Seks in de Kerk: cijfers en beleidsvoorstellen

Print
14 JANUARI 2011 - De bisschoppen tellen 134 pedofiele priesters sinds 1945, zo bleek uit de hoorzittingen van de Kamercommissie Seksueel Misbruik tijdens de voorbije week. De Kamerleden kregen twee rapporten met nieuwe cijfers binnen en hoorden enkele vertegenwoordigers van de Ordes en congregaties. Een kritische analyse en een overzicht van de beleidsvoorstellen die de Commissie nu al, na een maand werking, zou kunnen doen.

1. STATISTIEKEN

A. DE BISSCHOPPEN

De Kamerleden kregen deze week enkele rapporten met cijfers binnen. Eerst en vooral brachten de bisschoppen het aantal hun bekende pedofiele priesters in kaart. Dat was eigenlijk al tijdens de hoorzittingen met de afzonderlijke bisschoppen gebeurd, maar nu staan alle cijfers op een rijtje.

A.1. De cijfers

* In totaal telden de bisschoppen 134 pedofiele priesters in België sinds 1945. Daarvan zijn er 90 nog in leven. Sinds het afsluiten van deze data kwamen nog eens 52 nieuwe zaken binnen, die niet in deze cijfers begrepen zijn. Het totaal aantal pedofiele priesters komt daarmee volgens de bisschoppen op 186. Maar in hun nota gaat het slechts om de eerste 134, omdat de 52 nieuwe zaken nog in onderzoek zijn.

* In 70% van deze 134 gevallen werd politie of gerecht ingeschakeld.

* 38 pedofiele priesters (40,4% van de priesters in wiens zaak de politie werd ingeschakeld; 28,3% van alle priesters) werden veroordeeld. Daarvan kregen 21 een effectieve celstraf (22,3% van de priesters in wiens zaak de politie werd ingeschakeld; 15,2% van alle priesters). Daarnaast kregen nog 11 een celstraf met uitstel en er waren 6 opschortingen.

* De kerkelijke overheid verbood definitief ieder pastoraal werk aan 22 pedofiele priesters (een vijfde van de zaken die naar het gerecht gingen en één meer dan er veroordeeld werden tot een effectieve straf) en legde in nog eens 29 gevallen een beperkende administratieve taak op.

* De verschillen tussen de bisdommen zijn soms groot. Zo werd in Antwerpen en in Hasselt in bijna alle gekende gevallen de politie ingeschakeld, maar in Mechelen-Brussel gebeurde dat slechts in de helft van het aantal zaken en in Doornik slechts in een derde. In sommige bisdommen zijn alle pedofiele priesters waarvoor de politie werd ingeschakeld veroordeeld (Gent), in andere (Hasselt) geen enkele. Maar dit laatste komt omdat in 11 van de 23 zaken waarbij de politie tussenkwam het onderzoek nog loopt.

A.2. De besluiten uit de cijfers

Wat kunnen we uit deze cijfers leren?

* Het aantal pedofiele priesters is op het eerste gezicht eerder laag: 186 gevallen in bijna 70 jaar. Maar de cijfers zijn nog onvolledig omdat de pedofiele paters en broeders uit de ordes en congregaties er niet in zitten. Die cijfers zijn momenteel slechts voor enkele ordes onderzocht (salesianen, jezuïeten, witte paters, benedictijnen), maar niet voor alle. De cijfers blijven dus onvolledig.

Iedere vergelijking met de totalen van de Werkgroep Mensenrechten in Kerk van Rik Devillé of met die van de Commissie-Adriaenssens is fout, omdat het in beide gevallen slechts om klachten gaat die nog niet zijn onderzocht; omdat bovendien deze klachten niet alleen priesters maar ook paters, broeders en nonnen betreffen; en omdat het gros van de klachten bij Rik Devillé helemaal niet gaat over seksueel misbruik van minderjarigen, maar over schendingen van andere mensenrechten in de Kerk. Wie dus op grond van de cijfers van Peter Adriaenssens en Rik Devillé besluit dat de bisschoppen wellicht klachten onder de mat hebben geveegd, zoals bv. Olivier Deleuze (Ecolo) in de Kamercommissie deed, vergelijkt appelen met citroenen.

