hand van de zaak-Clottemans illustreren we zijn theorie. Daarna belichten we achtereenvolgens: wie veroorzaakt gerechtelijke dwalingen; hoeveel gerechtelijke dwalingen zijn er; hoe ontstaan gerechtelijke dwalingen (met daarin de vraag naar fouten bij getuigenverklaringen, bekentenissen, gebruik van vingerafdrukken en DNA-materiaal; wat wil van Koppen veranderen? Waar mogelijk passen we de stellingen van van Koppen toe op de Belgische situatie. Tot slot formuleren we enkele eigen bedenkingen.

1. DE ZAAK-CLOTTEMANS

Els 'Babs' Clottemans kreeg op 21 oktober 2010 van de Tongerse assisenjury een gevangenisstraf van dertig jaar voor de moord op Els Van Doren. De jonge vrouw uit Ternat zou de parachute van Van Doren gesaboteerd hebben uit jaloezie. Zowel Clottemans als Van Doren hadden een affaire met de Nederlander Marcel Somers en Clottemans was - volgens de speurders - haar "tweede plaats" in deze relatie beu. Clottemans heeft de feiten echter nooit bekend en er was geen materieel bewijs tegen haar.

Van Koppen beweert niet dat Clottemans onschuldig is. Hij zegt alleen maar dat ze niet mocht veroordeeld worden op het bewijsmateriaal dat voorlag. Volgens hem leden de speurders aan een "tunnelvisie".

1.1. DE THEORIE

Bij ieder misdrijf werkt de politie met "scenario's". Dat zijn verhalen over hoe een misdrijf gepleegd kan zijn. Een scenario is goed als alle bewijsmiddelen er perfect in passen en als dat in geen enkel ander scenario zo kan. Een scenario, waarin een verdachte schuldig wordt bevonden, moet dus worden afgewogen tegenover een ander waarin de verdachte onschuldig is. Scenario's zijn er om ervoor te zorgen dat de speurders de ogen niet sluiten voor andere mogelijkheden. Daarom moet ieder gerechtelijk dossiers meerdere, onderzochte scenario's bevatten.

In een goed onderzoek gaan de speurders dus ook op zoek naar bewijs dat hun eigen visie tegenspreekt. "Als de speurders overtuigd zijn dat een verdachte het heeft gedaan, dan moeten ze proberen te bewijzen dat hij het niet heeft gedaan. Ze moeten dus bewijzen zoeken voor zijn onschuld", aldus van Koppen. Die strategie heeft drie grote voordelen:

* de kracht van het bewijs tegen de verdachte wordt getoetst;

* het onderzoeksdossier wordt sterker omdat de argumenten die de verdediging van de verdachte zal aanhalen op het proces al grondig bekeken zijn;

* het bewijs tegen de verdachte kan misschien helemaal niet zo sterk lijken en dus kan het onderzoek tijdig worden geheroriënteerd.

Bij een tunnelvisie zoek je bevestiging voor wat je al denkt. Bovendien heb je de neiging om aan jouw mening vast te klampen ook als er bewijs is van het tegendeel. Dit is geen bewust proces om iemand te schaden. Er is een psychologische verklaring voor. Van Koppen steunt zich op de "cognitieve dissonantie-theorie" van Leon Festinger. Die bepaalt dat als twee uitspraken niet met elkaar kloppen mensen geneigd zijn om één van de twee "aan te passen" aan de andere om hun mening te kunnen handhaven. "Een tunnelvisie is de keerzijde van een medaille die net moet worden gewaardeerd: zonder politiemensen die hun uiterste best doen worden moeilijke zaken immers niet opgelost. En speurders met een tunnelvisie doen nu eenmaal hun uiterste best, zij het slechts in één welbepaalde richting", zo stelt van Koppen.

1.2. TOEPASSING OP DE PARACHUTEMOORD

Hoe past van Koppen die visie nu toe op de parachutemoord?

