Het rapport van de Commissie Bijzondere Jeugdzorg
08/07/'11
John de Wit
8 JULI 2011 - De hulpverlening in de bijzondere jeugdzorg is nog bijna volledig autochtoon, er is te weing ambulante hulp in de kinderpsychiatrie, er zijn te weinig pleeggezinnen. De situatie is bijzonder schrijnend in de provincie Antwerpen waar de geprogrammeerde zorg maar voor 78% gerealiseerd is, de Comités voor Bijzondere Jeugdzorg slechts voor 15% van de minderjarigen een geschikte opvang vinden, de sociale diensten van de jeugdrechtbanken beweren dat voor 19% helemaal geen aangepaste zorg bestaat en een derde van de jongeren buiten de provincie moet worden geplaatst. Dat staat in het verslag van de Parlementaire Commissie Bijzondere Jeugdzorg van het Vlaams Parlement. De partijen trekken er allemaal ongeveer dezelfde besluiten uit. Belangrijke vragen worden echter ontweken.
Het Vlaams Parlement besprak woensdag het verslag van de Commissie Bijzondere Jeugdzorg. De Commissie onder leiding van Else De Wachter (sp.a) werd opgericht om na te gaan waarom zoveel minderjarigen in de bijzondere jeugdzorg en de psychiatrie terechtkomen en hoe die instroom kan worden verminderd.
Ze organiseerde tussen september 2010 en maart 2001 tientallen hoorzittingen met hulpverleners, ambtenaren, professoren en enkele jeugdrechters over de problemen in de sector. Haar verslag is nu klaar en op basis daarvan werden ook een aantal moties tot aanbeveling ingediend.
We bespreken achtereenvolgens: de belangrijkste vaststellingen; de oorzaken van de toename van de cliënteel van de bijzondere jeugdzorg; de pijnpunten in die bijzondere jeugdzorg zelf; de vier voorstellen van de politieke fracties (meerderheid, Open Vld, Groen! en VB). We besluiten met enkele kritische bedenkingen op het rapport en op de voorstellen.
Vooraf drie belangrijke punten.
* De Bijzondere jeugdzorg verleent hulp aan possen (minderjarigen in problematische opvoedingssituatie, zoals bv. kinderen die mishandeld worden door hun ouders of die vaak spijbelen of zichzelf verminken) en aan moffen (criminele minderjarigen).
* De hulpverlening zelf is de bevoegdheid van de Gemeenschappen, maar het opleggen van maatregelen valt onder de jeugdrechtbanken en dat is een federale bevoegdheid. Dat maakt dat we niet één wet op de jeugdbescherming hebben, maar drie verschillende. Een jeugdrechter kan bevelen om een jongere te plaatsen in een gesloten instelling, maar de Gemeenschappen moeten ervoor zorgen dat er voldoende plaats in die instellingen is.
* De hulpverlening zelf kan vrijwillig zijn (als bv. ouders met een onhandelbaar kind naar een Comité voor Bijzondere Jeugdzorg stappen, zoals er 20 zijn in Vlaanderen), maar ook gedwongen (als de jeugdrechter een maatregel oplegt of als vrijwillige hulpverlening mislukt).
1. WAT STELT MEN VAST?
* Het aantal jongeren in bijzondere jeugdzorg (BJZ) steeg met 65% in de voorbije tien jaar tot 24.422 in 2009. Deze stijging is groter dan de stijging van het aantal jongeren zelf: nu zit 1,53% in BJZ, in 2000 was dat nog maar 0,98%.
* Bij de possen is er een stijging van 92% bij de moffen een van 39%.
* Het aandeel van de moffen in het geheel van de cliënteel van de Bijzondere Jeugdzorg zakte voortdurend en bedraagt in Vlaanderen nu nog 13,7% in 2009.
* Kinderen onder de 12 jaar vertegenwoordigen 40% van alle BJZ-ers-ers, maar ook 15% van de BJZ-ers is ouder dan 18 jaar.
* Een derde van de BJZ-ers (32,4%) komt uit provincie Antwerpen. Daarna volgen West- en Oost-Vlaanderen met elk bijna 20%.
In Antwerpen komt 44% van de nieuwe aanmeldingen bij de jeugdrechtbank van niet-Belgen en 14% komt van niet-begeleide minderjarigen die illegaal of asielzoeker zijn. De hulpverlening van de bijzondere jeugdzorg is totaal niet aangepast aan deze groepen. En verder: met 76 op 1.000 jongeren heeft Antwerpen de tweede hoogste aanmeldingsgraad voor misdrijven na Verviers, zo bleek uit onderzoek van professor Kristel Driessens.