* Voorts valt op dat in 70% van de gekende zaken politie en gerecht werd ingeschakeld, zij het niet noodzakelijk door de bisschoppen zelf. Een hoog percentage in vergelijking met het algemeen totaal, want in 2008 bv. gaf slechts 7,2% van de slachtoffers een seksueel misdrijf aan de politie aan en dat is al veel meer dan in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Dat lijkt op het eerste gezicht een positieve constatering voor de Kerk. Maar… er blijft een zeer groot dark number. Men mag het cijfer misschien zelfs met tien vermeningvuldigen. En bovendien weten we op basis van de gegevens van de bisschoppen niet om wat voor soort zaken het gaat. Dat maakt toch een heel verschil.

* De bisschoppen hebben blijkbaar in alle gevallen die tot een gerechtelijke veroordeling hebben geleid kerkelijke maatregelen genomen, hoewel dat niet steeds een definitieve stopzetting van alle pastorale activiteiten was.

Veel meer besluiten kan je uit deze cijfers niet trekken. Om dat wel te doen, zou je minstens volgende vergelijkingen moeten kunnen maken:

- Je moet het aantal pedofiele priesters kunnen vergelijken met het totaal aantal priesters in die periode, zodat een percentage kan worden berekend. Deze cijfers zijn momenteel niet bekend, hoewel we weten dat er in 1961 10.343 diocesane priesters waren en in 2009 nog 3.659. Hoeveel er echter in de hele periode tussen 1945 actief waren, werd vooralsnog niet uitgerekend. Dat gebeurde ook niet voor het aantal paters, broeders en nonnen. En we kunnen er toch niet zomaar van uit gaan dat het percentage pedofiele priesters in de VS, - het enige land waar dit grondig werd onderzocht door de bisschoppen, - nl. maximum 4% van de priesters, paters, broeders en nonnen, naar België kan worden veralgemeend. (Voor meer informatie over deze cijfers in de VS, zie: hier, nvdr.)

- Het procentuele aandeel van de seksuele misdrijven op minderjarigen bij andere beroepsgroepen (zoals de therapeuten, de opvoeders, de sporttrainers, de leraars…) moet worden vergeleken met het procentuele aandeel van de priesters. Zonder die vergelijking kan je niet zomaar beweren dat het aandeel van de priesters "enorm hoog" ligt of dat de oorzaak van pedofilie in de Kerk "wellicht in het celibaat moet worden gezocht", zoals een aantal parlementsleden nog steeds beweert. Daarmee is niet gezegd dat die uitspraken onjuist zouden zijn, alleen maar dat je ze momenteel niet kan doen.

- Om de reacties van gerecht en Kerk op pedofiele priesters te beoordelen, moet je een fijnere opdeling van de feiten doorvoeren. De Commissie heeft echter alleen gevraagd naar "grensoverschrijdend gedrag met een minderjarige onder de 18 jaar". Maar was is dat precies? Gaat het om aanrandingen, verkrachtingen, exhibitionisme? Gaat het misschien in bepaalde gevallen om feiten die geen misdrijf zijn (bekijken van iemand naakt onder de douche)?

- De cijfers van de bisschoppen houden ook geen rekening met de verschillende wetswijzigingen in de bewuste periode, die een hoger aantal pedofiele priesters doen vermoeden. Gedurende de helft van de onderzochte periode was de meerderjarigheid immers nog op 21 jaar vastgelegd, terwijl de Commissie slechts vroeg naar criminele feiten met jongeren tot 18 jaar. Anderzijds is er een vertekening doordat homoseksueel gedrag boven de 16 jaar strafbaar was tot halverwege de jaren tachtig en nu niet meer.