Hij leidt de tunnelvisie van de speurders af uit twee processen-verbaal van de teamleider. Het eerste dateert van een maand na de moord, het tweede van op het einde van het onderzoek. Uit deze pv's blijkt dat de teamleider er al van in het begin van overtuigd was dat Babs de dader was. De belangrijkste veronderstellingen van de teamleider bleken achteraf onjuist, maar dat veranderde zijn visie niet.

* Zo zegde hij aanvankelijk dat de dader een "kenner" moest zijn, omdat het een half uur zou duren om de parachute onklaar te maken. Daardoor kon de parachute niet onklaar gemaakt zijn in de paraclub in Zwartberg zelf, want daar passeerde te veel volk. Toen later bleek dat je in een half minuutje de parachute kon saboteren, werd niet opnieuw onderzocht of de parachute niet in de club was onklaar gemaakt. Er werd niet nagegaan of een amateur, die wat kennis op het internet had bijeengescharreld, dit had kunnen doen.

* Babs werd door de onderzoeksleider als dader aangewezen op grond van haar motief: jaloezie op Els, die een buitenechtelijke relatie had met dezelfde man, Marcel, maar die toch altijd voor ging. De twee andere mogelijke daders, Marcel zelf en de echtgenoot van Babs die vijf jaar lang niets van de buitenechtelijke relatie met Marcel zou geweten hebben, hadden naar eigen zeggen geen motief en niemand in hun omgeving kon dat tegenspreken. "Zwak. Dit had wel eens wat nader onderzocht moeten worden", meent van Koppen.

* Het is niet helemaal zeker of Els Van Doren wel het bedoelde slachtofferwas. Andere dames in de springclub van de zogenaamde DIVA-groep hadden dezelfde parachute, maar zij zijn amper ondervraagd.

* Cruciale getuigen werden pas anderhalf jaar na de feiten verhoord, terwijl iedereen weet dat dit soort verhoren snel moeten plaatsvinden.

* Het feit dat Clottemans de 'pilot chute', het eerste parachutetje dat de grote parachute opentrekt, vond en daarmee naar de politie stapte, werd als argument tégen haar gebruikt, terwijl het eerder een argument in haar voordeel kan zijn.

* Clottemans werd 101 uren ondervraagd, maar ze bekende nooit. De erg lange ondervragingen bewijzen de volharding van de speurders. Want de andere getuigen werden doorgaans niet ondervraagd over wat ze zelf vaststelden, maar over hun mening tegenover Babs.

En van Koppen besluit: "Els Clottemans werd veroordeeld omdat ze mogelijk in de buurt was, wellicht een motief had en verder een heel raar personage wordt gevonden".

Clottemans ging ondertussen in Cassatie tegen haar straf. Het Hof van Cassatie beslist op 3 mei (zie: hier, nvdr).

1.3. ANDERE DWALINGEN

Naast de parachutemoord brengt van Koppen overigens nog een serie rechterlijke dwalingen, vooral uit Nederland. We verwijzen slechts naar de Schiedammerparkmoord, de zaak van de onschuldige Rotterdamse verpleegster Lucia de Berk, de Puttense moordzaak en de zaak van de kleine Kevin, wiens "piemel was afgesneden en opnieuw was aangegroeid", een verhaal dat door de rechter zonder verificatie werd geloofd (!).

2. WIE MAAKT FOUTEN?

De meeste van van Koppens voorbeelden gaan over Nederlandse beroepsrechters. Hun fouten gaan echter vaak terug op fouten van het parket en van de politie. Zij moeten uiteindelijk een deugdelijk dossier voorleggen. Van Koppen pleit er uitdrukkelijk voor om de rechters niet aansprakelijk te stellen voor hun dwalingen. Dan breng je immers hun onafhankelijkheid in gevaar en dat wil hij niet.

