Pastoor houdt dorp recht tijdens oorlogsjaren

Print
Pastoor houdt dorp recht tijdens oorlogsjaren

Pastoor houdt dorp recht tijdens oorlogsjaren

In Arendonk zijn de gevolgen van de Groote Oorlog nog altijd zichtbaar en voelbaar. In 1915 werd het dorp gesplitst door de dodendraad. Honderd jaar later bestaat het dorp nog steeds uit twee parochies met elk hun eigen verenigingsleven. De voetbalmatchen FC Vrij tegen Verbroedering Arendonk zijn derby's op het scherp van de snee.

Net als in andere gemeenten heerst in augustus 1914 chaos in Arendonk. Bij een schietincident in Retie doden Arendonkse gendarmes een Duitse ulaan. Om hun gesneuvelde makker te wreken, steken de Duitse ruiters in Retie vijf huizen en een stal in brand en schieten wild in het rond. Een vijftienjarig meisje komt daarbij om.

Tijdens hun aftocht naar Postel laten de Duitsers verstaan dat ze de volgende dag met een grotere groep zullen terugkeren voor een strafexpeditie op Retie en Arendonk. De bewoners van beide dorpen slaan massaal op de vlucht naar de bossen van de Voorheide en in de richting van Reusel. De Arendonkse pastoor Lodewijk Coveliers staat die zondag voor een zo goed als lege kerk. "Ik heb het aangetekend: behalve de priesters en de kerkbediende zijn er slecht zes personen in de eerste Mis", schrijft pastoor Coveliers in zijn geschiedkundige beschrijving.

's Nachts wordt duidelijk dat pastoor Coveliers een sterke rol zal spelen tijdens de oorlog. In een nachtelijke vergadering bespreken burgemeester Peeters en zijn schepenen de oorlogsdreiging en ze vragen zich af wat de rol van de ernstig zieke burgemeester moet zijn. De politici geraken er niet uit en roepen pastoor Coveliers erbij. "Mijnheer Pastoor, wat moet ik doen?" vraagt de burgemeester. "De gemeenteraad zegt dat ik niet mag heengaan, dat een burgemeester moet in zijne gemeente zijn." "Een man van uwe jaren en uw gezondheid moet niet blijven, hij mag gerust gaan", reageert de pastoor. "Ik zal wel voor het dorp zorgen." Nog diezelfde nacht vertrekt de zieke burgemeester naar Eindhoven waar hij twee maanden later sterft.

Jules Van Doorn is de zoon van de toenmalige kerkmeester van pastoor Coveliers. "Ik zat als kleine pagadder vaak mee aan tafel als mijn vader en pastoor Coveliers spraken", herinnert de man zich. "Het was een bijzondere man, onze pastoor. Hij was van niets of niemand bang. Ik weet nog dat hij vertelde dat hij in de deur ging staan toen de Duitse ulanen het dorp binnenreden om hen te vragen wat ze kwamen doen." Soms samen met de schepenen die er nog waren, maar soms ook tégen hun ideeën in, zorgt pastoor Coveliers voor het dorp. Hij wordt voorzitter van het Hulp en Voedingskomiteit dat de bevolking moet behoeden tegen armoede en hongersnood. En bij de bezetters komt de pastoor op voor de noden van zijn volk.

Wanneer de Duitsers in 1916 een elektrische draadversperring plaatsen aan het kanaal, zijn de mensen aan de andere kant van de draad afgesneden van hun kerk en van de voedselbedeling. De pastoor krijgt het voor elkaar dat hij onder begeleiding van een soldaat door het ijzeren gordijn mag om de sacramenten uit te delen. En hij krijgt de Duitse bezetters zo ver dat de leden van het komiteit Nederlands brood naar de andere kant van de draad mogen brengen. Zo kan het komiteit ook de soep verdelen in de school. "Om de kleinen te versterken en te behoeden, wordt voor hen iederen middag eene smakelijke soep voorbereid en eene goede snede brood voor ieder daarbij gevoegd", schrijft de pastoor.

"Coveliers was niet extreem", vertelt de zoon van Coveliers' kerkmeester. "Hij was het gewend om te schipperen. De meeste Duitsers waren protestanten en zij hadden een gebedshuis in de Wippelberg. Ook al was dat huis in zijn ogen 'des duivels', toch onderhield de pastoor goede contacten met de aalmoezenier van het gebedshuis. Waarschijnlijk heeft dat de Arendonkenaars tijdens de Groote Oorlog veel ellende bespaard."

Tom Claessen

Foto GvA (boven): Monument