- Ook een plaatsing in het algemene vervolgingsbeleid en bestraffingsbeleid in de bewuste periode is noodzakelijk om de cijfers van de bisschoppen correct te kunnen beoordelen. Uit een eerdere studie van professor Frank Hutsebaut (KULeuven), die de Commissieleden eveneens ter beschikking kregen, blijkt dat halverwege de jaren negentig nog 58% van alle seksueel geweld tegen minderjarigen binnen het gezin geseponeerd werd en dat tussen 1985 en 1995 slechts 13,5% van de beklaagden van àlle seksueel misbruik (op minderjarigen én meerderjarigen samen) werd veroordeeld. Bij de pedofiele priesters gaat het om 40,4%.

Uit deze studie blijkt verder dat in de bewuste periode het beroep van de daders geen enkele rol speelde bij de beoordeling door de rechtbank (!), maar de relatie tussen dader en slachtoffer wél. Belangrijk is dus of de dader zijn slachtoffer vooraf kende. Zo werd de dader van seksueel geweld op een minderjarige in het gezin in 73,8% van de gevallen veroordeeld tot een gevangenisstraf (effectief en met uitstel samengeteld). Bij de pedofiele priesters is dat aantal slechts 34%, of amper de helft.

Maar ook deze laatste cijfers moeten met grote omzichtigheid worden benaderd, omdat de periode van de feiten bij de priesters veel ruimer is (minstens 60 jaar in plaats van 10 jaar), omdat het aantal veroordeelde priesters erg klein is (94) en omdat de rechtbanken steeds repressiever zijn geworden naarmate de twintigste eeuw vorderde terwijl de meeste seksuele feiten van de pedofiele priesters voor 1985 plaatsgrepen.

Het is dus moeilijk om algemene conclusies uit de cijfers van de bisschoppen te trekken. Daarvoor is veel meer onderzoek nodig. Dat belet echter de meeste parlementsleden en media niet om die conclusies toch maar te trekken.

B. DE JUSTITIEHUIZEN

De Commissieleden kregen nog een tweede reeks cijfers voorgeschoteld, nl. de statistieken van de Justitiehuizen.

Het gaat hier om twee soorten cijfers:

* Het aantal daders dat door de justitiehuizen werd begeleid.

In 2009 startten de justitiehuizen 822 nieuwe begeleidingen van personen die minderjarigen seksueel hadden misbruikt, in 2010 (tot einde oktober) 549. De grootste groep zijn mensen die probatievoorwaarden kregen opgelegd bij een straf met uitstel: 386 in 2009 (of 46,9%). Daarna volgen aangehouden personen die vrijgelaten zijn onder voorwaarden maar nog moeten veroordeeld worden (187 of 22,7%). Het gaat hier om naakte cijfers over daders die in vrijheid zijn. In deze groep zijn mensen die hun celstraf volledig uitzitten om aan een begeleiding achteraf te ontsnappen niet inbegrepen en dat aantal neemt voortdurend toe.

* Het aantal slachtoffers dat door de justitiehuizen werd ondersteund.

In 2009 ondersteunden de justitiehuizen ook 2.082 slachtoffers van seksueel misbruik (in 2010: 2.166 tot 8 december). Maar in 2009 waren er slechts 7 slachtoffers van pedofilie en nog eens 13 van incest (voor 2010 zijn deze cijfers: 8 en 14). Net zoals bij het gerecht worden voor de misdrijven "aanranding", "verkrachting" en "openbare zedenschennis" de minderjarigen en de meerderjarigen samengeteld, zodat ook deze cijfers moeilijk te analyseren zijn. In ieder geval kan geen opdeling gemaakt worden in slachtoffers van pedofiele pastoors en slachtoffers van andere pedofielen.

Uit deze cijfers kan je dus weinig algemene besluiten trekken. Eerder al moesten de parketten meedelen dat dit eveneens voor hun statistieken geldt. Die bestààn überhaupt slechts vanaf 2004. De meest betrouwbare statistieken tot nu toe zijn dus de politiestatistieken, maar dat zijn alleen klachten. (De recentste politiecijfers vind je hier, nvdr.)