Van Koppen denkt dat de situatie in België nog slechter is dan in Nederland. Volgens hem is de magistratuur "alvast zelfgenoegzamer in België". En hij vreest ook dat de assisenjury, die in Nederland niet bestaat, het er slechter van afbrengt dan de beroepsrechters. Hij vindt de pleidooien om in Nederland een assisenhof in te voeren een slecht idee. Waarom?

* De voorstanders van het jurysysteem halen doorgaans een onderzoek uit van Kalven en Zeisel uit de VS aan. Zij bestudeerden 3.576 zaken. En hun onderzoek wees uit dat de beroepsrechter, die de assisenzaak voorzat, in 80% van de gevallen dezelfde beslissing nam als de jury. Van Koppen vindt dit onderzoek eerder een argument tegen de jury. "In liefst 20% is er dus een verschil. Dat is een heel hoog aantal, zeker omdat de jury wordt ingezet bij de zwaarste zaken. De kwaliteit van rechters (en jury's) moet je niet beoordelen op basis van het gros van zaken die goed verlopen, maar wel op wat ze doen in een beperkt aantal gecompliceerde zaken. Dàt criterium moet je ook hanteren bij jury's", meent van Koppen. En dan faalt de jury. "Wat zou de verdachte vinden als hij in het ziekenhuis komt voor een zware operatie en daar door de chirurg wordt voorgesteld aan een groep van twaalf willekeurige burgers die de operatie gaan uitvoeren, omdat er de jongste tijd zoveel heisa is over medische fouten van chirurgen?", zo schrijft van Koppen. De vraag stellen is ze beantwoorden…

* Juryleden kunnen niet vergelijken met andere zaken en daardoor wordt de ongelijkheid in de bestraffing bevorderd; onderzoek wijst trouwens uit dat leken zwaarder straffen dan beroepsrechters.

* Juryrechtspraak is te duur.

* Het jurysysteem kan maar bestaan omdat slechts een kleine minderheid van zaken door de jury wordt behandeld. Anders zou het hele rechtssysteem immers ontwricht worden. In België zorgt men daarvoor door zoveel mogelijk te correctionaliseren, in de VS doet het systeem van plea bargaining dat. Door dat systeem kunnen parket en dader tot op het laatste moment nog onderhandelen over de straf. Dit heeft tot gevolg dat een groot deel van de rechtspraak in de VS in het geheim gebeurt. En dat vindt van Koppen zeker geen goed idee. (Een overzicht van de argumenten tegen de jury in België, vindt U hier, nvdr).

3. HOEVEEL RECHTERLIJKE DWALINGEN?

Hoeveel gerechtelijke dwalingen er zijn weet men niet. Wel is er onderzoek uit de VS. Michael Risinger schat het aantal rechterlijke dwalingen op 5% van alle veroordelingen. Maar hij veralgemeent de cijfers voor moorden en verkrachtingen naar andere misdrijven. En het is maar zeer de vraag of dat kan. Samuel Gross kwam zelfs tot 10% dwalingen bij verkrachtingszaken met aanvankelijk onbekende daders. En bij de mensen die al vijftien jaar op hun executie zitten te wachten zijn volgens Gross 2,3% onschuldigen. Hun onschuld kwam telkens later uit door DNA-tests, die op het moment van het proces nog niet mogelijk waren.

De schattingen over rechterlijke dwalingen lopen dus uiteen van meer dan 10% tot 2,3%. Van Koppen berekent dan hoeveel Nederlanders met dit laagste percentage onschuldig in de bajes zouden zitten. Dat zijn er zo'n 250. Als je de cijfers naar België omrekent, gaat het om 152 personen (veroordeelden én geïnterneerden samen). Dat is dus zelfs bij een minimalistisch percentage nog erg veel.

4. WAAROM ZIJN ER RECHTERLIJKE DWALINGEN?

Er zijn natuurlijk veel verschillende oorzaken. Uiteindelijk maakt de rechter de fout, maar zijn fout gaat veel verder terug.