* Het aantal problematische spijbelaars, die dus minstens 30 halve dagen ongewettigd van school wegblijven, is procentueel met de helft gestegen tussen 2004 en 2009: van 0,8% naar 1,2% van de leerlingen. Vooral in buitengewoon lager onderwijs voor kinderen met emotionele en gedragsproblemen is de stijging sterk: + 79% in tien jaar.
* Onderzoek van de professoren Grietens en Hellinckx wijst uit dat er de voorbije tien jaar geen noemenswaardige toename is van gedragsmoeilijkheden, psychose, antisociaal gedrag of borderlinestoornissen bij jongeren in Vlaanderen. Wel neemt zelfverminking toe, vooral bij meisjes. Grietens en Hellinckx schatten het aantal minderjarigen met een ernstig gedragsprobleem op 10%.
Voor de provincie Antwerpen komt professor Dirk Deboutte echter tot hogere cijfers: tussen de 20 en de 30%. "Bij jongeren in de pleegzorg is dat 25%, bij jongeren die voor de jeugdrechtbank komen 70%, bij jongeren in de gemeenschapsinstellingen zoals Mol zelfs 80%", zo zegde hij tijdens de hoorzittingen.
* Het aantal opnames van kinderen in de psychiatrie is in België tussen 1997 en 2006 verdubbeld. Tot 60% van deze problemen loopt door tot in de volwassenheid, zo stelde professor Dirk Deboutte nog.
2. DE OORZAKEN VAN DEZE STIJGING
De oorzaken van deze stijging zijn velerlei. Ze situeren zich in de algemene maatschappelijke evolutie met teloorgang van buurtnetwerken, toenemende individualisering, toenemende stress, groeiende kansarmoede, toenemende diversiteit die tot spanningen leidt, steeds meer eenoudergezinnen (15,7% van de kinderen onder de 14 jaar groeit op in éénoudergezin en 35% van de ouders daarin werkt niet) en echtscheidingen (één op de drie kinderen maakt een echtscheiding mee), grotere verstedelijking. Geen wonder dat de problemen in de grootsteden dan ook het ergst zijn, zo meent het rapport.
Verdere oorzaken zijn:
== Het aanbod bepaalt de vraag.
== De opvoeding verloopt steeds meer door overleg. Als dat overleg mislukt, weten ouders het vaak niet meer en stappen maar naar de bijzondere jeugdzorg, veel meer dan vroeger.
== Problemen worden heel snel specialistisch en medisch geduid (ADHD, autisme) en dan zit je al gauw in de hulpverlening. Het nadeel van deze medische aanpak is dat het probleem vaak wordt losgesneden van zijn omgevingscontext en wordt geïndividualiseerd.
3. PIJNPUNTEN IN DE BIJZONDERE JEUGDZORG?
Wat zijn nu volgens het rapport-De Wachter de belangrijkste pijnpunten in de bijzondere jeugdzorg?
Over het algemeen is het probleem dat te veel minderjarigen op de verkeerde plaats zitten en dat voor bepaalde groepen te weinig of zelfs geen aangepaste hulp bestaat.
* Bij de vrijwillige hulpverlening blijft - volgens het rapport - liefst 69% van alle meldingen zonder maatregel. Bij de parketbeslissingen over criminele jongeren is dat zelfs 68,7% in 2008, bij parketbeslissingen over possen geldt dat slechts voor 51,2%. Wat in al deze gevallen verder gebeurt met deze jongeren is volkomen onduidelijk, zo schrijft het rapport.
* Men handelt de zaken veel minder af via pleegzorg dan elders in Europa. Van de minderjarigen die buitenshuis worden geplaatst is dat in 62% in een instelling. In de meeste ons omringende landen wordt meer dan de helft in de pleegzorg geplaatst.
Maar toch is de pleegzorg in Bijzondere jeugdzorg in tien jaar tijd met 75% toegenomen. Antwerpen heeft meeste pleegzorgkinderen, ook per inwoners: 1,06 per 10.000 inwoners (gemiddeld: 0,58% in België). Er is een schrijnend tekort aan pleeggezinnen.
* Zelden wordt de gepaste maatregel gevonden. Professor Kristel Driessens ging na welke dossiers de consulenten in de provincie Antwerpen behandelden tussen 5 en 16 oktober 2009. Ook werd hun mening gevraagd over de werking van de Bijzondere Jeugdzorg. Ze stelde haar resultaten voor in het Vlaams Parlement.