2. HOORZITTINGEN

De Kamercommissie hoorde deze week ook de provinciale oversten van enkele religieuze ordes en congregaties (salesianen, jezuïeten, witte paters, benedictijnen). Dat leverde vooral een déjà vu-effect op. Ook in die ordes waren er - volgens de oversten - weinig bekende klachten (hooguit een tiental in de hele periode) en werd altijd opgetreden, zij het dat sommige oversten niet zelf naar het gerecht stapten, maar dit aan de ouders van de slachtoffertjes aanraadden.

2.1. INTRAKERKELIJKE VOORSTELLEN

Welke nog niet gesuggereerde intrakerkelijke maatregelen stelden de provinciale oversten zij voor?

* De Salesianen (de volgelingen van Don Bosco) hebben sinds 2000 een internationale richtlijn over hoe seksueel misbruik moet worden afgehandeld. Dat zegde hun Vlaamse provinciale overste, Jos Claes. Die richtlijn bepaalt dat men over dit soort zaken "open moet zijn" en dat "absolute prioriteit moet worden gegeven aan het slachtoffer". Daders mogen niet overgeplaatst worden om de feiten toe te dekken. De dader moet onmiddellijk zijn pastorale en pedagogische opdracht verliezen en hij moet actief meewerken met het gerecht.

* Daarnaast toonden de vertegenwoordigers van Ordes zich soepeler op het vlak van schadevergoeding dan de bisschoppen. Zo zegde de overste van de salesianen dat zij nu al de therapiekosten van de slachtoffers betalen en zowel de benedictijnen, de salesianen als de jezuïeten springen financieel bij als een veroordeelde broeder of pater de schadevergoedingen waartoe hij veroordeeld is niet kan betalen. Dat doen de bisschoppen tot op heden nog niet, op een enkele uitzondering na.

De Unie van Vlaamse religieuzen, - een forum zonder gezag voor de 11.000 paters, broeders en nonnen in Vlaanderen en Brussel - pleitte bij monde van zijn voorzitter, abt Erik De Sutter, voor een schadevergoeding van slachtoffers van pedofiele priesters, paters, broeders en nonnen nadat het gerecht een beslissing heeft genomen. Het gaat om slachtoffers van priesters van wie de feiten verjaard zijn of waarvoor om andere reden geen schadevergoeding mogelijk is. Hij wil samen met de bisschoppenconferentie een regeling uitwerken. Hoe die er moet uitzien, ligt nog niet vast. Eerder al pleitten alle bisschoppen voor een soortgelijk fonds, zij het met grote verschillen over hoe dat fonds zou moeten worden gespijsd.

2.2. EXTRAKERKELIJKE VOORSTELLEN

Extra-kerkelijk viel vooral het pleidooi voor een meer herstelgerichte aanpak tegenover de daders op. Fons Swinnen van de Vlaamse jezuïeten wil dat de daders zich bewust worden van het leed dat ze aanrichten en werken aan de vergoeding voor hun slachtoffer. Hij zegde dat twee van zijn gevangenisaalmoezeniers hieraan willen meehelpen en dat dit ook zou kunnen in een opvangtehuis voor ex-gedetineerden dat de jezuïeten beheren. Op termijn moet dit uitmonden in een openbare Waarheidscommissie, waar daders, slachtoffers en de Kerk in publieke zittingen alle feiten blootleggen en naar verzoening streven. De jezuïeten steunen zich voor dat idee op de visie van de Leuvense professor Luc Huyse.

3. BELEIDSVOORSTELLEN

De Kamercommissielden besteedden nog steeds het grootste deel van hun tijd aan vragen over intern-kerkelijke maatregelen waarover ze uiteindelijk niets te zeggen hebben. Over extern-kerkelijke maatregelen, die sommige geestelijken hebben aangekaart, stellen ze weinig of helemaal geen vragen. Toch rijzen uit de hoorzittingen al een reeks beleidsdiscussies en -voorstellen op waarvoor de commissie wel bevoegd is. Een overzicht van wat de Commissie zou kunnen voorstellen.