4.1. GETUIGENVERKLARINGEN

De hoofdoorzaak blijken foute getuigenverklaringen te zijn. In de VS werd liefst 50% van de moorden waarvoor een onschuldige werd veroordeeld foutief herkend door getuigen. Bij verkrachtingen loopt dat percentage op tot 88%. Men kwam achteraf aan de weet dat deze mensen onschuldig waren op basis van DNA-onderzoek dat op het moment van hun veroordeling nog niet zover gevorderd was of nog niet bestond. Gemiddeld zijn foute herkenningen door getuigen bij 75% van de misdaden verantwoordelijk voor een gerechtelijke dwalingen. Van Koppen voegt er dan aan toe dat meer dan 70% van dit soort zaken alleen maar steunt op getuigenverklaringen.

Hoe komt dat? Van Koppen geeft meerdere verklaringen.

4.1.A. Het geheugen

Het geheugen is goed om ons overleven te garanderen, maar het is niet gemaakt om in een strafzaak te getuigen. Verschillende effecten maken dat getuigen zich dezelfde zaken heel anders herinneren.

* Zo hebben we het Scooter-Libby-effect. Dat verklaart waarom slachtoffers van oplichting slechtere signalementen van hun dader geven dan slachtoffers van bankovervallen. De reden is eenvoudig: het slachtoffer van een oplichting realiseert zich op dat moment niet dat het een slachtoffer is, in tegenstelling tot het slachtoffer van een bankoverval. Het eerste slachtoffer vergeet dus meer van het misdrijf dan het tweede.

* Bovendien is het geheugen er niet op gericht om losse gebeurtenissen te onthouden, maar wel om te overleven. Een feit dat in het geheugen is opgeslagen omdat het bruikbaar is, wordt daarom voortdurend ge-updated met nieuw binnenkomende informatie. Het "feit" wordt gekleurd door latere belevenissen en waarnemingen en door andere bronnen. Daarom is een getuigenis die kort na het misdrijf komt altijd veel beter dan een getuigenverklaring die jaren na de feiten komt. Hersenonderzoek van professor Dick Swaab wees uit dat de hersenen de gaten in het geheugen gewoon zelf opvullen. Ons geheugen ligt in verschillende centra in de hersenen verspreid en als we ons iets moeten herinneren en we vinden het niet onmiddellijk dan zamelen de hersenen in allerijl zo veel mogelijk info uit die centra in om een samenhangend beeld op te hangen. Maar dat beeld is niet noodzakelijk waar, aldus Swaab.

* Daar komt bij dat de politie vaak details over een bepaald feit opvraagt (had betrokkene een gele of zwarte handtas bij zich?), die in het gewone leven niet de moeite van het onthouden waard zijn.

4.1.B. De politie

Ook de politie kan fouten maken bij de diverse methoden om daders te laten herkennen door getuigen. De bekendste is de Osloconfrontatie, waarbij verschillende personen die allemaal op het signalement van de dader lijken naast elkaar op een rij worden gezet, zodat de getuige ze kan herkennen. Volgens van Koppen worden ook hierbij nog fouten gemaakt: men neemt mensen die te veel van elkaar verschillen, men laat eerst de getuige een dader "herkennen" in het fotoboek van verdachten en vervolgens in de Osloconfrontatie, de politie suggereert op voorhand wie de dader is etc.

De eenpersoonsconfrontatie, waarbij de getuige achter een scherm wordt geconfronteerd met één verdachte, bewijst volgens van Koppen al überhaupt helemaal niets en zou moeten verboden worden. We weten immers niet of de verdachte slechts leek op de echte dader, en evenmin of de getuige de verdachte niet herkende omdat hij de politie wilde helpen.

In Nederland mogen verdachten niet veroordeeld worden op basis van één getuigenverklaring. Er moet daarnaast nog onafhankelijk ander bewijs zijn. Maar van Koppen toont aan dat de magistratuur daarmee soms een loopje neemt.

