Wederopbouw in Haïti gaat moeizaam
27/07/'11
Buitenland
De wederopbouw in Haïti na de aardbeving van januari 2010, waarbij meer dan 200.000 mensen omkwamen en zo'n 1,5 miljoen Haïtianen dakloos raakten, verloopt moeizaam. De internationale financiële steun blijft achter.
"Met alle puin dat hier nog op straat ligt, kunnen achtduizend Olympische zwembaden gevuld worden", staat in een recente studie van het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP). Het meeste puin ligt in de hoofdstad Port-au-Prince. Het puin verhindert dat mensen terug naar huis kunnen.
De kosten voor de wederopbouw van Haïti zijn geschat op 11,5 miljard dollar (bijna 9 miljoen euro) en de organisaties die in het land werken "hebben voortdurend steun nodig", schrijft het UNDP.
Realisme
In maart 2010 beloofden VN-lidstaten meer dan 9 miljard dollar (6,2 miljard euro) voor de wederopbouw van Haïti, inclusief 5,3 miljard (3,7 miljard euro) voor de periode 2010/2011.
Tot op heden ontving het Haïtiaanse Reconstructiefonds 335 miljoen dollar (232 miljoen euro). Van dat geld werd 237 miljoen dollar (164 miljoen euro) geïnvesteerd in veertien bouwprojecten, blijkt uit het eerste jaarlijkse rapport van het fonds dat op 22 juli verscheen.
Het Reconstructiefonds (HRF), dat in juni 2010 werd opgericht door de Haïtiaanse regering, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, de Verenigde Naties, de Wereldbank en donorlanden, heeft daarmee 71 procent van het door de donoren overgemaakte geld gebruikt.
Josef Leitmann, manager van het HRF, zegt in een reactie dat realisme geboden is. "Onder de huidige, uitzonderlijk moeilijke omstandigheden, kost wederopbouw tijd. Tegelijkertijd hebben we op belangrijke terreinen vooruitgang geboekt: huisvesting, puin ruimen en onderwijs.
Tentenkampen
Minstens 600.000 Haïtianen leven nog in tentenkampen en meer dan 5500 mensen overleden aan de cholera-epidemie die vorig jaar oktober uitbrak.
De reconstructie-inspanningen op Haïti worden niet alleen geleid door donoren uit rijke en arme landen, maar ook door internationale organisaties zoals de Verenigde Naties, de Wereldbank, de Europese Unie, de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank en IBSA, de coalitie van drie opkomende ontwikkelingslanden: India, Brazilië en Zuid-Afrika.
Ambassadeur Hardeep Singh Puri van India, een actief lid van IBSA, zegt dat zijn land een "bescheiden bijdrage " van 5 miljoen dollar (3,5 miljoen euro) heeft geleverd, direct na de aardbeving. Vlak daarna volgde 500.000 dollar (345.000 euro) van het Centrale Noodfonds van de Verenigde Naties (CERF).
Foto BrunoPress