Voor slechts 15% van de minderjarigen die door een CBJ (Comité Bijzondere Jeugdzorg) begeleid werden, wordt een geschikte opvang gevonden. Bij de jeugdrechtbanken was dit 25%. Op de sociale diensten van de jeugdrechtbanken zegden ze dat voor 19% zelfs helemaal geen aangepaste hulpverlening bestaat. Driessens wees erop dat de provincie Antwerpen slechts 78% van de geprogrammeerde plaatsen (vnl. residentieel, maar ook dagcentra en thuisbegeleidingsdiensten vallen hieronder, nvdr) ook werkelijk heeft. In het gerechtelijk arrondissement Antwerpen is dat cijfer slechts 74% terwijl het voor heel Vlaanderen om 96% gaat. Voor een op de drie jongeren kan geen plaats binnen de provincie gevonden.
* En toch is er veel hulpverlening. Vlaanderen telt 5.900 verschillende "jeugdhulpmodules". De meest laagdrempelige hulp vind je in JAC's (Jeugd en Adviescentra) en CAW's (Centra voor Algemeen Welzijnswerk) en die heb je alleen in de grote steden. De meeste mensen kennen de hulpverlening onvoldoende omdat ze te ondoorzichtig is.
* Er zijn natuurlijk ook wachtlijsten, vooral in de residentiële zorg, maar ook in de ambulante. Waarom? Volgens de Antwerpse professor Dirk Deboutte alvast "omdat kinderpsychiatrie maar 5% van het psychiatriebudget vertegenwoordigt, terwijl het percentage gestoorde kinderen even hoog is als percentage gestoorde volwassenen en er toch 25% minderjarigen in de Belgische bevolking zijn." Door die wachtlijsten krijgt niet iedereen de gepaste hulp of start die hulp te laat, op een moment dat de problemen nog erger geworden zijn.
* Er is ook een tekort aan ambulante hulpverlening, vooral in de kinder- en jeugdpsychiatrie. En daar is ook een tekort aan nazorg. Gevolg: jongeren blijven langer in instellingen dan eigenlijk nodig is. Een derde van de kinderen in het jeugdpsychiatrisch ziekenhuis van Antwerpen zitten daar alleen maar omdat er geen hulpverlening aan huis is, zo zegde professor Deboutte. Volgens hem heeft de provincie Antwerpen relatief gezien veel minder opvang voor deze groep dan andere provincies: er is géén poliklinisch of ambulant aanbod, zo stelde hij.
* Er is ook geen gepaste hulp voor meerderjarigen die nog in de bijzondere jeugdbijstand zitten; ook voor jongeren met gedrags- en emotionele problemen is er onvoldoende gepaste hulp.
* Omdat de CBJ's in weekend en 's avonds niet open zijn, komen te veel jongeren met problemen op een "te hoog niveau" terecht, bijvoorbeeld in een instelling, terwijl eigenlijk thuisbegeleiding al zou volstaan. Dat komt omdat die minderjarigen dan misschien rechtstreeks naar het parket gaan.
* Maar de bijzondere jeugdzorg wordt ook oneigenlijk gebruikt. De jeugdrechtbanken menen dat spijbel- en echtscheidingsdossiers niet in de bijzondere jeugdzorg thuishoren. Onenigheid over de manier van opvoeden wordt te vaak aan de jeugdrechter voorgelegd, vermomd als een dossier over een minderjarige in een problematische opvoedingssituatie. Terwijl men deze problemen perfect voor de burgerlijke (echtscheidings)rechter zou kunnen uitklaren. In spijbeldossiers moeten de scholen en de CLB's optreden, niet de jeugdrechters, zo menen ze.
* Er is een tekort aan pleeggezinnen, vooral in de "bestandspleegzorg". Daar zijn de pleegouders vreemd aan het kind, ze behoren niet tot familie of vriendenkring. Dat tekort verklaart het rapport door het slechte statuut van de pleegouders. Het feit dat pleegouders geen ouderschapsverlof of tijdskrediet kunnen nemen en dat ze niet gehoord worden bij beslissingen over het bezoekrecht voor de ouders speelt daarin zeker mee. Ook zijn er geen financiële regelingen als de kinderen nog van hun pleegouders afhankelijk blijven, bv. als student: het leefloon is echt onvoldoende.