4.2. VALSE BEKENTENISSEN

Ook ander bewijsmateriaal zoals bekentenissen, vingerafdrukken of DNA-sporen kunnen tot foute conclusies en dus uiteindelijk tot rechterlijke dwalingen leiden.

4.2.A. Nederland

Bekentenissen kunnen vals zijn, om iemand anders te beschermen, maar eveneens door de druk van de isolatie op de cel of door verhoortechnieken, die niet eens gewelddadig zijn. De minimalisatietechniek bijvoorbeeld praat de verdachte aan dat het misdrijf helemaal niet zo erg is, maar blijven ontkennen wordt als heel erg voorgesteld. En vooral: hoe langer verhoren duren, hoe groter het risico op valse bekentenissen.

Van Koppen beklemtoont dat bekentenissen die niet gesteund worden door daderkennis (kennis van het misdrijf die alleen de dader kan hebben) "waardeloos" zijn. Nochtans houden rechters volgens van Koppen weinig rekening met deze gouden regel.

Deze daderkennis moet wel echte daderkennis zijn, hij mag niet aangepraat of gesuggereerd zijn door de politie. Hoe langer een verhoor duurt, hoe meer gegevens de politie ongetwijfeld over de feiten zelf zal prijs geven. Om na te gaan of er geen suggesties werden gedaan moeten alle verhoren worden opgenomen, zodat iedereen ook achteraf kan zien wat er precies is gebeurd.

4.2.B. België

* Over de Belgische verhoorssituatie zegt het boek van Van Koppen niets. Toch is daar onderzoek over. Het bekendste is dat van het vakblad Custodes in 2000. Toen stelde men bij ruim 10% van de verhoren een "tunnelvisie" vast en men vond ook dat één op de zes verhoren niet voldoende gepland werd. Soms - zoals in de toen roemruchte 'pedofiliezaak-Trusnagh' rond minister Elio di Rupo - worden verdachten uit de gevangenis gehaald "om hen nog eens lastig te vallen" zonder duidelijk doel.

* De speurders gebruikten volgens de studie van toen ook nog te veel een manipulatieve of een beschuldigende verhoorstrategie. In het eerste geval bluft de speurder, hij stelt de feiten verkeerd voor (suggereert een bekentenis die er niet is of belooft een strafvermindering die onmogelijk is) of hij intimideert (door bedreigingen of slagen: onderzoek van de Gentse criminologieprofessor Paul Ponsaers toonde aan dat 7% van de speurders toegaven regelmatig geweld te gebruiken). Eerder Engels onderzoek uit 1980 stelde deze 'technieken' bij twee derde (!) van de verhoren vast. In Engeland moeten verhoren na dit onderzoek worden opgenomen op cassette, zodat de manipulatieve strategie enorm afnam. Er is geen reden om te denken dat de manipulatieve strategie in België minder wordt gebruikt, meende toenmalige rijkswachtmajoor Van de Plas in Custodes.

* Belgische speurders verhoren volgens Van de Plas vaak ook nog te beschuldigend: ze overrompelen de verdachte met de bewijselementen die ze hebben en beschuldigen hem. Dat werkt slechts bij zwakke persoonlijkheden en kleine garnalen, maar niet bij de georganiseerde misdaad. Bovendien geeft de speurder zijn troeven veel te vlug prijs en bestaat het risico dat hij bevooroordeeld is. Want ook dat laatste komt voor: in meer dan 10% van de verhoren heeft de speurder een vast idee van hoe de feiten gebeurd zijn en stelt hij suggestieve vragen om ze bevestigd te krijgen.

* Verhoren zijn volgens het onderzoek ook te veel op bekentenissen gericht en te weinig op de concrete elementen van het misdrijf. Eens bekend stopt men het onderzoek en dat is fout. Want als de verdachte zijn bekentenis op de zitting herroept, heeft de rechter geen enkel element meer om zich op te steunen. Want valse en afgedwongen bekentenissen komen voor. De Nederlandse professor Wagenaar, gaat daarom zover om de bekentenis als politietechniek gewoon als strijdig met de mensenrechten uit te roepen. Aldus nog Custodes in 2000. In hoeverre de Belgische situatie nu verbeterd is, is niet duidelijk.

