Met Rik Torfs naar Graspop: "Mijn pink is te klein!"
26/06/'12
Metal Maniac
Als een antropoloog die diep in het Amazonewoud een indianenstam ontdekt. Zo moet professor en senator Rik Torfs zich dit weekend in Dessel gevoeld hebben. Torfs bezocht namelijk voor het eerst in zijn leven een muziekfestival. De kerkjurist besnuffelde op onze vraag het Graspop-publiek en trok een duidelijke conclusie: “Metalfans zijn best schattig.”
Hoe zou een professor kerkelijk recht en christendemocratisch senator naar een festival kijken dat veel weg heeft van een zwarte mis? Dat vroegen we ons af, dus verzochten we Rik Torfs om het jaarlijkse metalfestijn in de Kempen bij te wonen. Een uitnodiging die hij tot onze niet geringe verbazing graag accepteerde.
“Het is mijn festivaldoop”, bekent de professor, die niet goed weet wat te verwachten. “Opa’s in rolstoelen en stoffelijke overschotten uit de sixties? Of ook jonge mensen? Moteurhoofd (Motörhead, red.) komt, zag ik op een affiche. Wat een inspirerende groepsnaam. Het festival intrigeert me nu al.”
Als we naar de festivalwei wandelen, krijgt Torfs een antwoord op zijn vraag. “Veel tieners hier. Merkwaardig. Ik voelde mij in m’n tienertijd meer aangetrokken tot fietsen.” Naast het festivalterrein merkt de professor een industriële schoorsteen op. “Handig, zo’n crematorium vlak bij het festival.” Lichtzwarte humor heeft-ie al, dus dit komt wel goed.
Eerst moeten we de toegangscontrole passeren. De professor (55) krijgt voor het eerst in zijn leven een festivalbandje om de pols. “Mooi. Het doet me denken aan een enkelband. Ben ik nu verplicht om dit zoals sommige van mijn studenten maanden te dragen?”
Op de weide spreekt de professor zonder schroom een bevallige jongedame aan. Ze draagt een opvallende gothic outfit. “Deze dame is een collega. Ze werkt aan de Luikse unief als documentaliste. Ik bespeur hier veel hoogopgeleide mensen. Metal is, denk ik, een uitlaatklep. Een manier om te ontsnappen aan de dagelijkse druk. Ik vind dat goed zo. Belgen gaan te weinig tegen de heersende cultuur in.”
Rik Torfs is een bekende Vlaming. En vestimentair valt hij hier met zijn keurige paarse polo op. Dus spreken festivalgangers hem voortdurend aan. Een dronken Gentenaar wil theologisch advies en enkele jongedames vragen dat de prof hun gummilaarzen signeert. Gewillig gaat Torfs door de knieën. “Het went snel om een rockster te zijn.” Enkele Duitse festivalgangers slaan het tafereel gade en twijfelen: is dit nu de zanger van Death Angel of niet?
Graspopgangers begroeten elkaar met een merkwaardig teken, stelt de prof vast. Ze steken een gebalde vuist met gestrekte wijsvinger en pink op. Het duivelsteken, doceren we. Afkomstig uit Italië, waar oudere, diepgelovige burgers het teken gebruiken om het kwade af te weren. De professor wil het wel eens proberen. “Dit is niet zo simpel. Het vergt behoorlijk wat motorische inspanning van me. Ik stel nu plots vast dat mijn pink hiervoor eigenlijk te kort is.” Met hulp van een vriendelijke blonde festivalgangster lukt het toch. “Mooi! Ik overweeg om voortaan op deze manier het woord te vragen in de Senaat. Om het kwade meteen preventief af te weren.”
We trekken nog even de festivalmarkt op. Hier kan je allerlei metalsnuisterijen kopen. “Gezellig! Het doet me denken aan de braderij van Heist-op-den-Berg. Het enige wat ontbreekt is een lunapark. Daar zouden de festivalbezoekers dan kleine metalhebbedingetjes kunnen grijpen. Misschien een tip voor de organisatie?”
Tijd om de inwendige mens te versterken. Wat mogen we de prof aanbieden? Een stuk pizza, een braadworst, of liever een loempia? Torfs bestudeert aandachtig het voedselaanbod. “Zit er ook iets tussen waar je niet direct van dood valt?” Hij gaat uiteindelijk voor een simpel pak friet. Met andalouse.
De muziek dan. Het doodsgereutel van de brutale deathcoreband All Shall Perish weerklinkt. “In 1968 ben ik gestopt met zingen”, mijmert de prof. “Omdat de leerkracht van het zesde studiejaar het lied stillegde telkens ik een poging tot zingen ondernam. Het is een trauma. De zanger die ik nu hoor, heeft zich duidelijk over zijn trauma heen gezet.”
De tijd van de prof zit erop. Slotconclusie? “Op Graspop hangt meer sfeer dan op de doorsnee familiedag van CD&V. Al zie ik mijn collega Joke Schauvliege niet gerust naar hier komen, na haar decibelmaatregelen. Het lawaai hier valt nochtans mee. Allicht omdat het een openluchtfestival is. Ik begrijp Jokes bezorgdheid rond gehoorschade wel. Zij zoekt een evenwicht tussen gezond verstand en overreglementering. Dat is niet simpel. Oorsuizingen maken een mens gek. Ik gaf er onlangs nog een lezing over voor medisch personeel. Lezingen over pijn of een bezoek aan Graspop: u merkt, de professor staat voor veel open.”
En de metalfans? “Ik heb hier veel rare vogels gezien. Als je niet raar bent, dan ben je hier een rare. Maar op hun manier zijn die metalfans best wel schattig.”
Tekst: Tom De Smet, Stefan Laenen. Foto: Bert De Deken.