* Het personeel in de sector vergrijst (21,7% is boven de vijftig jaar en zal dus binnen de tien jaar met pensioen gaan) en er is te veel personeelsverloop. Dat komt omdat ze te veel personen moeten begeleiden, tot 100 per opvoeder of consulent. Beide factoren bevorderen een standvastige, langdurige begeleiding niet.
* Hulpverlening is beperkt in de tijd, vele projecten moeten ieder jaar opnieuw middelen vragen. Ook dat bevordert een langere begeleiding niet.
* Er is een aansprakelijkheidsangst bij de hulpverleners. Ze vrezen aansprakelijk gesteld te worden als ze niet voldoende zijn opgetreden. Daardoor ontstaat de neiging om minderjarigen door te verwijzen naar een te zware, niet-gepaste vorm van hulpverlening.
* De hulpverleners in de bijzondere jeugdzorg zijn nog steeds bijna volledig autochtoon, ook in grote steden met veel allochtonen, ook in de OTA-teams (hulpverlening die speciaal voor allochtonen is bedoeld). Ze kunnen onvoldoende beroep doen op tolken en zitten soms met een analfabeet cliënteel.
4. WELKE BESLUITEN TREKKEN DE POLITICI?
Welke besluiten trekken de Vlaamseparlementsleden hier nu uit?
4.1. DE MEERDERHEID VAN CD&V, N-VA EN SP.A
De meerderheid stelt o.a. voor:
* Bij gezinsconflicten moet bemiddeling meer naar voor geschoven worden.
* Voorschoolse en buitenschoolse opvang moet worden uitgebouwd.
* Kinderen moeten over situaties in het gezin een hoor- en spreekrecht krijgen.
* Opvoedingsondersteuning moet in de buurt en op gezinsvriendelijke uren.
* Woonprojecten moeten voldoende ruimte voor kinderen uittrekken en minderjarigen moeten een volwaardige partner worden in het verkavelings- en vergunningenbeleid.
* Scholen moeten een breder aanbod realiseren: meer sport en cultuur.
* Meer juffen in het kleuteronderwijs.
* Risicoleerlingen moeten preventie opgespoord en begeleid worden.
* De Centra voor Leerlingenbegeleiding moeten zich ook bekommeren om het psychisch welbevinden van kinderen en in de scholen is meer psychosociale hulp nodig.
* De opvoeders in internaten moeten volledig gesubsidieerd worden volgens het aantal internen.
* De Jongerenadviescentra moeten jeugdadviseurs krijgen.
* Meer promotie voeren om kinderen buiten te laten spelen.
* Meer tolken voor hulpverleners aan allochtonen.
* Een aparte opvang voor jongeren met gedrags-, verslavings-, emotionele en psychiatrische problemen.
* Een permanentie op de eerste lijn (waar zegt men er niet bij, maar bedoeld zijn allicht: de CAW's en de CBJ's).
* Meer ambulante hulp en meer vrijwilligers in de uitbouw van dienstverlening voor gezinnen.
* Een beter statuut voor àlle hulpverleners.
* De "consulent" (hulpverlener in de bijzondere jeugdzorg) moet meer "generalistisch" worden opgeleid: minder specialisatie, meer informatie over armoede en culturele verschillen.
* Meer pleegzorg, vooral voor de jongste kinderen.
* Meer gezinsvervangende tehuizen.
* Meer personeel voor de basishulp in de centra voor geestelijke gezondheidszorg en vooral dan voor hulp aan kinderen en jongeren.
* In procedures moet de minderjarige het recht op een advocaat krijgen.
4.2. OPEN VLD
Open Vld heeft min of meer dezelfde ideeën als de meerderheid, maar de partij pleit uitdrukkelijk voor een betere spreiding van het aanbod van zorg, zodat iedere jongere in zijn regio kan worden opgevangen. Nu is dat meer bepaald in Antwerpen zeker niet zo. De partij wil - net zoals de meerderheid maar meer gespecifieerd - ook "trajectbegeleiding" door een vertrouwenspersoon als belangrijkste element van de toekomstige jeugdzorg. Een minderjarige in nood moet dus een coach uit zijn onmiddellijke omgeving krijgen die hem levenslang begeleidt.
4.3. GROEN!
De Groenen leverden met Mieke Vogels eerder al een minister van Welzijn. Hun voorstellen wijken op bepaalde punten af.