4.3. FORENSISCH ONDERZOEK

Maar ook andere kroonjuwelen van het gerechtelijk onderzoek (de vingerafdruk, het DNA-staal) kunnen tot serieuze fouten leiden.

* Van Koppen geeft hallucinante voorbeelden van vingerafdrukken van verdachten die "zeker matchten met vingerafdrukken op de plaats van het misdrijf" en die achteraf helemaal niet bleken te matchen. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de zaak van de terroristische aanslag in Madrid in 2004, waar iemand door de FBI maandenlang werd opgesloten op basis van een foute vingerafdruk.

* En er waren tests waarbij analisten twee verschillende vingerafdrukken kregen, die ze jaren voordien als volledig dezelfde hadden gedefinieerd in een eerder gerechtelijk onderzoek. Op het moment van de test werd hun gezegd dat de "nieuwe" gevonden vingerafdruk vermoedelijk die van Mayfield was (de tenonrechte opgesloten man in de terrorismezaak van Madrid), en dat leidde er toe dat slechts één op de vijf nog een match tussen de twee vingerafdrukken vond!

* Ook DNA-bewijs is niet onfeilbaar, want ons DNA is niet uniek en bovendien zijn er heel verschillende methoden om DNA te vergelijken.

Kortom: ook al het forensisch bewijs kan tot rechterlijke dwalingen leiden omdat dit soort onderzoek nog onvoldoende grondig gebeurt.

5. WAT WIL VAN KOPPEN VERANDEREN?

Wat wil van Koppen veranderen? Hij stelt een heleboel dingen voor:

* In ieder gerechtelijk onderzoek moeten minstens enkele geloofwaardige scenario's over de feiten grondig worden onderzocht. Niet alleen het scenario waarin de verdachte schuldig is, maar ook scenario's waarin hij dat uitdrukkelijk niet is. Deze alternatieve scenario's moeten geloofwaardig zijn (niet bijvoorbeeld "De verdachte heeft zelfmoord gepleegd", als hij met tien bijlslagen is vermoord). In de rechtszaak moet de procureur zijn schuldig scenario voorleggen, maar ook duidelijk maken waar de gaten in zijn verhaal zitten. Hij moet aantonen waarom zijn verhaal wordt geloofd.

* Het moet ook duidelijk zijn hoe men de verdachte heeft gevonden en waarom men aanvankelijk dacht dat hij verdachte was.

* Om manipulatieve strategieën tegen te gaan moeten alle verhoren worden opgenomen. Alleen zo kan je achteraf overtuigend vaststellen wat precies is gezegd. Bovendien kan de politie zich dan beter concentreren op het verhoor zelf in plaats van op het maken van het proces-verbaal. En als dat pv moet opgemaakt worden kan men nog eens vergelijken met wat precies is gezegd, wat toch altijd nieuwe dingen oplevert.

* Er moet een duidelijk bewijsrecht komen. Dat bestaat in België niet. In België kan iemand veroordeeld worden zonder enig materieel bewijs of op basis van één getuigenis. Dat kan eigenlijk niet meer in een moderne staat. Er zijn openbare regels nodig.

* Bekentenissen hebben alleen zin als de verdachte ook "daderkennis" meedeelt, feiten die alleen de dader kan weten en die niet gesuggereerd zijn door de politie. Verhoren mogen niet te lang duren en bekentenissen zouden altijd moeten worden ondersteund door ander onafhankelijk bewijs. Eerder al - in "Dubieuze zaken" - betoogde van Koppen dat een herroepen bekentenis alleen als bewijsmateriaal mag worden gebruikt al de rechter duidelijk maakt waarom de oorspronkelijke bekentenis geloofwaardiger is dan de herroeping.