* Moet niet hoogdringend werk worden gemaakt van een fatsoenlijke registratie van de data over seksueel misbruik? De cijfers zitten momenteel versnipperd over verschillende organen (vertrouwensartsencentra, justitiehuizen, politie, parketten), overlappen elkaar, zijn onvolledig en onvoldoende fenomeengericht. Zo is het intern voor de parketten wel belangrijk dat zij hun statistieken opbouwen op basis van de artikelen uit het strafwetboek, maar het is onvoldoende omdat men hierdoor het verschil tussen minderjarige en meerderjarige daders én minderjarige en meerderjarige slachtoffers niet kan maken. Peter Adriaenssens pleit al geruime tijd voor één centrale databank.

* Moet de verjaringstermijn verlengd of zelfs afgeschaft worden en voor welke misdrijven dan? Hoe zal men dit kunnen doen zonder de hiërarchie van de straffen overhoop te halen? (Voor deze discussie, zie: hier, nvdr.)

* Moet het Fonds voor Hulp aan Slachtoffers van Opzettelijke Gewelddaden uitgebreid worden naar slachtoffers van seksueel misbruik? Hoe kan dat gebeuren en wie zal dit financieren? Moet dat misschien via een privaat-publieke samenwerking gebeuren? Het ligt immers voor de hand dat àls er een schadefonds voor slachtoffers van pedofiele priesters komt, dat niet alleen door de Kerk kan worden gefinancierd. De overheid is zelf even schuldig door niet-vervolging van pedofilie als de Kerk. En ook andere sectoren zouden dan moeten bijdragen om discriminatie van de Kerk te verhinderen. Om een degelijke verdeelsleutel voor de financiering uit te werken tussen de verantwoordelijke groepen is nog heel veel onderzoek nodig.

* Moet en (onder welke voorwaarden) kan de relatie priester-bisschop worden gedefinieerd als een relatie werkgever-werknemer (technisch: aansteller-aangestelde) zodat de gewone regeling voor burgelijke aansprakelijkheid kan gelden en de bisschoppen door de rechter verplicht kunnen worden om schadevergoeding te betalen als hun priester dat niet kan. Moet ook voor paters, broeders en zusters een dergelijke regeling worden uitgewerkt? Is zo'n wetswijziging wenselijk?

* Moet er een meldingsplicht voor seksueel misbruik komen voor mensen met een beroepsgeheim? In welke gevallen en voor welke misdrijven en beroepsgroepen moet die meldingsplicht van toepassing zijn? Is zo'n wijziging wenselijk als dit tot een vermindering van de aangiftebereidheid leidt?

* Moeten organisaties die zich bezighouden met het leed van slachtoffers van incest of seksueel misbruik van minderjarigen zich burgerlijke partij kunnen stellen, zoals het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding dat kan in zaken van racisme, discriminatie en mensenhandel? Of moet eerder een sensibiliseringsbeleid naar de parketten worden gevoerd?

* Moet een class action, waarbij advocaten namens meerdere slachtoffers een rechtszaak aanspannen waarvan de resultaten ook gelden voor alle slachtoffers die niét aan die rechtszaak hebben meegedaan, mogelijk worden en onder welke voorwaarden? Of moet men andere vormen van collectieve rechtszaken ontwikkelen of vormen van objectieve burgerlijke aansprakelijkheid? De voorstellen liggen al geruime tijd ter tafel naar aanleiding van de ramp in Gellingen, maar het parlement doet er niets mee. (Zie: hier, nvdr.)

* Zou de Kamercommissie naar de begeleiding van de daders toe, niet beter rekening houden met de bedenkingen die de Justitiehuizen vorig jaar formuleerden. Zij hadden vooral problemen met de duur van de proeftijden bij de twee belangrijkste groepen daders die zij opvolgen.