* In de openbare ruimte moet de aanleg van speelpleinen prioriteit nummer één zijn. Het speelplein moet de auto vervangen om het kind weer kind te laten zijn. (Eerder al pleitte Vogels ervoor om het decreet op de geluidsoverlast zo te hervormen dat spelende kinderen nooit nog voor geluidsoverlast zouden kunnen zorgen, nvdr).
* De voorschoolse opvang en het kleuteronderwijs moeten geïntegreerd worden. De kleuterklassen moeten beslist kleiner worden.
* De school moet "breed" zijn: rekenen moet afgewisseld worden met muziek, tekenen, toneel en ruime ravotpauzes.
* In het middelbaar onderwijs is een vak pedagogie nodig zodat de jongeren leren om hun kinderen op te voeden.
* Er moet een "kenniscentrum" voor diversiteit komen.
* Bij de creatie van nieuwe capaciteit moet de voorrang gaan naar hulpverlening aan jongvolwassenen en van kinderen met zware en complexe problemen.
4.4. VLAAMS BELANG
Ook het Vlaams Belang heeft grotendeels dezelfde besluiten (trajectbegeleiding, meer pleegzorg voor jonge kinderen, aparte hulp voor verslaafden en psychiatrische patiënten enzovoort) als de andere partijen, maar het VB wil bovendien "echtscheidingspreventie" organiseren en ze wil ook een strafrechtelijk beleid voor criminele minderjarigen, voldoende plaatsen in de gesloten gemeenschapsinstellingen zodat de jeugdrechters jonge boefjes kunnen plaatsen. De partij stelt ook vast dat het "huidige integratiebeleid faalt". Ze bepleit een heroriëntatie, zodat "de slachtoffercultuur plaats maakt voor aanpassing door allochtonen aan onze cultuur".
5. BEDENKINGEN
1. De goedgekeurde aanbevelingen (die van de meerderheid dus, nvdr) die voortvloeien uit het rapport zijn een mager beestje. Ze zijn nogal wollig. Zo roept de meerderheid de Vlaamse regering op om "in te zetten op een beleidsdomeinoverschrijdende strategie om op de problematieken adequaat te kunnen inspelen en een gemeenschappelijke visie te ontwikkelen zowel regionaal als intersectoraal afgestemd en gedragen om de verhoogde instroom in de jeugdhulpverlening aan te pakken". Kortom: de Vlaamse regering moet een visie ontwikkelen, alsof dat niet de taak van de hoorzittingen zelf was.
Terwijl men vaststelt dat er 5.900 verschillende jeugdzorgmodules zijn, pleiten de voorstellen doorgaans alleen voor méér van dit, méér van dat. Hoeveel meer, zegt men er zelden of nooit bij, zodat de aanbevelingen erg vaag blijven. Verrassend is ook dat de sociale diensten van de Antwerpse jeugdrechtbanken zeggen dat voor 19% van de jongeren die bij hen binnenkomen, "geen enkele gepaste hulpverlening bestaat". Hoe is dit met zoveel voorzieningen mogelijk? Het wordt niet onderzocht.
2. Er is ook geen enkel financieel plaatje gemaakt van de nieuwe voorstellen. Wat zal een trajectbegeleiding door één coacht voor iedere minderjarige in de bijzondere jeugdzorg kosten? Waar zal men dat geld halen? Het is maar één maatregel, maar uiteindelijk geldt deze kritiek voor alle maatregelen.
3. De bestaande maatregelen worden niet inhoudelijk geëvalueerd: we weten dus niet welke "zorgmodules" welk effect hebben. Haalt al die hulpverlening wel iets uit en onder welke voorwaarden doet ze dat? Tijdens het parlementaire debat vond Peter Ghysbrechts (Open Vld) wel dat we "geen schrik moeten hebben van een evaluatie van de diensten", maar verder kwam het niet. Zeker met betrekking tot de moffen zou een evaluatie toch mogelijk moeten zijn, al was het maar op het vlak van recidive. Maar dat vinden we niet terug, noch in het rapport, noch in de aanbevelingen.