* Er moet een Revisieraad buiten het gerecht komen. Daar moeten mensen die denken dat ze onschuldig veroordeeld zijn kunnen aankloppen. Die revisieraad onderzoekt deze vraag en als hij gegronde redenen voor een rechterlijke dwaling vindt, dan moet hij de opdracht kunnen geven om de zaak opnieuw naar een andere rechtbank te sturen. Volgens van Koppen bestaat zo'n revisieraad al in Engeland en Noorwegen en werkt hij daar naar behoren. In België bestaat een procedure tot herziening bij het Hof van Cassatie, maar die is heel strikt en wordt slechts uiterst zelden toegepast.

* De opleiding in de rechten moet juristen niet alleen rechten leren, maar ook wetenschapsleer. Juristen moeten leren hoe feiten worden vastgesteld, welke (verdraaiings)mechanismen daarbij spelen. "De kernvraag - is iemand schuldig of niet - is uiteindelijk een feitelijke vraag en op die vraag antwoorden leren juristen niet. Ze weten er dus niet meer van dan een gemiddelde intelligente figuur op straat", zo zegt van Koppen.

6. BEDENKINGEN

1. "Overtuigend bewijs" is een beangstigend boek. Het roept serieuze vragen op bij de werking van de Nederlandse politie en gerecht. Voor België behandelt het vooral de parachutemoord, maar niet de structurele situatie. In België zijn echter nog minder politietechnieken (verhoor, Osloconfrontatie, sporenonderzoek, bekentenis) grondig geregeld zijn dan in Nederland. Het bewijsrecht staat in België ook minder ver (de leugendetector wordt hier wel als bewijselement gebruikt, in Nederland niet; er is geen verplichting om twee verschillende bewijselementen te hebben om een veroordeling te kunnen krijgen; e.d.), er is amper geld voor deskundigen en er is ook veel minder forensische expertise. En in België laat men ook nog leken alleen beslissen over de zwaarste misdrijven in het assisenhof. De situatie met gerechtelijke dwalingen zal in België wellicht erger zijn dan in Nederland.

2. Terzake is het een gemiste kans dat de Kamercommissie Seksueel Misbruik in de Kerk zich niet heeft gebogen over de kwaliteit van de verhoren of over de kwaliteit van het bewijs (in zedenzaken). Er werd niet één gespecialiseerde getuige over gehoord! Terwijl de meeste gekende gerechtelijke dwalingen steunen op foutieve verklaringen van getuigen, zullen de aanbevelingen van de Kamercommissie die gerechtelijke dwalingen dus zeker niet doen afnemen. Maar eerder nog doen toenemen door de verjaringstermijn voor seksueel misbruik nog verder te verlengen, zodat fouten die door de werking van het geheugen ingegeven zijn makkelijker kunnen voorkomen.

3. Opmerkelijk blijft ook het voortdurende verzet bij parlementsleden tegen het opnemen van politieverhoren. "Dit is te duur", zo luidt het. Maar een verplichte opname van ieder verhoor, die een dure eenmalige investering vergt, zou veel kunnen bijdragen tot de professionalisering van de politiekorpsen. Het parlement is daar amper om bekommerd. De politiehervorming is voor de Kamerleden en Senatoren nooit meer geweest dan een personeelsherschikking. De kwaliteit van de dienstverlening werd niet onderzocht en ook niet besproken. Er is nog altijd geen fundamenteel debat geweest over de resultaten van tien jaar politiehervorming. Dat alles stemt niet echt optimistisch.


Zie: VAN KOPPEN, PETER, Overtuigend bewijs. Indammen van rechterlijke dwalingen, 2011, 320 p., Uitgeverij Nieuw Amsterdam



Lees ook:


"Cassatieberoep van Clottemans is te laat"

Politieverhoren moeten opgenomen worden

Politieraad evalueert tien jaar politiehervorming

De voorstellen van de Kamercommissie Seksueel Misbruik

Moet assisen afgeschaft worden?



.

Nu in het nieuws