De proeftijden van probanten (daders die een straf met uitstel kregen, maar bovendien moeten worden begeleid) duren te lang, zo menen de Justitiehuizen. "Ze zouden maximum 2 jaar mogen duren. Wij kennen mensen die een straf van 6 maanden met uitstel kregen met een proeftijd van vijf jaar. Onderzoek wijst echter uit dat een begeleiding om recidive tegen te gaan haar resultaten gedurende de eerste 9 maanden van de proeftijd moet bereiken. In de tweede periode van 9 maanden is er nog slechts bij 4% een positieve gedragsverandering. Justitieel bekeken heeft het dus weinig zin om langere proeftijden op te leggen, want je steekt veel personeel, tijd en geld in een begeleiding die naar recidive toe weinig extra oplevert", zo zegde directeur-generaal Annie Devos toen.

Maar de proeftermijn voor voorlopig gehechten die vrij worden gelaten in afwachting van een veroordeling, is dan weer te kort. Devos: "Hij is maximum 3 maanden, maar kan telkens met drie maanden worden verlengd. Maar als de hulpverleningsinstantie waar de vrijgelatene bv. een therapie moet gaan volgen een achterstand heeft van twee maanden, dan blijft er maar één maand tijd meer over voor de therapie zelf en dat is dus te weinig."

Met deze belangrijke bedenkingen werd tot nu toe geen rekening gehouden, terwijl ze toch nuttig zijn om recidive op een efficiënte manier te voorkomen. (Voor de visie van de justitiehuizen, zie: hier.)

* Kan, moet en mag de overheid optreden tegen videospelletjes en films met extreem seksueel geweld? Waar liggen hier de grenzen? (Voor deze discussie, zie: hier, nvdr.)

* Moet het herstelrechtelijk aanbod in de gevangenissen worden uitgebreid en herdacht met het oog op een Waarheidscommissie en voor welke groepen dan? Dit is natuurlijk meer iets voor de Gemeenschappen, maar dat belet niet dat de federale Kamer aanbevelingen kan doen.

* En verder, wat iedereen zich afvraagt: wat mag nu nog? De hele discussie over "seks in de Kerk" wordt vertroebeld door het vage begrip "seksueel misbruik", dat meestal niet geconcretiseerd wordt. Dat werkt een emotionele aanpak in de hand en het creëert angst. Fons Swinnen van de Orde der Jezuïeten waarschuwde daar woensdag voor.

Misschien moet het parlement een meer precieze definitie uitwerken van welke daden strafbaar zijn: welke daden (aanrakingen, naakt zwemmen, bekijken van kinderen onder de douche) kunnen door welke personen (er zijn terzake drie groepen: ouders en broers en zussen; mensen in een gezagsrelatie zoals dokters, leraars, priester; vreemden) straffeloos gesteld worden tegenover kinderen van welke leeftijd en in welke context? En welke niet? Misschien moet het parlement dat eens oplijsten. Nu ziet het ernaar uit dat heel wat angst en onzekerheid wordt gezaaid op scholen en bij ouders.

De grote kritikasters van de Kerk (voornamelijk groenen, socialisten en liberalen) dreigen zich te ontpoppen tot pleitbezorgers van een nieuwe Victoriaanse preutsheid en tot radicale tegenstanders van alle mogelijke experimenten in seksuele emancipatie (zoals bv. die in de brouwerij van Viersel), die ze nochtans jarenlang zelf gedoogd en gepromoot hebben. Als voyeurisme (bekijken van iemand onder de douche of van naakte zwemmers in de brouwerij van Viersel) een "vorm van seksueel misbruik" is zoals sommige parlementsleden menen, dan moeten natuurlijk ook het naaktstrand van Bredene en alle nudistenkampen dicht. Het ene kan niet zonder het andere. Wil men dat? Senator Rik Torfs (CD&V) hekelde eerder al de nieuwe preutsheid van de Kamercommissie. Het is aan de Commissie om terzake om in haar aanbevelingen duidelijk te maken wat kan en wat niet kan. Er is dus nog veel werk aan de winkel.



Over de hoorzittingen van deze week, lees je meer hier:

De Unie van Vlaamse Religieuzen

De Salesianen

De Franstalige Jezuïeten

De Vlaamse Jezuïeten



Lees ook:

Seksueel Misbruik: drie arresten en twee hoorzittingen



.

Nu in het nieuws