4. De criminele jongeren blijven onderbelicht. Er zijn geen aanbevelingen over het tekort aan plaatsen in de gesloten instellingen, hulpverleners van die instellingen werden niet gehoord, een vraag van LDD om een hoorzitting over de (nog federale) jeugdgevangenis van Everberg, waar Vlaanderen toch een hele reeks hulpverleners ter beschikking stelt én waarover Vlaanderen na een staatshervorming wellicht de volledige bevoegdheid krijgt, werd afgewezen. Er is niets terug te vinden over een speciaal welzijnsbeleid voor veelplegers. De Commissieleden wijzen er wel om de haverklap op dat "criminele jongeren maar een heel klein, overgemediatiseerd deel van de bijzondere jeugdzorg zijn". Dat is ongetwijfeld juist, maar het is wel het deel dat het meeste last veroorzaakt en dat de bevolking het meest beroert. De Commissie had hieraan dus wel wat meer aandacht kunnen besteden.
5. De discussie over de defederalisering van de jeugdbescherming komt nauwelijks ter sprake. Wel spreken sp.a en VB zich uitdrukkelijk uit voor een overheveling van de jeugdbescherming naar de gemeenschappen. Weliswaar stond dit in de federale nota's van Johan Vande Lanotte (sp.a) en Elio Di Rupo (PS) ter voorbereiding van een nieuwe regering. Weliswaar is de huidige federale minister van justitie daarvan een groot voorstander. Maar in de de "maatschappelijke beleidsnota", zoals het verslag van de hoorzittingen officieel heet, vind je daar niets van terug. De defederalisering wordt niet voorgesteld, wat gezien de samenstelling van de meerderheid en gezien de eerdere standpunten op federaal niveau kan verbazen. Ook de vraag hoe je de jeugdbescherming naar de Gemeenschappen kan overhevelen zonder politie en justitie in zijn geheel over te hevelen wordt niet gesteld.
6. Er worden maar weinig fundamentele vragen gesteld. De wet op de jeugdbescherming is samen met het wetboek van strafvordering en de vreemdelingenwet, een ontstellend complex gedoe, waarin een kat haar jongen niet meer terugvindt. Niet alleen is de wet anders per gemeenschap, ook de basiselementen zijn heel complex.
De wet is bovendien volledig verouderd, maar de huidige federale justitieminister, Stefaan De Clerck (CD&V) wil haar niet wijzigen. Toch is een drastische ingreep nodig. Niet alleen gaat deze wet ervan uit dat iedereen - zelfs de zwaarste, sterkst recidiverende criminele jongere - opvoedbaar is tot een keurige burger, wat onrealistisch is en overspannen verwachtingen schept, maar ook definieert ze jongeren tot hun achttiende als 'onverantwoordelijken'. Wat onrealistisch, onconsequent en zelfs beledigend is.
De wet van 1965 is gemaakt in een periode dat het gezag nog pal overeind stond (mei 68 was nog niet gepasseerd), de multiculturele samenleving nog niet bestond, de criminaliteit niet zo gewelddadig was als nu en het geloof in de mogelijkheden van opvoeding en sociale sturing van de samenleving onrealistisch groot waren. Een minderjarige van 14 jaar uit 1965 was heel wat minder "volwassen" dan eenzelfde minderjarige uit 2008. Een minderjarige van toen had ook veel minder rechten dan één van nu. Er zijn ondertussen veel rechten voor minderjarigen bijgekomen, maar geen plichten.
Is de wet van 1965, in haar dagelijkse toepassing, bovendien niet te veel afgestemd op de westerse schuldcultuur van de blanke jeugdcrimineel, die in 1965 de enige jeugdcrimineel was? De hulpverleningsmodellen die worden aangeboden zijn dat grotendeels ook, zodat je bijna kan zeggen dat de wet racistisch wordt toegepast omdat ze geen rekening houdt met culturele verschillen. Het risico op een racistische toepassing van deze oubollige wet is nog groter als je bedenkt dat de hulpverlening in deze sector nog volledig autochtoon is. De hulpverlening houdt als sector vaak vurige pleidooien voor de multiculturele samenleving, maar komt er zelf niet aan toe.
Als de jeugdbescherming na een nieuwe staatshervorming naar Vlaanderen wordt overgeheveld, is het hoog tijd om tabula rasa te maken met de wet van 1965 en helemaal opnieuw te beginnen met een eenvoudige wet en een doorzichtige hulpverlening.
********************************
Het rapport van de Commissie-De Wachter vindt U hier.
********************************
Lees ook:
Jeugdcriminaliteit steeg lichtjes in 2008
Vreysen: "Geen leeftijdsgrens voor jeugdcriminelen meer"
Eén op de drie scholieren pleegt geweld
Uithandengeving doet Wallonië en Vlaanderen botsen
Sp.a wil maximaal zes jaar cel voor criminele minderjarigen
Jeugdrechter kan nu toch straffen